Ger Groot

Hervonden herinnering

Meer dan een halve eeuw is ervoor nodig geweest om de Duitse taal en literatuur te rehabiliteren van hun nationaal-socialistische besmetting. Heinrich Böll en Günter Grass kwamen nog te vroeg. Zij traden het monster frontaal tegemoet en bleven er in een wederzijdse verstrengeling mee verbonden. Net als die van de Bondsrepubliek als geheel, vormde hun positie juist in haar onberispelijkheid de weerschijn van een verleden waarover ze in afgrijzen moesten blijven spreken.

Pas met het werk van W.G. Sebald kwam er een einde aan de Nachkriegsliteratur. Niet omdat Sebald er over de Tweede Wereldoorlog het zwijgen toe deed, maar omdat hij deze van een afstand en zijdelings wist te benaderen, zonder de verdenking te wekken zich er goedkoop vanaf te maken. Misschien moest hij daarvoor net zozeer den vreemde in als de personen wier lotgevallen hij in Austerlitz en de zojuist vertaalde bundel De emigrés (De Bezige Bij) beschrijft.

35 jaar lang woonde en werkte hij in Engeland, waar hij in 2001 om het leven kwam. Hij was 57 jaar oud, op het hoogtepunt van zijn scheppende en levenskracht – en het cynisme weet dat zoiets flink kan bijdragen aan iemands morele naam en faam.

Ook daarvoor hing er rond hem echter al een aura van een zeldzaam geworden wijsheid, die hem boven de partijen en zelfs de geschiedenis leek te plaatsen. De roep van zijn humanisme straalt van de auteursfoto in zijn boeken af: een milde man met huislijke snor en scherpe ogen, vertrouwenwekkend in hun diepe ligging en onbetwijfelbare fatsoen.

Was de indirectheid van Sebalds proza het geheim van dit moraliteitseffect, zoals de schrijver zelf suggereert in een vraaggesprek met Jean-Pierre Rondas? Afgenomen een half jaar voor zijn dood en nu verschenen in de aan hem gewijde special van Dietsche Warande & Belfort (nr. 1 van jubeljaargang 150), krijgt zoiets al snel orakelkracht. In Sebalds proza schuilt echter iets ongemakkelijks, dat het duisterder maakt dan een elegante vorm van geschiedschrijving.

Meer dan een kroniek, zo schrijft Bart Philipsen in DWB, is dit romanwerk een reflectie op «de moeilijke kunst van het gedenken» en «de bedrieglijke en tegelijk onvermijdelijke fictionalisering van het verleden». Terwijl dat laatste ruggelings van ons wegschuift, vult de verbeeldingskracht zijn scherpte aan. Wat waar en onwaar was wordt steeds verder ongewis. Documenten moeten de herinnering behoeden voor de vrij draaiende fantasie.

In Sebalds boeken zoekt de fictie zo het documentaire, dat de echtheid van de herinnering moet bezegelen. De talrijke foto’s in zijn boeken spiegelen, aldus Jan Ceuppens elders in de special, een authenticiteit voor – die echter van hun kant al even be drieglijk is. Fictie zijn ook zij, niet in hun beeld maar wel in hun betekenis. Eenzelfde ongewisheid bevangt al het andere wat in Sebalds romans echtheid documenteert: plaatsen, beschrijvingen, verhandelingen en eigennamen, tot aan die van de auteur zelf toe.

Misschien is het dit unheimische dat de morele inslag van diens romans literair op scherp zet. Het schemergebied tussen werkelijkheid en verbeelding geeft de literatuur van oudsher haar dubieuze morele status mee: echt en niet echt te zijn, binnen een verhaalmilieu waarin de fantasie de realiteit al even onontkluwbaar omarmt. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is de historische roman, die daarom niet alleen bij geschiedkundigen, zoals Tom Verschaffel in DWB schrijft, maar ook in literaire kringen in slechte roep staat.

Rond dit quidproquo van echt en onecht cirkelt Sebald, door de herinnering te hervinden aan de hand van beelden waarvan de onomstotelijkheid verdampt zodra de lezer de roman verlaat. Dan herkent deze opnieuw wat ze in werkelijkheid zijn: een reeks bijeen geharkte snapshots waarvan zelfs de bewijskracht fictief is. Het is een allerriskantst illusiespel, dat rakelings langs het negationisme scheert. Alleen een schrijver die zich bij voorbaat boven iedere morele verdenking verheven weet, kan zich daaraan wagen.