Ger Groot

Herwaardering

Umwertung was het woord dat Nietzsche in de mond bestorven lag wanneer het begrip «waarde» ter sprake kwam. In de toekomst moest alles anders. Waar medelijden had geheerst moest hardheid komen; humanistische christelijkheid moest plaatsmaken voor een tragisch heldendom dat de aarde trouw bleef.
In zijn boek Mijn herwaardering van waarden (uitg. Aspekt) gebruikt Henk van Gelre dat begrip op een andere manier. «Herwaardering» heeft bij hem de betekenis van herstel. Waarheid, liefde, rechtvaardigheid, eerlijkheid en mededogen zijn geen overleefde richtsnoeren van het leven, zo houdt hij tegenover Nietzsche vol, maar universele motieven die het menselijk bestaan op de rails houden. Zelfs de biologie erkent dat altruïsme de levenskracht op louter immanente wijze bevordert.

Van Gelre spreekt Nietzsche niet lichtvaardig tegen. Eerder peilde hij diens werk in een uitgebreide studie van vier delen. Dat hij zijn afrekening met hem een plaats gaf in een autobiografisch boek zou Nietzsche wel bevallen hebben. Denken is altijd een functie van de denker, zo betoogde hij in vele toonaarden. En in zijn Herwaardering benadrukt ook Van Gelre keer op keer: «Hier sta ik» en – in de woorden van zijn tegenstrever – «ik ben die-en-die.»

Voor zijn afrekening, die pas in het slotwoord van dit boek plaatsvindt, steunt Van Gelre op een uitvoerige beschrijving van zijn eigen geestelijke Werdegang. De vurige en zeer bewuste katholiek die hij in zijn jonge jaren was, kwam in de jaren vijftig in Parijs in de ban van Henry Miller en diens verering van ’s levens volheid, nietzscheaans in bijna alle opzichten op diens naam en preutsheid na.

Dat maakt zijn biografie niet tot een dialectische drieslag van vroomheid via levenswil naar een bezonken humanisme dat van het christendom wel de aardse maar niet de hemelse waarden heeft behouden. Opvallend in Van Gelres uitvoerige schets van de geloofshelden van zijn jeugd is nu juist niet de laffe slaafsheid die Nietzsche het christendom verweet. Stuk voor stuk zijn zij formidabele, compromisloze, soms zelfs wrede worstelaars.

Léon Bloy, Pieter van der Meer de Walcheren en – op een wat bescheidener plan – Jacques Maritain, de gebroeders Bruning en vele anderen maakten in de eerste decennia van de twintigste eeuw binnen de katholieke wereld evenveel kabaal als kort daarvoor Nietzsche zelf gedaan had. Compromissen waren ook hen vreemd en evenmin als hij schuwden zij het gevaar, zochten het veeleer op als hun element. Rakelings scheerden zij langs het (vooral Italiaanse) fascisme, waarin sommigen uiteindelijk verdoold raakten.

Zeer nauwkeurig probeert Van Gelre in hun levensgeschiedenissen de mythe te scheiden van de waarheid, met groot respect voor de toenmalige werkelijkheid, waaraan nog niet de genade gegund was van het terugzien-achteraf. Dat maakt deze (soms wat wijdlopige) hoofdstukken tot de spannendste van het boek. Ze openen een wereld die vergeten is geraakt of hoogstens nog als griezelkabinet herinnerd wordt. Als vanuit het duister doemen fenomenale gestalten op, even angstwekkend als imposant. Hen ging het om het allerhoogste, op het moment van wat Nietzsche zelf «de grootste beslissing» noemde.

Anders dan die laatste hebben zij het in de geschiedenis van het denken niet gered – maar misschien komt die conclusie nog te vroeg. Vanuit de schaduw van Nietzsche wordt ook het tieren van Léon Bloy gaandeweg weer hoorbaar, niet minder explosief en net zo weinig reduceerbaar tot het ongevaarlijk «literaire». Geruststellend is dat allerminst, maar zonder gevaar is er geen herwaardering die er werkelijk toe doet.

Juist daarop ketst het humanisme af, verstoken als het is van het woord dat door het lint gaat. Die onmacht is zijn diepste tragedie, waaraan het tot overmaat van ramp zozeer ontbreekt aan theatraliteit dat ze geheel onopgemerkt blijft. Van het verkeerde christendom erft het vooral de bleekheid van een gelijk dat maar geen indruk maken wil. Was het maar anders, denkt de redelijke filosoof, maar in de nacht der tijden is er niemand die hem hoort.