Het algoritme als auteur

Bij mij in de buurt is een garagebox waar zich op vaste tijden groepen postbodes verzamelen.

Ik meen dat ze daar de lasten van hun fietsen overhevelen op van die handige duwkarren, waarachter ze fluitend wegwandelen in alle windrichtingen. En elke keer constateer ik weer: Anton Webern heeft geen gelijk gekregen. Die dacht namelijk dat de postbodes in de toekomst de atonale muziek gingen fluiten waar hij en Arnold Schönberg de weg naar hadden geopend.

Zo gek is dat niet. Ergens in de vroege Middeleeuwen experimenteert er een kloosterkoortje met een tweede stem en halleluja, de polyfonie is geboren. Een half millennium later prutst er iemand wat achter een klavecimbeltje en… verdraaid, dit houden we vast. And we call it: het contrapunt. De sonate, de symfonie, het strijkkwartet… Elke kunstvorm heeft zo’n zegetocht van nieuwe vondsten, die hem steeds een stukje verder duwden. Hoe konden Arnold en Anton weten dat die tijd voorbij was, dat hun twaalftonenstelsel de stootblokken vormde van zo’n treinstation zonder doorgaande rails?

David Mitchell heeft een roman geschreven die hij in een bos in Noorwegen in de grond heeft gestopt waar hij pas over honderd jaar mag worden opgegraven. Origineel? Misschien. Al deed Vlaams-Nederlands huis DeBuren ooit iets soortgelijks met de Radioboeken, verhalen waarvan het manuscript in een muur is ingemetseld, en die verder alleen als luisterboek mogen bestaan.

Vernieuwend? Niet in die polyfonie-contrapunt-betekenis van het woord. Niet in de zin dat auteurs nu en masse hun manuscripten in volkstuintjes en stadsparken zullen gaan begraven.

Iets nieuws betekent al heel lang: iets anders, iets náást het voorafgaande.

Wat is er nieuw aan David Mitchell? Het mengen van sciencefiction en geschiedenis? Zo oud als De wolken van Aristophanes. Wat is er nieuw aan Dave Eggers? Toveren met typografie en met fictie en werkelijkheid? Zo oud als Laurence Sterne. Tegen de stootblokken is het uiteengespat in losse onderdelen, die in alle windrichtingen rond dwarrelen.

Een kleine stap voor de ­robot. Maar een grote voor de roman

Je zou voor de grap eens uit alle kunstsubsidieaanvragen de zinnetjes met ‘vernieuwend’, ‘nieuwe weg’ enzovoort moeten bloemlezen. Natuurlijk, de makers slaan voor zichzelf ongetwijfeld een ‘nieuwe weg’ in, ze doen iets wat zij zelf niet eerder deden, maar navolging zal het niet krijgen, en echt nieuw – op die polyfoon-nieuwe manier – zal het evenmin blijken.

Misschien is er domweg een limiet aan het aantal manieren waarop je vormen op elkaar kunt stapelen, toneelteksten kunt husselen, verhaallijnen kunt verstrengelen, en ook aan het aantal cross-overs dat er te maken is van poëzie en glasblazen, architectuur en dans, de fusions van fotografie en boetseren, urban rap en tuinieren, roman en archeologie in een bos bij Oslo… Het is er allemaal, naast elkaar, en je swipet van het ene next thing naar the next next thing. (Oké, vanaf nu geen Engels meer.)

Het Duitse uitgeefplatform Inkitt gaat het eerste boek uitgeven dat door een computeralgoritme is geselecteerd voor uitgave. Op basis van de objectieve kenmerken van eerdere bestsellers kan de computer voorspellen welk manuscript het meest kans maakt om een bestseller te worden. Die taak van de uitgever – bij sommige lijkt het erop dat dit hun énige taak is – wordt dus óvergenomen? Door robots? Wat. De. Neuk. (Beloofd is beloofd: geen Engels meer.)

De overgang naar het algoritmisch producéren van zo’n onverbiddelijke bestseller is dan natuurlijk nog maar een kleine stap voor de robot. Maar een grote voor de roman. Ik bedoel: hier héb je je vernieuwende nieuwe-weg-in-slaand-polyfonisch-contrapunt. We gaan hier absoluut meer van horen. Niet dat alle romans ineens door computers gemaakt zullen worden. Niet dat ze allemaal ineens bestsellers worden. Niet dat ze totaal door computers geschreven zullen worden. Nee, er zal een soort hybride vorm ontstaan, waarbij de computer in staat is plotlijnen voor te stellen, karakters te ontwikkelen, conflictsituaties uit te denken en de schrijver kiest uit die opties en werkt ze uit. Griezelig? Ongeveer even griezelig als gekloonde transplantatieorganen en de eiwitrijke insectenburgers die mijn supermarkt verkoopt.

Toch druk ik ook vaak op shift-F7. De synoniemenlijst. Al schaam ik me om dat zomaar te bekennen, vooral sinds een vriend Hafid Bouazza eens typeerde als ‘shift-F7-schrijver’. Maar waarom die schaamte? Ik weet het wel. Omdat het de mythe doorbreekt van het creatieve genie. Die moet alle synoniemen zo uit z’n eigen brein kunnen goochelen. Zijn personages moeten zich als geestverschijningen aandienen. De verhaallijnen moeten hem ingefluisterd worden in de verlaten bossen bij Oslo.

Totale apekool. Bij karakters en verhaallijnen komt een hoop koel reken- en meetwerk kijken. Waarom zou je dat niet uitbesteden aan een machine? Zoals er straks postbodes vervangen gaan worden door drones. Heb je wel eens goed geluisterd naar het geluid dat de propellers van die dingen maken? Ik zal het verklappen: ze klinken precies als de atonale muziek van Webern.