Hervonden held

Alice Boots en Rob Woortman, Anton de Kom. € 49,95

Communist, verzetsstrijder, schrijver; de Surinamer Anton de Kom kreeg veel etiketten opgeplakt. In een pas verschenen biografie krijgt de onbegrepen buitenstaander de aandacht die zijn veelbewogen leven verdient.

Op het omslag van de bijna zeshonderd pagina’s dikke biografie van Alice Boots en Rob Woortman staat: ‘De naam Anton de Kom spreekt 65 jaar na zijn overlijden nog steeds tot de verbeelding.’ Je kunt je afvragen of dat zo is. Wil iemand tot je verbeelding spreken, dan moet je hem om te beginnen kennen. Maar bekend is Anton de Kom allerminst buiten de ‘eigen’ groep van Surinaamse Nederlanders. En dat terwijl zijn leven met een zeker gevoel voor understatement interessant te noemen is. Hij werd in 1932 als ‘communistische oproerkraaier’ drie maanden gevangen gehouden in Paramaribo. Zonder proces werd hij op de boot naar Nederland gezet, waar hij zijn boek Wij slaven van Suriname voltooide. Het zou een van de belangrijkste werken van de Surinaamse literatuur worden. Jaren later sloot hij zich aan bij het verzet tegen de Duitse bezetter. Hij stierf in april 1945 in een Duits concentratiekamp, slechts enkele weken voor de bevrijding.
De Kom was in meer dan één opzicht een opvallend en belangrijk figuur. In eerste instantie omdat hij met Wij slaven van Suriname brak met de eenzijdige, koloniale versie van de Surinaamse geschiedenis en die herschreef vanuit het gezichtspunt van de Surinamers zelf. Dat zo weinig mensen van De Kom hebben gehoord, is met een beetje moeite te zien als onderdeel van het probleem dat in Wij slaven van Suriname aan de kaak wordt gesteld: het ontbreken van ‘eigen’ helden waaraan een volk zich kan spiegelen, en waaraan het zijn eigenwaarde kan ontlenen. Want, schrijft De Kom: ‘Geen beter middel om het minderwaardigheidsgevoel bij een ras aan te kweken, dan dit geschiedenisonderwijs waarbij uitsluitend de zonen van een ander volk worden geroemd en geprezen. (…) Geen volk kan tot volle wasdom komen, dat erfelijk met een minderwaardigheidsgevoel belast blijft.’
Boots en Woortman weten een vrij nauwkeurige reconstructie te geven van het schrijfproces en van het leven van De Kom als activist en verzetsstrijder. De biografie wordt interessant als verteld wordt hoe De Kom, na vertrek uit Suriname, in Den Haag in contact komt met de Communistische Partij Holland. De CPH is op dat moment de enige partij die voorstander is van de zelfstandigheid van de koloniën. De Kom zoekt en vindt aansluiting bij deze partij, hoogstwaarschijnlijk vanwege haar standpunt ten aanzien van zijn vaderland en veel minder vanwege zijn politieke voorkeur. Toch wordt hij vanaf dat moment door de Centrale Inlichtingendienst beschouwd als mogelijk radicale communist. De Kom geeft op uitnodiging van de CPH lezingen over Suriname en publiceert artikelen in linkse tijdschriften. De economische crisis van 1929 heeft ook in de kolonie gevolgen, met name voor de armste arbeidersklasse. De Kom denkt iets te kunnen betekenen voor zijn vaderland en besluit om met zijn gezin (hij is getrouwd met de Nederlandse Nel en heeft met haar vier kinderen) naar Suriname te gaan. Ondertussen staat de heersende klasse in Suriname extreem wantrouwend tegenover het communisme. Als men in december 1932 verneemt dat De Kom, die in Nederland inmiddels bekend staat als ‘communistische oproerkraaier’, onderweg is naar Suriname slaat de paniek toe. De scherpste veiligheidsmaatregelen worden ingesteld. Het volk, dat lucht heeft gekregen van de opwinding, loopt te hoop op de kade in Paramaribo om die beruchte Anton de Kom te zien. Vanaf dat moment zet zich een bijna slapstickachtige serie gebeurtenissen in beweging. De Kom wordt verboden lezingen te geven. Gefrustreerd besluit hij een adviesbureau te openen. Hier kunnen contractarbeiders, veelal Javanen, hun klachten aan hem kwijt. Hij is van plan deze te noteren en uiteindelijk als petitie aan de gouverneur aan te bieden, met het idee zo de situatie voor de arbeiders in Suriname te verbeteren. Maar binnen de kortste keren ontstaat er een ongekende hype rondom zijn persoon en de arbeiders komen met honderden naar De Koms eenvoudige kantoor. Er doen al snel de wildste verhalen de ronde. De Kom zou gekomen zijn met een groot schip waarmee hij de Javaanse contractarbeiders terug naar Indonesië zal brengen. Hij bezit bovennatuurlijke krachten. Hij kan zelfs door muren lopen. Het is duidelijk dat veel mensen geen uitweg zien. Ze hebben een held nodig. De Kom, met zijn bevlogen woorden, is die held. Over deze periode schrijft hij later: ‘Langs mijn tafeltje passeert de parade der ellende. Paria’s met diepe holle wangen. Hongerlijders. (…) Indianen, boschnegers, creolen, Britsch-Indiërs, Javanen, er waren dagen, terwijl de motorbrigades der politie buiten op de straat circuleerden, dat meer dan vijftienhonderd aan mijn tafel verschenen.’
De constante aandacht voor De Koms klachtenbureau werkt het gouvernement op de zenuwen. Men besluit hem te arresteren. Tegen de boze menigte die daarop naar het politiebureau komt, wordt gezegd dat hij na een paar dagen zal worden vrijgelaten. Als dat niet gebeurt, trekt een massa mensen naar het gouvernementsplein. Hoewel het geen gewelddadig protest is, wordt opdracht gegeven het vuur te openen. Er vallen 22 gewonden en twee doden. De politie geeft daags erna een feest om de goede afloop te vieren. De Kom blijft drie maanden vastzitten in Fort Zeelandia, om uiteindelijk zonder enige vorm van proces het land uitgezet te worden.
In dit deel van de biografie is het interessant om te lezen hoe de Nederlandse pers omgaat met de gebeurtenissen. Zo schrijft Het Handelsblad dat ‘de politie, die haar taak op lofwaardige wijze heeft vervuld, door haar optreden wederom in aanzien is gestegen’. Ook fascinerend is het wanneer stil wordt gestaan bij andere als radicaal gekenmerkte personen. De Kom was men kwijt door hem terug te sturen naar Nederland. Maar wat te doen met lastige mensen die in Suriname zelf woonden? Was er geen juridische grond om ze te vervolgen, dan had de gouverneur een creatieve oplossing achter de hand: men kon ze altijd nog krankzinnig laten verklaren. Het lot van Louis Doedel, die in een poging om een arbeidersbeweging op te starten gouverneur Kielstra een petitie wilde aanbieden, is hartverscheurend te noemen. Doedel werd gearresteerd en opgenomen in de psychiatrische inrichting Wolfenbuttel. Amnesty International deed vergeefse pogingen om hem vrij te krijgen. Doedel stierf in 1980 na 43 jaar opsluiting.

Eenmaal terug in Nederland loopt de spanning langzaam verder op. De Kom komt na zijn verbanning uit Suriname niet meer aan werk. Hij wordt nauwlettend gevolgd door de Centrale Inlichtingendienst, die in hem onverminderd een gevaar ziet. Het geldgebrek, de teleurstellingen omtrent zijn boek (hij krijgt het niet vertaald en hij krijgt ondanks een enthousiaste bespreking van E. du Perron niet de aandacht waarop hij hoopte) en waarschijnlijk ook de traumatiserende ervaring van zijn opsluiting in Fort Zeelandia eisen zijn tol. Hij wordt overspannen opgenomen in een kliniek. Als hij na een paar maanden vrijkomt, gaat het even beter. Dan breekt echter de oorlog uit en veranderen de spelregels voorgoed. De Kom sluit zich aan bij het verzet. Zwijgzaam als hij is, vertelt hij hier niets over aan zijn vrouw. Later zal echter blijken dat de Duitsers hem als een ‘zwaar geval’ beschouwen. Het loopt al tegen het einde van de oorlog als De Kom wordt gearresteerd. Hij wordt afgevoerd naar concentratiekamp Neuengamme en sterft daar vlak voor de bevrijding. Zijn lichaam zal later worden gevonden in een massagraf.
Zijn engagement en de tijd waarin hij leefde maakten van Anton de Kom een vrijheidsstrijder, een vakbondsman in de dop, een verzetsheld en volgens sommigen een communist. Maar uit deze biografie wordt vooral duidelijk dat hij een schrijver was. Wij slaven van Suriname was niet het enige boek dat hij had willen publiceren. Hij schreef schriften vol. Tijdens de schaarste in de oorlog schreef hij zelfs op reclamefoldertjes. Twee manuscripten waren al voltooid, samen met talloze gedichten, die niet zelden over de schoonheid van zijn geboorteland gingen. De Kom was een dichter, een schrijver. Zijn oude vrienden en familie herinneren hem als een flamboyante man. Intelligent, betrokken en gedreven, maar ook ijdel, charmant en bij vlagen grappig. Als hij zijn plannen om naar Suriname te vertrekken aan de groenteboer vertelt, vraagt deze hem bezorgd of hij dat wel verstandig acht. Met alle menseneters die in dat land wonen, zou Antons vrouw Nel gevaar lopen. ‘Maak je geen zorgen’, drukt De Kom hem op het hart. ‘Ik zal zeggen dat ze mijn echtgenote is. Dan denken ze dat ze voor mij is.’
Het zijn dit soort details die De Kom de flair en de aantrekkingskracht geven waardoor iedereen hem een beetje wil bezitten, om te kunnen zeggen: hij hoort bij ons. Maar hij was te eigengereid om zich aan een groepsgedachte te confirmeren. Deze man was een eenling. Hij kon niet aarden in Nederland, maar terug naar Suriname kon hij ook niet meer. Hij was de onbegrepen buitenstaander, die ondanks alles bleef schrijven. Prachtig is het om te lezen hoe de dichter achter de vrijheidsstrijder worstelt met zijn plek in deze wereld en met zijn betekenis als schrijver. Prachtig, en verdrietig.
De biografie van Boots en Woortman is het voorlopige hoogtepunt in de zoektocht naar Anton de Kom, waarbij veel vragen beantwoord worden – en evenveel nieuwe opgeroepen. Het maakt dat De Kom weer volop leeft en, belangrijker nog: het geeft Suriname én Nederland een verloren held terug.

ALICE BOOTS EN ROB WOORTMAN
ANTON DE KOM
Contact, 546 blz., € 49,95