Het afsnijweggetje naar ergens

Deze week bracht The Guardian nieuws naar buiten over de spreiding van asielzoekers in het Verenigd Koninkrijk. De opvang vindt vooral plaats in de minst welvarende delen van het land, zo bleek. De armste dertig procent van Groot-Brittannië vangt vijf keer meer asielzoekers op dan de rest. Tien steden in het noorden zijn samen verantwoordelijk voor een derde van de vluchtelingenopvang.

Deze cijfers zijn voer voor David Goodhart. In zijn boek The Road to Somewhere deelt hij Groot-Brittannië op in twee kampen: de ‘somewheres’ en de ‘anywheres’. De overal-mens gelooft in ‘progressief individualisme’, is in de regel hoogopgeleid en heeft autonomie, mobiliteit en vernieuwing hoog in het vaandel. Deze klasse hecht weinig waarde aan groepsidentiteit, traditie en ‘nationale sociale contracten’ (‘geloof, vlag en familie’ zijn de voorbeelden die Goodhart daarbij noemt). En dat zijn precies de zaken die somewheres, vooral te vinden in de armere regio’s van het VK, wel belangrijk vinden.

Tussen deze twee groepen is het volgens Goodhart fundamenteel misgegaan. Een kleine kaste van hoogopgeleiden is erin geslaagd een samenleving te creëren die aansluit bij de eigen prioriteiten en heeft daarmee de veel grotere groepen somewheres berooid achtergelaten. Die zijn het slachtoffer geworden van wat Goodhart ‘double liberalism’ noemt: links-cultureel liberalisme enerzijds en rechts-economisch liberalisme anderzijds. De eerste heeft traditionele structuren zoals familie en natiestaat uitgehold, de tweede heeft een vorm van globalisering aangejaagd waar de regio-gebonden arbeider niet van profiteerde. Het is volgens Goodhart de voornaamste reden waarom zijn land nu richting de Brexit gaat: de ergens-mens heeft een proteststem laten horen.

Medium hh 14919152
David Goodhart zegde het linkse kamp vaarwel © Rebecca Reid / eyevine / HH

Zelf voert Goodhart het motto ‘post-liberal and proud’. In 2004 zorgde hij voor ophef met het essay Too diverse?, waarin hij de vraag opwierp of Groot-Brittannië niet te veel mensen van buiten had toegelaten om nog een functionele verzorgingsstaat en een ‘good society’ te kunnen zijn (zijn antwoord was, samengevat, ja). Inmiddels heeft hij definitief vaarwel gezegd tegen het links-progressieve kamp waarin hij zijn journalistieke carrière begon. The Road to Somewhere leest als een lange afscheidsbrief, waarin de verlaten partij te horen krijgt wat er allemaal aan haar schort. In het kort: weinig begrip voor de culturele en economische noden van haar directe naasten (terwijl ze zich het lot van minderbedeelden buiten de landsgrenzen wel aantrekt).

Goodhart hoopt dat de Brexit het moment wordt waarop de somewheres terrein terugwinnen op de anywheres

Voor de Nederlandse lezer is de kloof die Goodhart signaleert bekend. Al sinds Pim Fortuyn klinkt hier de uitroep dat ‘links’ de gewone burger een loer heeft gedraaid met globalisering en de multiculturele samenleving. We hebben bovendien onze eigen Goodharts, sociaal-democratische mannen die binnen hun eigen kamp contraire standpunten verdedigen als het gaat om bijvoorbeeld migratie en de EU. Denk aan Paul Scheffer die Het multiculturele drama schreef of aan René Cuperus van de Wiardi Beckman Stichting die in zijn Volkskrant-column regelmatig kritiek levert op de elites.

The Road to Somewhere voegt belangrijke punten toe aan het post-liberale verhaal. Zo wijst Goodhart op de keerzijde van de meritocratische belofte. Het is mooi wanneer een samenleving een groot nummer maakt van sociale mobiliteit dankzij onderwijs, maar dat zendt tegelijk een signaal uit dat wie de ladder niet beklimt iets verkeerd doet. Tel daarbij op dat de Britse samenleving te weinig betekenisvolle banen en te weinig stages biedt voor mensen zonder universitair diploma en je hebt te maken met wat de socioloog Richard Sennett ‘the hidden injury of class’ noemt: de impliciete boodschap van de kansensamenleving dat er iets mis is met laagopgeleidenwerk. Toch is het zonde dat Goodhart zijn ‘road to somewhere’ vooral heeft willen plaveien met ongenoegen over de anywheres. ‘Graduate liberalism’, ‘anywhere progressive individualism’, ‘secular liberal babyboomer worldview’ – Goodhart heeft vele etiketten bedacht, maar besteedt weinig morele energie aan het uitdiepen ervan. Hij citeert Stuart Hall die meende dat liberalisme ‘stupid’ is als het om culturele tradities gaat. Volgens Goodhart geldt die stupiditeit ook wat betreft de menselijke natuur. ‘Het verlangen naar vrijheid en het autonome wordt wel begrepen, het verlangen naar erkenning en je thuisvoelen niet’, schrijft hij.

Het is de weg van de makkelijke kritiek die Goodhart hier kiest. De kern van het liberale project is juist bepaalde vraagstukken, zoals een gedeelde identiteit en culturele voorkeuren, niet top-down politiek af te dwingen. Vrije, autonome individuen hebben vervolgens alle ruimte om in gezamenlijkheid bijeen te komen om tradities te vieren, elkaar erkenning te verschaffen en zich daarmee thuis te voelen. Strikt genomen heb je daar de staat niet voor nodig. Precies omdat mensen verschillen in hun behoeftes aan structuren is het liberalisme bedacht.

Maar een post-liberal als Goodhart is uiteindelijk pas tevreden, zo blijkt, met nationaal beleid dat ook de sociaal-culturele voorkeuren van de somewheres bedient. En dus pleit hij voor familiepolitiek die de ‘wederzijdse afhankelijkheid tussen mannen en vrouwen’ bevordert en oppert hij dat Groot-Brittannië een bevolkingsregister aanlegt, zodat de autoriteiten beter weten wie zich op welk moment waar op de Britse eilanden bevindt. En wie namens een overheid achter een balie werkt, moet van Goodhart voortaan op cursus ‘cultural fluency’.

In Nederland hebben we vele politieke partijen die dit type maatregelen op bestelling leveren. Goodhart wacht daar nog op, maar hij hoopt dat de Brexit het moment wordt waarop de gewortelde somewheres terrein terugwinnen op de losgezongen anywheres. Dat deze Brit, geboren in 1954 en opgegroeid als linkse jongen, van kamp zou wisselen wist iedereen die de gevleugelde uitspraak van Robert Frost kent: ‘I never dared to be radical when young, for fear it would make me conservative when old.’