Hersenpap

Wiljan van den Akker volgt in zijn gedichten niet de modes van de tijd. Daarmee is ook niet gezegd dat hij die van een andere tijd volgt. De lezer van zijn bundels weet zich buiten de tijd geplaatst. ‘Alles is hier op dit moment altijd voortdurend/ in een razende staat van verandering/ bezig een verstreken gedaante aan te nemen’, zo opent zijn tweede bundel Hersenpap die deze week verschijnt. Misschien staan we met de dichter wel naast de tijd - en kunnen we daar des te meer van meekrijgen.

Toen Wiljan van den Akker in 2008 voor De afstand de C. Buddingh'prijs voor het beste Nederlandse poëziedebuut kreeg, klonk er rumoer in de zaal. Hier was niet een onbekende debutant aan de beurt. Hier stond een doorgewinterde literator, die uitgebreid heeft geschreven over de versexterne poëtica van Martinus Nijhoff, die samen met Esther Jansma de Amerikaan Mark Strand vertaalde en die voorzitter is geweest van de jury van de VSB. Wiljan van den Akker is toch poëzie gaan schrijven, zou je kunnen zeggen, ondanks zijn wetenschappelijke carrière en zijn kennis.

Het is bij het lezen van zijn tweede bundel dat ik die bekroning begrijp. Hersenpap is muzikaler, losser en lichter dan de voorganger, gaat minder gebukt onder de eigen woorden. Het is poëzie die in die zin buiten de tijd staat, dat hij nauwelijks op zijn tijdgenoten lijkt. Toch moet ik even denken aan Gerrit Kouwenaar aan het eind van het eerste gedicht, bij de wending ‘tot we volledig afwezig zijn om dan pas volmaakt/ in het niets uit een stuk te kunnen bestaan.’ We verstenen pas als we er niet zijn, zoveel zegt het. En toch is er - en gelukkig ook maar - een belangrijk verschil. Kouwenaar schiet altijd meteen in de scherpte van de paradox, vaak al in een halve dichtregel, heft met tegenstellingen het tijdelijke op. Wiljan van den Akker ontkent niet, eerder rekt hij de momenten een beetje uit elkaar.

Wiljan van den Akker gebruikt graag uitdrukkingen: ‘je weet het maar al te goed: zo is het nu altijd.’ Die hebben vaart gekregen, als je die vergelijkt met het debuut. Er klinkt af en toe een opgeluchte verzuchting: ‘Zo gaat het. Zo gaat het verdomme nou altijd.’ Vaak is er helemaal geen subject, alleen een ongedefinieerd ‘het’ dat het onderwerp van het gedicht is. Dat is gevaarlijk, maar ik heb het idee dat deze dichter daar wel van houdt. Zijn taal is direct, hij spreekt de lezer aan. ‘Dit hoeft toch niet te verdwijnen. Toch?’ vraagt hij in een volgend gedicht. Zijn beeldtaal is concreet, al blijft er ruimte voor mysterie. ‘Binnenkort kan ik hier al het hijgen verstaan.’

Hersenpap lijkt ook meer registers te hebben dan zijn voorganger, De afstand. De dichter klinkt opgeruimd, ook al is zijn thematiek niet eenvoudig. ‘Als er iets niet/ kan wachten is het wel/ een dood mens in een kist/ waar aarde overheen moet’, grapt hij. Schrijft hij over een mens met vleugels, dan begint hij niet over Icarus, maar heeft hij het heel praktisch over ‘twee grote naar binnen gekeerde rugzakken’. Er gaat iets exacts uit van deze gedichten. ‘Het is die dag precies op tijd gaan sneeuwen/ geen seconde te vroeg en geen seconde te laat/ in de best denkbare hoeveelheden vlokken.’

Als Wiljan van den Akker dicht over ‘Aanwijzingen’ heeft hij het over ‘ze’ en weer krijgen we geen andere clue, geen subject of onderwerp. Zijn die ‘ze’ dan de aanwijzingen? Nee, ze zoeken ernaar, in een bevroren achtertuin. Een achtertuin waar het in deze bundel opvallend vaak heeft gesneeuwd. In het gedicht De afspraak nodigt hij een gast uit om van avond tot ochtend te praten en zo ‘een glad gelikt verleden/ bij elkaar te spinnen in een web/ van gal’. Er moet, plat gezegd, iets uit in de gedichten van Wiljan van den Akker. Hij schrikt daar niet voor terug.

In de middelste serie ‘Kunst & vliegwerk’ dicht hij in de wij-vorm: ‘hoeveel moeite hebben we wel niet moeten doen/ om op het droge te komen en blijven’. Hier spreekt de mensheid in haar tijdelijke tussenvorm van vis op weg om vogel te worden, wat maar niet lukt. In negen gedichten worden er pogingen gedaan om te vliegen. ‘kunst, riep men soms, dat soort vliegwerk kunnen/ wij ook verzinnen.’ Die herhaling maakt het het meest lichte hoofdstuk uit zijn werk, en juist op dat moment zie je hoe hij de vorm beheerst, hoe muzikaal de achtregelige gedichten van gelijke lengte zijn.

Nog vaker dan het sneeuwt, regent het in het werk van Wiljan van den Akker. Vaak komt ‘s nachts iemand thuis, geïllustreerd door de koplampen van een parkerende auto in de kamer. De vierde serie, met het titelgedicht Hersenpap, gaat over herinnering. Een oranje zonwering triggert het geheugen. Wat is het dan, die hersenpap? De dichter spreekt van 'een vuistdikke knoop in de maagstreek/ weeïge verweking van armen en benen/ gevolgd door golvend geklots in het oor.’ Hij klinkt gelaten: ‘De dingen zijn meestal zoals ze moeten zijn/ zolang het toeval dat wil.’ Maar toch klinkt er, in een andere herinnering, iets onverwacht:

Vroeg op een ochtend valt zomaar het licht

voor het eerst uit het dakraam naar binnen

klettert op de koperen wastafelkranen

Er valt voortaan niets meer te smeken

niets meer te stelen. Dit is mijn vuur

gemaakt om voor altijd de draak aan te steken.

De draak aan te steken en niet de draak mee te steken. Gaan deze gedichten over het begin van het besef van de dingen? ‘nog nooit was het nu in de wereld je denkt/ niet ik denk want je denkt niet je bent.’ Het huis is van de kinderen, stelt de dichter, ouders zijn er nooit geweest. Er volgt hier een erg mooi beeld, als ze zichzelf in de armen houden en zo gedroomde geliefdes het morgenlicht in dansen.

Het laatste deel opent met een scherp portret van een man die een brief schrijft en ademloos bekeken wordt, mogelijk omdat het om een foto van die man gaat. Daarna volgt de serie ‘Water’, de meest abstracte van de bundel, waar een van de mooiste gedichten in staat, een gedicht dat water voorstelt als een gesprek, een stroom in het hoofd. Is het de vader, dacht ik even, die in het slotgedicht van die serie af wil rekenen terwijl er niets is besteld, de rekening al keurig betaald, de zaak al jaren gesloten. Of is het de dichter zelf die ons bij de les houdt, zijn handen plat voor ons bord op tafel zet en buldert: ‘Weet jij eigenlijk wel hoe laat het is?’


Wiljan van den Akker, Hersenpap. De Arbeiderspers, 76 blz., € 19,95