Hersenscan

Wie in een boek een passage leest over een spannende, walgelijke of aangename gebeurtenis ervaart hetzelfde als wanneer hij die gebeurtenis zelf zou meemaken. Dat lees ik in Trouw, dat zich op zijn beurt beroept op een publicatie in het wetenschappelijke online-magazine PLos One (www.plosone.org).
De Groningse onderzoekers Jabbi, Bastiaansen en Keysers zijn met een hersenscanner nagegaan welke neuronenvelden geprikkeld worden bij een echte en een gefingeerde ervaring. Dat bleken dezelfde te zijn, al waren die gebieden in beide gevallen wel ingebed in verschillende functionele circuits. Dat laatste verklaart misschien waarom die ‘zelfde’ ervaringen toch verschillend aanvoelen wanneer we ze zelf beleven dan wel erover lezen, schrijven de onderzoekers.
Zelfs voor de meest onervaren lezer komt die ontdekking niet als een verrassing. Dat een opwindende beschrijving in een roman hem ook zelf in opwinding brengt, weet hij al lang. Misschien is de pornografie de meest welsprekende locus van dit mechanisme. De prikkelende bedavonturen waarover wij lezen brengen ook ons eigen lichaam in beroering: inderdaad alsof we zelf erotisch in de weer waren. Dat effect is het voornaamste en misschien wel enige oogmerk en bestaansrecht van het hele genre.
Wat geldt voor de erotiek, geldt ook voor de spanning, de afkeer of de liefde waarover een boek vertelt. Het gelezene slaat op ons over en onwillekeurig lijden, walgen of beminnen we met onze helden mee. Bij kinderen is die identificatie vrijwel volledig; voorlezers hebben daar terdege rekening mee te houden. Een ál te spannende scène kan een kind een goed deel van de nacht uit de slaap houden – en de opvoeder ook.
Naarmate lezers meer door de wol geverfd raken, wordt ook hun lectuur onthechter. Het ongeluk van de protagonisten grijpt ons niet meer naar de keel en hun liefdes leren we gaandeweg bezien met een distantie die weet dat ook helden blind kunnen zijn. In Don Quichot werd de literatuur volwassen toen zij de Aanbedene ongegeneerd durfde portretteren als een boerenmeid zonder bijzondere charme. Met deze dulcineaficatie begint de moderne literaire ervaring die zich geen knollen voor citroenen laat verkopen. Minder dan een suspension of disbelief – zoals Coleridge dacht – is het lezen van fictie een principiële opschorting van het onvoorwaardelijke geloof in het vertelde geworden. Het besef dat het verhaal niet echt is werd de kern van het moderne lezen en de fictionaliteit werd het centrale thema van de literatuur zelf.
Zo luidt althans la historia oficial van de literatuurgeschiedenis. Niet wát er verteld wordt maar hóe het wordt verteld is de belangrijkste vraag die het literaire gehalte van een roman of verhaal bepaalt. Van de serieus te nemen lezer wordt een principiële afstandname van de directe ervaring gevraagd en op een hoger niveau leert hij slechts oog te hebben voor de esthetische kenmerken van wat van ‘inhoud’ ruw materiaal geworden is. Of de prins aan het slot zijn prinses nog krijgt, doet er minder toe dan de vraag of de schrijver dat gewiekst, elegant en origineel genoeg onthult.
Literaire echtheid onthult zich in deze opvatting dus in het esthetische oordeel, niet in de emotie die het verhaalde zelf oproept. Op dit meta-niveau ontstijgt de literatuur de vulgaire responsen van het gemoed, om werkelijkheid te worden in het etherische lichaam van de vorm. De beelden en woordkeus waarmee deze literatuuropvatting zichzelf beschrijft benadrukken impliciet hoezeer zij zichzelf intellectueel en zelfs moreel verheven acht boven het reading for the plot dat zij achter zich gelaten heeft.
Het Groningse onderzoek laat zien hoe illusoir deze leesopvatting in werkelijkheid is. De gedachte dat een volwassen literaire ervaring pas begint wanneer de illusie van de fictionaliteit haar overheersende ervaring is, blijkt erin zelf een illusie. De overschrijding van het wat naar het hoe blijft een gevecht tegen de bierkaai. Ook de hersenen van de meest verfijnde lezer rillen bij het verslag van een gruwelijke gebeurtenis, die ook zij ervaren alsof deze echt plaatsvond.
Dat is een gevoelige klap voor de mythe van de fictionaliteit. Het hart van de literaire ervaring kan zij kennelijk niet zijn, voortdurend verdrongen als ze wordt door de bonkige realiteit van het vertelde. Ironisch genoeg wordt de literatuur daarmee echter óók verlost uit de preutse vergeestelijking waarin zij ongemerkt haar heil gezocht had – en, in weerwil van haar rebelse reputatie, keurig in de pas liep met een werkelijkheidsvijandige moraal. Zij is veel aardser en naïever dan zij zichzelf eeuwenlang heeft voorgehouden – en dus veel aanstootgevender, onthutsender en echter dan zij dacht.