Commentaar: Cultuurnota

Heroverwegen

Afgelopen maandag werd in de Kamer gesteggeld over de cultuurnota. Dat ging gênanter dan ooit. Met gehakketak tussen de coalitiepartijen over een in te dienen motie en de PvdA die zich daarbij plots terugtrok. Als vanouds ging het in de Kamer om de afzonderlijke beoordelingen van de Raad voor Cultuur: waarom deze instelling wel en die niet? De staatssecretaris van Cultuur werd door de meeste aanwezige kamerleden «berispt», zo vaak dat de positie van een bewindspersoon met een belangrijker portefeuille allang «onhoudbaar» zou zijn geworden. En ie dereen beschuldigde iedereen ervan te breken met het adagium van Thorbecke, dat stelt dat alleen kunstenaars over de waar de van kunst mogen oordelen.

De kritiek spitste zich de afgelopen maanden toe op het functioneren van de Raad voor Cul tuur. De adviezen aan staatssecretaris Van der Ploeg zouden te summier zijn weergegeven; er zouden te weinig concerten en uitvoeringen zijn bezocht; er zou sprake zijn van belangenverstrengeling; beoordelingscriteria worden niet geconcretiseerd en wat in de ene instelling wordt geprezen, wordt gelaakt in de andere.

Terechte kritiek natuurlijk. Nadat Boris Dittrich eerder dit jaar vroeg hoe de Raad omgaat met belangenverstrengeling, antwoordde de staatssecretaris dat daarvoor een simpele procedure is ontworpen: raadsleden verlaten de ruimte tijdens de beoordeling van hun eigen subsidieaanvraag. Tijdens het debat maandag zei Van der Ploeg geen redenen te hebben te twijfelen aan de weldadige werking van deze procedure. Ha! Onder tussen blijkt voor de meeste betrokkenen het ganglopen wel een attractieve bezigheid. Zo werd er opvallend lovend geoordeeld over het ensemble en het orkest van raadslid Sieuwert Verster. Ook de toneel- en theaterinstellingen waar raadslid Petra Blok voorheen werkzaam was, vielen ruim in de prijzen. In bijna alle gevallen honoreerden de beraadslagende collega-raads leden de aanvragen voor verhoging van de subsidie van ganglopende belanghebbenden.

Maar de kamerleden schaar den zich wel heel gemakkelijk achter de misdeelde kunstwereld die schold op de Raad en vroeg om meer geld. De staatssecretaris zei uit te zien naar de «eva luatie van de cultuurnota systema tiek» in het voorjaar. En daarmee is hij de enige die in de gaten lijkt te hebben dat het Nederlandse systeem dat kunst aan de kunstenaars laat allang niet meer opgaat. In 1960 hielden vijftien ambtenaren zich bezig met het cultuurbeleid. In 1996 was dat aantal gestegen tot 172, nog afgezien van de 78 werknemers bij de diverse fondsen en de veertig werknemers bij de Raad voor Cultuur. Het adagium van Thorbecke is allang overboord. Met de mond wordt het nog altijd beleden, maar de zeventien moties met «wenslijstjes» van maandag spreken andere taal.