Hertjes

Iets is literatuur, vind ik, wanneer het verhaal tegelijk wel en niet reëel is. Een boek moet me een enigszins voorstelbare wereld binnenvoeren en me er in één en dezelfde beweging boven uittillen.

Sex vox dominam slaagt daarin. Het neemt me mee naar de wereld van de Parijse nouveaux riches, met hun rijkdom, kilheid en leegte. Het drama dat zich daar vervolgens ontrolt, is dusdanig grotesk dat het al snel uit de voegen van die yuppenwereld barst. Het wordt een universele wanhoopsgeschiedenis.
Morgiève verbeeldt dat uit de voegen barsten heel fraai. In Sex vox dominam regent het onophoudelijk. Parijs en omgeving zwellen van het overvloedige hemelwater. Het water sleurt de lezer mee in een zondvloed van seksuele uitspattingen.
Daarom is Sex vox dominam wat je noemt meeslepende literatuur.
Dat kan niet gezegd worden van Josefine Mutzenbacher: Herinneringen van een Weense hoer. Het boek stamt uit 1906. Zojuist verscheen een Nederlandse vertaling in de Bibliotheca Erotica van uitgeverij Aspekt.
Wat is dat een saai boek!
Neemt het me mee naar een ‘enigszins voorstelbare wereld’?
Het speelt in de Weense arbeiderswijk Ottakring, in het begin van deze eeuw. Maar de schrijver doet geen moeite voor een milieuschets. Hij heeft wel wat anders aan zijn hoofd. De liefdesholletjes van kleine meisjes.
Verheft de verbeelding van de schrijver me vervolgens boven dat milieu om me iets te laten zien dat een enigszins universele strekking heeft?
Ach, de geslachtsdaad heeft onmiskenbaar iets universeels, maar de fantasie van de schrijver heeft niets verheffends. Prentbriefkaartenporno uit het jaar negentien-nul-nul, met veel omhooggeslagen rokken enzo. Leuk als curiosum in het Amsterdamse Seksmuseum.
Het verhaal is simpel. Meisje Mutzenbacher leert als kleuter wat seks is. Vanaf dat moment wil ze niets anders meer. Ze groeit op tot een vrolijk en gelukkig hoertje.
De schrijver wil ons doen geloven in de onschuld van seks. Wat een plezier heeft dat meisje toch! Zelfs als ze het met de meest boosaardige lieden doet. De vervaarlijke vader, de boze buurman, de kwaadaardige commensaal, de huichelachtige hulppastoor, ze schenken haar allemaal evenveel plezier.
De schrijver wil ons wel meer doen geloven. Dat meisjes al botergeil worden bij het zien van een stijve pik. Dat ze al klaarkomen als die pik alleen maar in de buurt van hun kutje komt. Dat ze, als ze geneukt worden, het ene orgasme na het andere krijgen. En zo verder en zo voort.
Een vlotte pen kan de schrijver niet worden ontzegd, evenmin als vindingrijkheid in het vinden van andere woorden dan 'pik’ en 'kut’. Maar erotische verbeelding heeft hij niet, laat staan literaire verbeelding. De seks is van een meedogenloze eenvormigheid, en de verteltrant die van een kinderboek over dartele hertjes.
Toch prijst de auteur van het nawoord het boek aan als 'een hoogst geslaagde synthese tussen onversneden erotica en gekwalificeerde literatuur’.
De schrijver van het nawoord wil ons wel meer doen geloven. Namelijk dat de memoires van Josefine Mutzenbacher een hoog werkelijkheidsgehalte hebben. De werkelijke Mutzenbacher zal best een struise tante zijn geweest, haar 'literaire vertaling’ is echter onmiskenbaar het produkt van een overspannen Habsburgermansgeest.
Want seks mag in het Wenen van rond de eeuwwisseling alomtegenwoordig zijn geweest, vrolijk en onschuldig was ze niet.