Het algerijnse drijfzand

Het is de meeste Europese landen en Amerika te bar, maar Frankrijk blijft tot de laatste snik de generaals in Algiers steunen. Inmiddels zijn de doodseskaders van het leger nog erger dan het gewapende fundamentalistische verzet.

HET FRANSE GEJUBEL na de ontknoping op het vliegveld van Marseille was ongekend. Na Operatie Turquoise in Ruanda en de arrestatie van Carlos in Soedan bewees Frankrijk opnieuw internationaal mee te tellen. De regering-Balladur werd overladen met lofbetuigingen. De ongebreidelde euforie was echter van korte duur. De Gewapende Islamitische Groepering dreigt met aanslagen op Franse doelen in Algerije en in Frankrijk. Een golf van terreur in Franse steden zoals in 1986, toen Parijs werd geteisterd door een reeks bomaanslagen door vermoedelijk Iraanse terroristen, wordt gevreesd. In Algerije zelf zijn er na de moord op de vier paters in Tizi Ouzou nauwelijks nog Franse doelwitten voor de fundamentalisten. Door de spectaculaire actie op het vliegveld van Marseille is Frankrijk tot haar oren in het Algerijnse drijfzand gezogen.
De onvoorwaardelijke Franse steun aan het Algerijnse regime is moeilijk te doorgronden. Het lijkt allemaal opportunisme, hetzelfde opportunisme dat de Midden-Oostenpolitiek van Frankrijk kenmerkt. Vorige week bezocht Iraks vice-president Tarek Aziz Parijs voor een werkontbijt met de Franse minister van Buitenlandse Zaken. Het Franse besluit om de banden met Irak aan te halen stuitte op felle kritiek van onder andere de Verenigde Staten en Groot-Brittannie. De Algerijnse fundamentalisten worden met man en macht bestreden, maar tegelijkertijd onderhoudt Parijs goede contacten met de islamitische regimes in Soedan en Iran - beide regimes ondersteunen de islamitische rebellen in Algerije, zowel financieel als militair.
De Franse Algerije-politiek is echter niet zo opportunistisch en wordt door een aantal factoren bepaald. De belangrijkste factor op dit moment is Charles Pasqua, de gedreven minister van Binnenlandse Zaken. Hij bepaalt in grote mate het Franse beleid ten aanzien van het Midden-Oosten en Noord-Afrika en passeert daarbij regelmatig Alain Juppe, de Franse minister van Buitenlandse Zaken. Na het huzarenstuk in Marseille gaf premier Balladur samen met Pasqua een persconferentie. Juppe was nergens te bekennen.
Voor een minister van Binnenlandse Zaken vertoeft Pasqua opvallend vaak in het buitenland. Vorig jaar bezocht hij Irak en Tunesie. In Tunesie verweet hij de Franse autoriteiten een slappe houding tegenover in Frankrijk wonende islamitische fundamentalisten. In eigen land treedt Pasqua, die de bijnaam premier flic van Frankrijk draagt, met harde hand op tegen verdachte moslims. Pasqua’s ministerie kan beter omgedoopt worden in het ministerie voor de Bestrijding van Islamitisch Fundamentalisme en Terrorisme.
Charles Pasqua wil voorkomen dat de fundamentalisten voor de Franse presidentsverkiezingen in mei 1995 de macht grijpen in Algerije. Een dergelijke coup zal tot een massale uittocht van andersdenkende Algerijnen leiden, waarvan het merendeel zeer waarschijnlijk in Frankrijk terecht zal komen. Dat schrikbeeld kan leiden tot een stemmenwinst van extreem-rechts in Frankrijk. Een fundamentalistisch bewind in Algerije heeft bovendien verstrekkende gevolgen voor de buurlanden Tunesie en Marokko, waarmee Frankrijk nauwe banden onderhoudt.
PASQUA’S PARANOIA is niet geheel onterecht. In 1993 publiceerde het Arabische dagblad Al Shark al Awsat delen uit het ‘Groene Boekje’, dat wordt uitgegeven in de Iraanse hoofdstad Teheran. Het 118 bladzijden tellende document analyseert de buitenlandpolitiek van Iran en met name de export van de islamitische revolutie. De strategie voor het doen slagen van die revolutie is simpel: allereerst moeten Egypte en Algerije vallen, dan volgt de rest vanzelf. Voor nadere instructies riep Iran in februari 1994 vierhonderd leiders van fundamentalistische bewegingen bijeen. Onder hen was Rabah Kebir, woordvoerder van het Islamitische Reddingsfront (Fis), reizend met een Iraans paspoort en woonachtig te Duitsland.
Algerije had de speerpunt van Mitterrands politiek ten aanzien van de derde wereld moeten worden. In 1981, tijdens zijn eerste bezoek aan Algerije als president, verklaarde Mitterrand: 'Het verleden is het verleden, laten we ons met vastberadenheid op de toekomst richten.’ De verhouding tussen Algerije en Frankrijk was op een dieptepunt gekomen door de nationalisatie van de Franse oliebelangen in 1971. In het conflict tussen Marokko en Algerije over de westelijke Sahara had Frankrijk de kant van Marokko gekozen. Pas in 1975, toen president Giscard d'Estaing als eerste Franse president het onafhankelijke Algerije bezocht, ontdooide de kille relatie.
De socialistische regering van Mitterrand vond dat Algerije het symbool moest worden van Frankrijks nieuwe Noord-Zuidpolitiek. Frankrijk speelde geen belangrijke rol te midden van de supermachten en richtte haar buitenlandpolitiek daarom vooral op de derde wereld en met name op de voormalige kolonien. De principes van de Franse revolutie en het recht op onafhankelijkheid van ieder land dienden als verkooppraatje.
Door de banden met Algerije aan te halen dacht Frankrijk goodwill te kweken bij de Arabische wereld, Afrika en tevens bij de niet-gebonden landen. De steun aan Israel en een zeer dubieuze rol in het Libanon-conflict hadden Frankrijk een slechte reputatie bezorgd in de Arabische wereld. Om de goede voornemens kracht bij te zetten, besloot Frankrijk in 1982 gas van Algerije te betrekken voor een prijs die 25 procent boven de wereldkoers lag. Na een bezoek van de Algerijnse president Chadli aan Parijs in 1983 werd tevens besloten tot een innige samenwerking tussen de inlichtingendiensten van beide landen.
Frankrijks Noord-Zuidpolitiek is niet ontstaan uit naastenliefde. Na de oliecrisis van 1973 wilde Frankrijk voorkomen opnieuw van energiebronnen verstoken te raken. Om een directe confrontatie met de Opec te vermijden koesterde Frankrijk het plan een nieuwe internationale economische orde te creeren, de NOEI. Zowel arme als rijke landen zouden daar deel van uitmaken. In 1975 en 1977 vonden conferenties plaats, maar uiteindelijk ging de NOEI niet door, mede omdat de Verenigde Staten geen enkele belangstelling toonden voor Frankrijks ambitieuze plannen.
DE CONCURRENTIESTRIJD met Amerika is een andere reden voor Frankrijks onvoorwaardelijke steun aan de generaals in Algiers. De Verenigde Staten houden terdege rekening met een gewapende machtsovername door de Algerijnse fundamentalisten. In de huidige machthebbers heeft Washington geen enkel vertrouwen meer, militair noch economisch.
Al geruime tijd onderhouden de Verenigde Staten dan ook contacten met het door Amerika als gematigd beschouwde Fis. Anwar Haddam, voorzitter van de parlementaire delegatie van het Fis in het buitenland, heeft om die reden politiek asiel gekregen in de Verenigde Staten. Duitsland bedrijft dezelfde Algerije-politiek en heeft onderdak verleend aan Rabah Kebir, een andere woordvoerder van het Fis.
Amerika heeft het voordeel dat het niet op een uur vliegen van Algerije ligt, zoals Frankrijk. Bovendien wonen er weinig Algerijnen in de Verenigde Staten. Als de fundamentalisten in Algerije aan de macht komen, zal de rol van Frankrijk voor enige tijd zijn uitgespeeld en kan Amerika een belangrijke rol gaan spelen in de islamitische republiek. In Iran was de Verenigde Staten de grote boosdoener vanwege de verregaande steun aan de sjah; in Algerije is Frankrijk de Grote Satan. Veel Algerijnse fundamentalisten denken dat Washington de zijde van het Fis heeft gekozen en zien Amerika nu haast als weldoener. Niet voor niets wilde het Fis het Frans als tweede voertaal naast het Arabisch afschaffen en in plaats daarvan het Engels invoeren.
Amerika’s flirt met de Algerijnse fundamentalisten komt echter ook niet voort uit spontane liefde. Washington gaat ervan uit dat de fundamentalistische islam voorlopig wel stand zal houden in Noord-Afrika. In het verleden steunde de Verenigde Staten fundamentalistische groeperingen waar ook ter wereld om de sovjet-penetratie tegen te gaan of als buffer tegen revolutionaire of nationalistische stromingen. Tegenwoordig moeten door Amerika gesteunde fundamentalistische bewegingen de politieke, economische en sociale orde in een land handhaven, opdat de Amerikaanse belangen niet in gevaar komen.
DE MEESTE EUROPESE landen en de Verenigde Staten uiten ernstige kritiek op de contra-guerrilla en de verbrande-aarde-tactiek van de Algerijnse generaals tegen de fundamentalisten. Frankrijk begeleidt de zieltogende Algerijnse junta echter tot de laatste snik. De Franse ambassade in Algiers is in een bunker veranderd en lijkt vooral als hoofdkwartier van de Franse inlichtingendienst te functioneren.
'Ik zal het terrorisme met wortel en al uitroeien’, blufte Lamine Zeroual vorig jaar maart. De Algerijnse president koos voor de contra-guerrilla nadat het overleg tussen de Algerijnse autoriteiten en de fundamentalisten was afgebroken. Begin november was hij zijn belofte nog niet nagekomen. Onder druk van zijn ongeduldige Franse patroons stelde Zeroual een termijn vast: 'Eind maart 1995 zal het gewapend islamitisch verzet zijn uitgeroeid en wordt het democratisch proces weer in gang gezet’, aldus de president. Zeroual heeft dus nog drie maanden om zijn karwei af te maken, maar niets wijst er op dat hij daarin zal slagen. De Franse inlichtingendienst - die vorig jaar november al op de hoogte was van een eventuele vliegtuigkaping - waarschuwt voor een spoedige machtsovername door de gewapende fundamentalisten.
Steeds meer soldaten deserteren uit vrees voor moordaanslagen door het islamitisch verzet. 'Geen genade voor recruten’, staat er op veel Algerijnse muren geschreven. De eenheid van het Algerijnse leger is tanende. Een deel van het hogere kader koestert nog de idealen van de Algerijnse revolutie, zoals de modernisering en de economische ontwikkeling van Algerije, maar het merendeel van de jonge soldaten is al in aanraking gekomen met het fundamentalisme.
Ondertussen moordt de GIA ongestoord verder, met als enig resultaat dat het optreden van de Algerijnse veiligheidstroepen zo mogelijk nog wreder is geworden dan dat van de gewapende fundamentalisten. Volgens een geheim rapport, dat onlangs werd gepubliceerd in de Franse krant Le Parisien, zijn er in de eerste tien maanden van 1994 ruim 35.000 doden gevallen. Familieleden van vermeende fundamentalisten worden zonder pardon omgebracht. In door de guerrilla beheerste gebieden wordt napalm ingezet, een tijdens de Eerste Algerijnse oorlog door het Franse leger beproefde methode (de huidige oorlog wordt de Tweede Algerijnse Oorlog genoemd). Op grote schaal vermoorden doodseskaders van het leger onschuldige inwoners van verdachte dorpen en dumpen hun lijken ter afschrikking op straat. Volgens Algerijnse fundamentalisten zouden sommige generaals de sluiting van de ambassades in Algiers toejuichen (hetgeen vorige week werd geeist door de GIA), zodat het leger zonder buitenlandse getuigen de gewapende oppositie in korte tijd zou kunnen afslachten.
EIND VORIGE WEEK pleitte president Mitterrand, aan de vooravond van een bijeenkomst van Algerijnse oppositiegroepen in Rome, voor meer economische hulp aan Algerije. Het in vergelijking met de GIA gematigde Fis doet mee aan de conferentie. Het Fis, dat een groot deel van de Algerijnse bevolking achter zich weet, verwerpt sinds kort het geweld tegen onschuldige Algerijnen en buitenlanders. Een late bekering. De door Frankrijk gesteunde Algerijnse generaals willen echter geen dialoog meer en gaan strijdend ten onder.
Als Algerije het symbool is van Frankrijks Noord-Zuidpolitiek, dan is het droevig gesteld met Frankrijk. De huidige malaise in Algerije moet een hard gelag voor de doodzieke Mitterrand zijn.