MUZIEK

Herontdekking, aandacht graag

René Leibowitz

Zelden komen herontdekkingen zonder ja-maar-gevoel. Vaak is er toch een vlekje aan. Alexander von Zemlinsky net niet god, Gloed van Marai net niet geconcentreerd genoeg. De componist, publicist, pedagoog en dirigent René Leibowitz (1913-1972) is als Beethoven-vertolker smetvrij. De kennismaking met zijn complete opname van de symfonieën (1961-1962), die in de schaduw van de Beethoven-kanonnen in de cd-catalogi een sluimerend bestaan leidt, heeft me als een mokerslag getroffen - en ik hoop en verwacht dat iedereen dit mij na toetsing van de oorzaak na wil zeggen. Qua vuur, vaart en muzikaal gezag kan Leibowitz zich meten met de grootsten. Zonder enig voorbehoud.

25 jaar geleden hoorde ik iemand in een gesprek over Grote Beethoven-dirigenten zijn naam noemen. Leibowitz, dat was je ware. Ik geloofde het niet. Ik dacht toen nog dat ware grootheid niet vergeten wordt. Tot ik vorige maand zijn Eroica op YouTube hoorde. Stunning. Het eerste deel zeer snel, maar zonder Toscanini’s zwartgeblakerde fanatisme - rijker, genereuzer, door het Royal Philharmonic Orchestra onder soms hoge druk gespeeld met ongewone innigheid en expressiviteit. Hoe kan het dat de geschiedenis, op enkele ingewijden na, zo'n muzikant over het hoofd ziet?

Hij was geen glamourvirtuoos als Karajan of Toscanini. Zijn lot is dat hij opereerde in een intellectueel reservaat waarin een sterrenrol niet aan de orde was. Leibowitz, geboren in Warschau, was een van de belangrijkste Schönberg-discipelen op Frans grondgebied, hoewel hij ook bij Webern en Ravel studeerde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gaf Leibowitz in zijn Parijse appartement op zaterdagochtenden nederig en gratis twaalftoonles aan begaafde jonge honden als Pierre Boulez, die het als weberniaan met hem aan de stok kreeg en hem als muziekboekhouder zou verketteren - zij het met verschuldigd respect voor zijn onbaatzuchtigheid.

Na de oorlog publiceerde Leibowitz studies als Schönberg et son école - geen nachtkastjeslectuur. Een denker, al was hij niet eenkennig. Hij nam ook operettes op, Schumann en Schubert. Maar zijn Beethoven-cyclus verscheen als budgetopname onder de vlag van Reader’s Digest, niet bij een deftig huis als Deutsche Grammophon of Decca. Tenslotte was dit geen Beethoven voor het volk maar een muzisch-intellectuele krachtproef. Leibowitz was de eerste dirigent die Beethovens omstreden, door sommigen onspeelbaar geachte metronoomcijfers in grote lijnen respecteerde, met tempi in de overdrive. Pas toen die wetenschap hiervan was ingedaald hief Leibowitz in de Londense Walthamstow Hall zijn baton; kennis werd macht.

Kolisch stuurde de opnamen aan zijn vriend Theodor W. Adorno, die in de Süddeutsche Zeitung een jubelende recensie schreef: ‘Luisteraars die Beethovens symfonieën niet als museumstukken noch als opgepoetste topprestaties willen horen maar als geopenbaarde waarheid, hebben de morele verplichting deze platen te leren kennen. Daarbij zullen ze iets bespeuren wat ze niet verwachten en misschien helemaal niet verlangen: een inleiding in de nieuwe muziek uit de verborgen geest van de grootste muziek die in het tijdperk van de tonaliteit werd geschreven.’

Daar komt het op neer. Alles aan deze vertolkingen is even vers en opwindend. De lichtheid van de articulatie. De detailrijkdom. De onsentimentele, van optimisme vervulde heroïek. Weliswaar zijn de tempi dikwijls hoog, excessief zijn ze nergens. Zo snel als het eerste deel van de Zevende is, zo gedragen klinkt het allegretto; in de pastorale episoden van de Zesde heerst diepe, denkende rust. Wat Adorno goed gehoord heeft: dit is in deze lezingen muziek van de toekomst. Omdat Leibowitz exact weet waar hun komst voorspeld wordt, hoor je exact waar Schumann, Berlioz en Wagner het vandaan hadden.

Ik had dit al 25 jaar kunnen weten. Nu ik het weet, vind ik het de ontdekking van het jaar. Ik hoor dat Harnoncourt de Beethoven-dirigent Leibowitz als lichtend voorbeeld ziet, en terecht: René Leibowitz is een van de vergeten vaders van een authentieke Beethoven-praktijk.