Heroine is de hel drugs hebben niets subversiefs meer. en dus moeten ze op een ‘normale’ manier worden geïntegreerd in de maatschappij, vindt het comité

HET HEEFT nog nooit zo fris geroken in de Melkweg. De entree is geboend, de posters hangen recht, de kaartjescontroleurs spreken met twee woorden en in de hal zijn de standjes, de tafels met tijdschriften en parafernalia keurig gedekt.

Alsof de Vereniging Peuteropvang Alphen a/d Rijn een bijeenkomst heeft belegd, of de Stichting Eigen Huis een inspraakavond doet. Maar nee. Dit is heus de eerste manifestatie van blijmoedige druggebruikers, georganiseerd door het onlangs opgerichte CRD, het Comité voor Recreatief Drugsgebruik.
Lieve poezelige meisjes met paarse pruiken gaan rond met voorhangtafeltjes met xtc-testers. Het Comité geeft informatie over de achtergronden van deze avond. Duidelijke bordjes wijzen de weg.
De stemming is al even keurig: beschaafd staat men te keuvelen tegen een achtergrond van slappe muziek. Een spa nippend wisselt men andekdoten uit over vrouw en kinderen en de aanstaande zomervakantie. Ben ik hier wel goed? Dit was toch Operation Brain Storm? Een avond bedoeld om het pleidooi van het CRD voor een algehele vrijgave van alle genotsmiddelen kracht bij te zetten?
HET COMITE voor Recreatief Drugsgebruik bestaat uit Arno Adelaars, Arjen Koedam, Bart-Jan Brouwer, Cliff Cremer, Daan Diederiks, Erik van Ree, Feije Wieringa, Freek Polak, Gerben Hellinga, Gerhard Rekvelt, Hannah Bouma, Hans Ossebaard, Hans Plomp, Harry Bego, Iris Freie, Jaap Jamin, Mario Lap, Melissa Blommers, Peter Cohen, Quirijn Meijnen, Rae Eikelboom en Ton Nabben. Voorwaar enkele vooraanstaande drugskenners, klinkende namen op dit gebied.
In een als een slager-op-de-hoek-krantje vormgegeven pamflet publiceert het CRD zijn manifest. ‘Er is één zaak waarover Wim Kok en Lee Kuan Yew, ayatollah Khamenei en Nelson Mandela, Fidel Castro en Bill Clinton het roerend eens zijn, één zaak waarover een hartverwarmende internationale consensus bestaat: de noodzaak drugs te bestrijden. De drugs zijn het nieuwe spook dat door de wereld gaat, en waartegen alle machten zich in een heilige alliantie hebben aaneengesloten. Waar het drugs aangaat heeft iedereen zich de blauwe knoop opgeprikt. Want wie zou de noodzaak van drugsbestrijding willen bestrijden?’
Nou, het CRD dus. Het constateert: 'Drugs, dat zijn immers Colombiaanse en Russische miljardairs die, dobberend in hun zwembaden, via hun zaktelefoons de wereld verzieken; en aan het einde van de lijn: opgeschoten psychopaatjes die onze volksbuurten onveilig maken. Drugs zijn toch met aids besmette naalden waar onze peuters zich aan prikken? Drugs zijn onze kinderen, onze zoons en dochters die ooit op de havo zaten en nu, verlept en grauw, gestolen fietsen verkopen. Drugs verwoesten de hersenen. Drugs zijn drugsdoden. Drugsgebruik is controleverlies, een samenleving die afglijdt naar anarchie.’
Natuurlijk heeft het CRD gelijk als het stelt dat hier sprake is van een vertekend beeld. We stellen de bergsport toch ook niet gelijk aan gebroken nekken en bevroren ledematen? Dan moeten drugs ook worden bevrijd van hun staatsgevaarlijke en levensbedreigende imago.
Het CRD wil onderscheid maken tussen drugsgebruik en drugsmisbruik. 'Drugsgebruik is geen probleem, en dient dan ook niet te worden bestreden. Alleen drugsmisbruik is een probleem.’
Verder wordt de brochure van het comité opgesierd door diepgravende artikelen als 'Drugs en alcohol, toen en nu’, 'Lente’, 'De roes’, 'Een cadeautje’ en de brief 'Lieve ouders’, waarin Gerhard Rekvelt en Melissa Blommers (kinderen) het verschil blootleggen tussen hun generatie en die van hun opvoeders: 'Als een kind op jonge leeftijd in drugs geïnteresseerd raakt, ontbreekt het jullie opvoeders vaak aan eerlijke informatie omtrent drugs en rest jullie niets anders dan deze sappige vruchten simpelweg te verbieden. Juist als gevolg van dit verbod ontstaan de werkelijke drama’s van vandaag de dag. Elk kind is namelijk nieuwsgierig en een blij kind is er meestal één dat zijn nieuwsgierigheid positief heeft leren bevredigen. Geen ouder zal dat ontkennen!’
De avond in de Melkweg heeft niets van een manifestatie van opstandige mensen die strijden voor een ideaal, die als een maatschappelijke minderheid de krachten willen bundelen om te vechten tegen de burgerlijke normen en waarden van een schijntolerante samenleving. Er is een debat, er is een forum, er zijn interruptiemicrofoons in de zaal (maar niemand interrumpeert; men wacht netjes tot de ander is uitgesproken voor men wat zegt), er is van alles. Maar de ambtelijke manier waarop alles verloopt wekt de indruk dat hier brave burgers hun recht op brave burgerdingen komen onderstrepen. We willen verse quizzen op tv, we willen vrije tijd, we willen bioscopen in nieuwbouwland, en we willen ongestraft en onbecommentarieerd drugs kunnen gebruiken.
DRUGS ZIJN niet meer wat ze geweest zijn. De tijd dat drugs werden gebruikt door een kleine groep progressieven en kunstenaars is ver weg. Met Baudelaire die de subversieve geneugten van hasjiesj bezingt, heeft dat allemaal niets te maken, net zomin als met de trippende hippies uit de flower power-jaren, die in lsd en andere psychoactieve middelen een serieuze mogelijkheid zagen de wereld te veranderen. Drugs hebben niets subversiefs meer. Ze zijn gemeengoed geworden, alledaags, normaal. En dus moeten ze ook maar op een 'normale’ manier worden geïntegreerd in de maatschappij, vinden de recreatieve gebruikers en hun comité.
De laatste tien jaar is er snel veel veranderd. Voor mijn eerste xtc-pilletjes heb ik dagen moeten zwoegen en reisde ik kilometers. Nu is xtc het middel van de dansende middenklasse en de hakkende schooljeugd. Cocaïne was, toen ik het ontdekte, nog dat half-mysterieus wondermiddel dat je nachten bezorgde die je niet gemakkelijk meer vergat, een middel waarvoor je moeite moest doen om het te kopen, en waarvan de voorpret vaak al een enorme kick was. Vandaag is cocaïne ook al zo'n doodgewoon stofje geworden - dat wil zeggen: in rauwe vorm - dat door jan en alleman zijn neus in wordt gejaagd. (Gekookte cocaïne, zogenaamde coke-base, is iets heel anders. Dat is een heel stuk problematischer.) Het 'uitgaansleven’ van de beter gesitueerden draait op cocaïne en andere stimulerende middelen. Drugs zijn op dit moment een doodnormaal onderdeel van het leven. En in die zin heeft het CRD gelijk dat ze ook als zodanig behandeld moeten worden. Maar in hun enthousiasme zien ze nogal wat dingen over het hoofd.
HET BEGON zo'n half jaar geleden met het pamflet 'Om wille van onze kinderen’ van Erik van Ree en Theo van Gogh. Dat was een van de meest gênante geschriften ooit op dat gebied. De toon was uitgesproken zelfgenoegzaam, en het gemak waarmee het 'drugsprobleem’ werd gereduceerd tot de moeite die Van Ree dan wel Van Gogh die avond had om de gewenste spullen te kunnen scoren, was stuitend. 'Om wille van onze kinderen’ was in de eerste plaats koket: wij gebruiken allemaal wel eens wat, en dat willen we we-he-ten. We zijn hip. We zijn modern. En we durven ook nog. De brief begon zo: 'Cocaïne of paddestoelen, lsd, speed of ecstasy - alle ondergetekenden hebben één of meerdere van deze “harddrugs” wel eens genuttigd. Sommigen van ons zijn regelmatige gebruikers ervan - en tot genoegen. Een enkeling is zelfs wel eens met een joint te betrappen. En toch betalen wij belasting, hebben onze naaste lief (nu ja) en hopen op geluk, net als U en ieder ander. Harddrugs worden niet slechts gebruikt door menselijke wrakken die aan de grond gelopen hun dagen slijten.’
'Menselijke wrakken die aan de grond gelopen hun dagen slijten.’ Bedoelen ze daarmee hetzelfde als wat het CRD omschrijft als: 'mensen die iets te kort komen, de werkelijkheid niet aankunnen en die zich daarvoor eigenlijk moeten schamen’, waarmee men verwijst naar een 'heersende opvatting’? Maar net als Van Ree en Van Gogh onderschrijven ze in wezen die 'heersende opvatting’ waar het één ding betreft, en wel het belangrijkste ding als het gaat om het 'drugsprobleem’. Voor het gemak sluit men daar de ogen maar voor. En dat zou men niet moeten doen. Want het is vermijdelijk de bottleneck in alle drugsdiscussies: heroïne.
Terwijl in de Melkweg in de hal xtc-testers worden uitgedeeld en her en der de wietzaden en -bladen de bezoeker om de oren vliegen, ligt bij de uitgang, in een stil hoekje, een klein, verlegen stapeltje papiertjes van het Centrum voor Drugsonderzoek (Cedro) van de Universiteit van Amsterdam, dat onderzoek doet naar het gebruik van heroïne en amfetamine. Hé, dit gaat over problemen! Hè bah, dat willen we niet, hoor! Loop maar door.
Wat begon met de brief van Van Ree en Van Gogh, wordt doorgezet door het Comité voor Recreatief Drugsgebruik: een blij en vrolijk verhaal vertellen over drugs en ondertussen weigeren te erkennen dat er wel degelijk een keerzijde is.
Natuurlijk is de huidige situatie te absurd voor woorden. Paars neemt steeds meer anti-drugsmaatregelen. Housefeesten barsten van de stillen. Heel Amsterdam barst langzamerhand van de stillen.
IN DE MELKWEG, bij het stapeltje flyers, ontmoet ik heroïnegebruiker D. Hij is geen prototype van het 'wrak’: goed opgeleid, goeie jeugd gehad, prima werk. Desondanks hangt er een tranentrekkende vermoeidheid om zijn mond. 'Je wordt tegenwoordig opgepakt door de politie als je alleen maar kijkt naar een dealer. Een tijdje terug kocht ik ’s ochtends wat dope, echt zo'n beetje (gebaart met vingers), en daarvoor werd ik meteen in de boeien geslagen en afgevoerd alsof ik net een oud vrouwtje verkracht had. Lieten ze me zes uur in een cel creperen, want ik was erg ziek. Ik praatte met de hoofdcommissaris over het probleem in zijn algemeenheid. Hij zei: “Als ik het hier onder het viaduct door heb gewerkt, is het mijn probleem niet meer.” Dat hij het daarmee niet oploste, was hem een zorg. Het was uit zijn district weg. Daar ging het hem om. Zo gaat het tegenwoordig. Leve het paarse kabinet.’
Onder druk van het buitenland gedraagt Nederland zich als een laf en angstig staatje, te beroerd om de problemen aan te pakken. Dus in principe is zo'n CRD welkom. Maar ook dat comité is bang om de werkelijke ellende onder ogen te zien.
D.: 'Heroïne noemen ze in die brief opzettelijk niet. Van Ree en Van Gogh houden het bij relatief onschuldige middelen als cocaïne, xtc, speed en hasj. Die dingen moeten natuurlijk zo snel mogelijk uit de opiumwet worden gehaald. Maar weten ze over wie ze het hebben als ze spreken over “de druggebruiker”? Waar liggen de problemen? Juist, bij heroïne. Niemand gebruikt dat spul voor zijn lol. Of denk je misschien dat ik lachend en gierend midden in de nacht, als het vriest en ijzelt en regent, door de stad wankel om dope te zoeken? Daar is niets leuks aan. Dat is een vorm van moeten die niet uit te leggen is. Heroïneverslaafden zijn in die zin tragisch dat ze zijn grootgeworden met het concept van de vrije wil. Die is bij ons heel belangrijk, net als de mogelijkheid te kiezen. Wat weinig mensen inzien, en vooral diegenen die zo vrolijk pleiten voor legalisatie van alle middelen, is dat die keuze eigenlijk niet meer bestaat in het geval van een heroïneverslaving. En die vrije wil, daar geloof ik nauwelijks nog in. Dat spul doet gruwelijke dingen met een mens. Volgens mij is het de duivel zelf.’
BIJ HET CRD staat voorop: recht op eigen roes. Maar bestaat er ook niet zoiets als de plicht anderen te behoeden voor een gevaarlijke roes? Voor middelen die kunnen leiden tot dingen die ze nooit van hun leven hebben zien aankomen? Waarover nauwelijks goede informatie bestaat? Het comité heeft het graag over jongeren, en hoe mondig en slim die wel zijn. En wat weten die jongeren over de gevaarlijkste aller drugs? Niets. Want er is nauwelijks informatie over. Wie zich bezighoudt en wil houden met legalisatie van (hard)drugs dient in de eerste, de allereerste plaats het heroïneprobleem onder ogen te zien.
Niemand steelt om een joint te kunnen roken. Niemand prostitueert zich voor een geeltje om een pilletje te kunnen slikken. (Degenen die het hardst roepen dat alles moet worden vrijgegeven, bezoeke om half vier des nachts, liefst bij regen, liefst bij kou, bijvoorbeeld de Amsterdamse Czaar Peterstraat. De verhalen van de wankelmeisjes die hij dan tegenkomt, knope hij dan in zijn oren.) Niemand riskeert een jaar gevangenisstraf voor een lijntje coke.
Moeten we niet - niet om wille van onze kinderen van straks, maar om wille van onze buren van nu - iets meer aandacht besteden aan de échte problemen? Want, nogmaals, bij 'het drugsprobleem’ denken we niet aan een blowende Erik van Ree of een trippende Theo van Gogh, maar aan andere dingen:
D.: 'Als ze over legalisering praten, moet heroïne, jammer genoeg, op de eerste plaats komen. Het is een groot probleem. Voor de maatschappij en voor degenen die aan dat takkespul verslaafd zijn. Dit is geen leven.’
Leuk, al die comités en al die pamfletten. Maar zolang men de ogen blijft sluiten voor wat er werkelijk aan de hand is, verandert er niets voor degenen die verandering het hardst nodig hebben. Drugs legaliseren, ja. Maar dan om levens te redden. En niet om gezellige dansavondjes van verwende burgers veilig te stellen.