Hersenvlucht

TOEN JAN TINBERGEN in 1969 de Nobelprijs voor Economie in ontvangst nam, was hij werkzaam in Rotterdam. Hij was de tiende Nederlander die werd beloond met de meest prestigieuze wetenschappelijke onderscheiding. Acht van hen waren werkzaam in Nederland. Na 1969 werd de Nobelprijs aan nog eens vijf Nederlanders uitgereikt - allen al jaren voor hun uitverkiezing naar het buitenland verkast.

De topwetenschappers trekken met name westwaarts, naar Amerikaanse universiteiten met klinkende namen als Harvard of Berkeley. De concurrentie met de ruimbedeelde Amerikanen lijkt een onmogelijke opgave voor Nederlandse universiteiten, die bij vrijwel elke regeringswisseling geld moeten inleveren. In het huidige regeerakkoord is een korting van 300 miljoen afgesproken en daarmee verstevigt Nederland zijn laatste plaats op de ranglijst van de Oeso, de club van rijke landen, die elk jaar berekent welk percentage van het nationale inkomen van de lidstaten in onderwijs wordt gestoken. Denemarken geeft bijvoorbeeld meer dan anderhalf keer zo veel uit aan onderwijs dan Nederland. P.J. Zandbergen, president van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW), ziet het met lede ogen aan. ‘De effecten van de afnemende fondsen zullen op lange termijn steeds duidelijker zijn. Dat Nederland het nog steeds goed doet op wetenschappelijk gebied is te danken aan eerdere investeringen. Nederland was altijd een kennisland, maar in de toekomst zal de Nederlandse positie zeker verslechteren.’ Behalve bij de overheid legt Zandbergen de schuld voor de lage budgetten bij het Nederlandse bedrijfsleven, dat de financiering van wetenschappelijk onderzoek overlaat aan de overheid. De cijfers van de Oeso geven hem daarin gelijk, want de lage Nederlandse klassering wordt vooral veroorzaakt doordat in andere rijke landen een veelvoud van de Nederlandse particuliere investeringen in onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt gestoken. Daar zal overigens geen verandering in komen. In een interview met Trouw meldde voorzitter Blankert van werkgeversvereniging VNO-NCW: 'Structureel meebetalen is niet onze zaak.’ En daarbij steekt het bedrijfsleven volgens Blankert nu al jaarlijks 'miljarden’ in onderwijs: 'De minister betaalt onderwijs ook van de belasting die bedrijven betalen.’ MAAR WETENSCHAP is geen zaak van geld alleen. Belangrijker nog zijn het academische klimaat, de wetenschappelijke vrijheid en het wetenschappelijke niveau. Topwetenschappers willen werken aan de top en die bestaat in Nederland niet. Universitair onderwijs is met name onder invloed van de PvdA gericht op de middenmoot - zo veel mogelijk studenten moeten mee kunnen doen en het onderwijsniveau op universiteiten moet overal ongeveer gelijk zijn. De meest beschamende uitwas van die nivelleringscultuur kwam op naam van Jo Ritzen - door zichzelf als voorbeeldig verklaard in zijn ministershandleiding - die de Erasmus Universiteit verbood om uit eigen budget de opleiding te betalen van de briljante scholiere Meike Vernooy, nadat zij jaar na jaar werd uitgeloot voor de studie geneeskunde. Volgens Paul Crutzen, de laatste Nederlander die een Nobelprijs won, kan Nederland in wetenschappelijk opzicht niet met grote landen concurreren als het zich niet meer richt op de top. Dat betekent niet een systeem van elitescholen, voegt hij daaraan toe, want dan richt de selectie zich op jonge beloften en vallen laatbloeiers als hijzelf buiten de boot. Crutzen verliet Nederland na de MTS vanwege slechte vooruitzichtenen voltooide cum laude een studie aan de universiteit van Stockholm. Vanaf dat moment ging het snel. Er volgde een opleiding in Oxford, promotie-onderzoek in Stockholm, professoraten aan de universiteiten van Colorado, Chicago en San Diego, een directeurschap van het Max Planck Instituut in Mainz, en een Nobelprijs voor Scheikunde in 1995. Terugkeer naar Nederland was eigenlijk geen optie. Crutzen: 'Tot ik de Nobelprijs kreeg, heb ik nooit een aanbieding uit Nederland gekregen.’ Verbaast dat u niet? 'Ja, eigenlijk wel. Maar ik had het waarschijnlijk toch niet aangenomen. De banen die ik heb gehad in de Verenigde Staten en nu in Duitsland bestaan simpelweg niet in Nederland. Ik heb hier een grote staf met zeven zeer goede wetenschappelijk medewerkers en veel studenten. Dat had Nederland nooit kunnen aanbieden.’ Maar behalve een ruim budget had Crutzen ook niet de wetenschappelijke vrijheid gekregen die hij in de Verenigde Staten en Duitsland vond. Crutzen: 'In Nederland zijn wetenschappers veel meer afhankelijk van het schrijven van voorstellen voor een afgeperkt onderwerp. Er wordt veel meer gecontroleerd. Het instituut in Mainz schenkt me het vertrouwen dat mijn werk iets goeds oplevert op de lange termijn. Ik zou in Nederland nooit het vertrouwen krijgen dat ik hier geniet.’ DIE AFHANKELIJKHEID van afgebakende, vooraf aan te vragen projectonderzoeken is volgens Judith Pollmann, docent geschiedenis aan de universiteit van Oxford, de achilleshiel van de Nederlandse wetenschap. Na een tijdelijke aanstelling als onderzoeker-in-opleiding aan de Universiteit van Amsterdam solliciteerde Pollmann op een vacature in Oxford. Die sollicitatie werd niet ingegeven door de magische klank van Oxford, maar doordat Pollmann geen uitzicht had op een baan in Nederland: 'Als er in Nederland werk was geweest, was ik misschien gebleven.’ Tot haar verbijstering werd Pollmann aangenomen in Oxford en na enkele jaren veroverde ze aan een van de colleges een vaste aanstelling. Dat was in Nederland op zo'n korte termijn onmogelijk geweest. 'Er is een structureel tekort aan werk voor historici. De tussenoplossing die de overheid heeft bedacht om jonge wetenschappers van de straat te houden, zijn de korte contracten voor post-docs. Maar dat betekent permanente onzekerheid over je toekomst. Het probleem is dat in de jaren zeventig zo veel mensen een vaste aanstelling hebben gekregen. Daarna is er alleen nog bezuinigd. Er wordt bijna geen jonge wetenschapper meer aangenomen, en bij sommige opleidingen bestaat de staf bijna uitsluitend uit mensen die in de jaren zeventig bij de vakgroep kwamen. Die verstarring is een ontzettende verspilling van talent. En de lost generation wordt steeds groter. Soms werken mensen van vijftig nog met korte contracten.’ Ook in wetenschappelijk opzicht is contractonderzoek onaantrekkelijk. Pollmann: 'Het werken met een post-doc-contract betekent bijna altijd dat je een project uitvoert dat is bedacht door een gesettelde generatie wetenschappers. En dat projectonderzoek is gericht op een vooraf bepaald resultaat. Als je op iets nieuws stuit, wordt er soms druk uitgeoefend door de projectleider om het project af te maken. En helaas gaat geld voor onderzoek meestal naar projectonderzoeken, niet naar mensen met een goed idee. Daarnaast duurt het vaak vier tot vijf jaar voor je het traject voor fondswerving door bent. Daardoor speelt projectonderzoek niet snel in op nieuwe ontwikkelingen op wetenschappelijk gebied. Tevens is een vereiste van projectonderzoek dat de kosten beheersbaar blijven. Om controle daarop mogelijk te maken, moeten onderzoekers binnen een keurslijf blijven dat de overheid oplegt. Dat alles helpt de wetenschap niet vooruit.’ Hoewel er veel mis is met de verdeling van posten en fondsen liggen de problemen van de Nederlandse wetenschap volgens Pollmann dieper. 'Amerikaanse en Engelse universiteiten nemen zichzelf serieuzer als plaatsen waar op álle terreinen onderzoek kan plaatsvinden. De Nederlandse geschiedwetenschap bijvoorbeeld fixeert zich op Nederlandse geschiedenis. Nederlandse wetenschappers worden te weinig aangemoedigd om zich breed te oriënteren. De attractie van werken buiten Nederland ligt in de breedte waarin je je beweegt: meer mensen, meer verschillend onderzoek. En je hebt meer vrijheid, maar je moet ook harder werken. Het arbeidstempo ligt veel hoger.’ De hogere eisen die aan Engelse en Amerikaanse universiteiten gelden, worden ook opgelegd aan de studenten. Pollmann: 'Het Engelse systeem haalt meer uit de student. Er wordt harder gewerkt. Als een student niets doet, zal hij uiteindelijk van de universiteit moeten verdwijnen. In Nederland moet de manier van opleiden ter discussie worden gesteld, ook van onderzoekers. Het overheidsbeleid is op dat punt echt slecht. Het is erop gericht te veel onderzoekers op te leiden. Minder mensen beter opleiden zou een grote vooruitgang zijn.’ DE WISKUNDIGE Hendrik Lenstra heeft nooit met de contractproblemen geworsteld die Judith Pollmann naar Engeland deden uitwijken. Na zijn afstuderen in 1973 kreeg hij direct een baan als promovendus, na zijn promotie ontving hij een beurs voor een jaar onderzoek in Frankrijk en bij zijn terugkomst wachtte hem een baan als hoogleraar. Maar hoewel Lenstra de vruchten plukte van de ruime banenmarkt in de jaren zeventig, ervoer ook hij die hausse aan vaste aanstellingen als negatief voor de wetenschap. 'Een Nederlands hoogleraarschap is erg rechtszeker. Er loopt van je aanstelling een rechte lijn naar je pensioen. Je salaris hangt niet af van je prestaties. Ik had het gevoel dat ik zou afglijden tot de dood erop zou volgen.’ Aanbiedingen uit de Verenigde Staten openden zijn ogen voor het feit 'dat er meer in het leven was dan achter de geraniums of dijken zitten in Nederland’. Lenstra belandde bij de Universiteit van Californië in Berkeley, 'op alle gebieden waar ze actief zijn eigenlijk beter dan de concurrentie’. De mentaliteit die Lenstra aantrof ten opzichte van aanstormende en gesettelde wetenschappers was tegenovergesteld aan de Nederlandse. 'Toen er zwaar bezuinigd moest worden, werden de ouderen ontslagen omdat ze minder actief waren dan de jongeren. In Nederland moeten in zo'n situatie altijd de jongsten weg.’ Het rustige Nederlandse tempo maakte plaats voor een hoge werkdruk; de rechtszekerheid van het Nederlandse hoogleraarschap voor evaluaties, suggesties voor verbetering van zijn prestaties en salarisaanpassingen. Het gemis van Nederland en de werkdruk deden Lenstra besluiten om zijn betrekking in Berkeley te combineren met een hoogleraarschap in Leiden - herfst in Californië, lente in Nederland. Nederlandse universiteiten zijn gemiddeld beter dan Amerikaanse, meent Lenstra, maar Nederland mist de uitschieters naar boven en naar beneden die het Amerikaanse systeem kenmerken. Dat gelijke niveau wordt volgens Lenstra door de overheid bewust nagestreefd en wordt versterkt door de Nederlandse cultuur. 'Er heerst een cultuur van sociale controle, niet een cultuur die verschillen tussen mensen aanmoedigt. Er is een sterke democratiseringsgedachte, dat iedereen per definitie bij zijn geboorte gelijk is. Dingen als het loten voor een studie heeft in Nederland een vrij breed draagvlak. Dat vind je in andere landen veel minder en zeker in de Verenigde Staten is dat heel anders. Dat je salaris aan de universiteit niet afhangt van hoe goed je je werk doet, werkt ook nivellerend. Nederlandse universiteiten zijn te comfortabel. Het systeem wordt verdedigd met de theorie dat hoogleraren door hun veilige positie vernieuwend onderzoek kunnen doen. Ik moet zeggen dat ik daar niet in geloof, want er wordt te veel misbruik van gemaakt: als je niks doet, hou je toch je salaris. De Nederlandse vergadercultuur heeft ook een nivellerende werking. Alles moet in overleg en als er iets misgaat verschuilt iedereen zich achter elkaars rug.’ Dat vergaderen betekent daarnaast veel tijdverlies voor wetenschappers. 'In Nederland moet over alles zo lang worden gepraat. Overal zijn commissies voor met studenten erin, die dan over van alles mogen meebeslissen.’ VOOR POLITICOLOOG Arend Lijphart vormden die commissies meer dan een ergernis: het was een hoofdreden voor zijn vertrek naar de Universiteit van San Diego. Lijphart volgde zijn wetenschappelijke opleiding in de Verenigde Staten, en na enkele aanstellingen in Amerika accepteerde hij een hoogleraarschap in Leiden, waar hij invloedrijke wetenschappelijke werken publiceerde. Na tien jaar gaf hij er de brui aan, als reactie op de 'democratisering’ van de universiteit. Onder die naam werd in de jaren zeventig door studenten inspraak geëist in bestuurlijke procedures. Lijphart: 'De besluitvorming in een universiteit behoort in handen te zijn van deskundig wetenschappelijk personeel, maar door de democratisering waren die zelfs in het toporgaan van de universiteit een minderheid geworden - studenten en niet-wetenschappelijk personeel vormden de meerderheid. Een gevolg van de democratisering was een politisering van de Nederlandse universiteiten. Dat vond ik vooral gevaarlijk voor de politicologie, die mijns inziens politiek strikt neutraal behoort te zijn.’ Het kwaliteitsverschil tussen Nederlandse en Amerikaanse universiteiten was voor Lijphart een tweede reden om terug te keren naar de Verenigde Staten. En met ruimere budgetten heeft dat kwaliteitsverschil weinig te maken. Lijphart: 'Het ligt wellicht anders in de natuurwetenschappen, maar voor de sociale wetenschappen is er niet zo veel verschil wat de beschikbare fondsen betreft. Het grote verschil ligt in het academische klimaat. Amerikaanse universiteiten zijn stimulerender, de organisatie is efficiënter, de professionele maatstaven zijn harder en er wordt harder gewerkt.’