De herwaardering van Philomena Essed

‘Het alledaagse was een blinde vlek’

Haar boodschap dat Nederland een racistische samenleving is stuitte dertig jaar geleden op hevig verzet, maar door een nieuwe generatie activisten wordt hoogleraar Philomena Essed op handen gedragen. ‘Dankzij haar kunnen we racistische structuren benoemen.’

Toen de Canadese socioloog Michèle Lamont in 2017 de Erasmusprijs in ontvangst nam in het Paleis op de Dam was Devika Partiman (30) een van de aanwezigen, net als de leden van het koninklijk huis. Partiman was zenuwachtig. Niet voor een mogelijke ontmoeting met de prijswinnaar, koning Willem-Alexander of koningin Máxima, maar vanwege de aanwezigheid van iemand anders: de Surinaams-Nederlandse hoogleraar Philomena Essed. ‘We hebben elkaar alleen even de hand geschud en ik was helemaal starstruck’, aldus Partiman. ‘Essed is echt een icoon en iemand waar ik fan van ben.’

Partiman behoort tot de huidige generatie activisten die zich actief inzet tegen racisme en het debat rond Zwarte Piet heeft aangewakkerd. Via mede-activisten hoorde ze voor het eerst over de vrouw die belangrijk was geweest bij het in gang zetten van de eerste anti-racismegolf in de jaren tachtig met haar studie Alledaags racisme, een boek dat ook bij haar vader in de kast stond. ‘Ze bleken elkaar zelfs nog te kennen van de tijd dat mijn vader actief was in de anti-racismebeweging, zonder dat ik dat wist.’ Wat Essed nog steeds zo belangrijk maakt? Partiman hoeft er niet lang over na te denken: ‘Haar werk laat zien dat wij niet gek zijn, als we blijven wijzen op de racistische structuren in de samenleving en ons verzetten tegen Zwarte Piet. Daar werd mede door haar en Gloria Wekker al veel langer tegen gestreden.’

De bewondering is wederzijds, zo blijkt als op een koude dag in januari in een monumentaal pand in Amsterdam-Oost het honderdjarig bestaan van Vereniging Ons Suriname (vos) wordt gevierd. Mitchell Esajas en Miguel Heilbron, jonge activisten en de drijvende krachten achter The Black Archives, presenteren de dag. Essed grijpt tijdens een paneldiscussie de microfoon om te zeggen dat het haar deugd doet dat een jonge generatie deze avond heeft opgezet en prijst de jeugd. Het is een mooi compliment van de vrouw die door deze activisten op handen wordt gedragen en wier debuutboek na dertig jaar opnieuw is uitgegeven.

Het is niet vreemd dat Essed juist nu wordt herontdekt. Nadat in de jaren negentig de eerste anti-racismegolf was weggeëbd, en de discussie over racisme verdrongen werd door de discussie over het ‘multiculturele drama’, staat het onderwerp nu, mede dankzij academici als Gloria Wekker, politici als Sylvana Simons en activisten als Devika Partiman, opnieuw in het middelpunt van het publieke debat. In de vuilspuiterij die zij over zich heen krijgen komt het alledaagse racisme dat Essed beschreef in de meest naakte vorm aan het licht. Met haar aandacht voor het Amerikaanse discours was Essed haar tijd ver vooruit: tegenwoordig zijn woorden als white privilege, microagressions en intersectionality volledig ingeburgerd onder Nederlandse anti-racisme-activisten.

Als we Essed aanspreken tijdens het eeuwfeest van vos en vragen of we eens kunnen afspreken om over racisme in Nederland te praten is ze in eerste instantie terughoudend. Dat heeft alles te maken met de manier waarop over haar en haar werk is geschreven in de Nederlandse pers. Het is vergelijkbaar met de ontvangst van Witte onschuld van Gloria Wekker in 2017: geprezen in sommige kringen, genadeloos afgefakkeld in andere. Essed en Wekker zouden de rassenproblematiek uit Amerika klakkeloos projecteren op de situatie hier, geen constructieve bijdrage leveren aan het debat en er alleen maar op uit zijn om hun witte landgenoten een schuldgevoel aan te praten.

In 1999 schreef Antoine Verbij in De Groene Amsterdammer over Essed: ‘In haar tengere lichaam kookte de verontwaardiging over de grootste leugen van de Nederlandse beschaving. Iedereen ontkende het, niemand wilde het zien, toch was het zo: Nederland is een door en door racistisch land. Zelfs de “vrouwen van kleur” die ze erover ondervroeg, wilden het niet erkennen.’

Eerder al werd Esseds werk vernietigend besproken in andere media. Het zou ‘fopwetenschap’ zijn. En hoe durfde deze vrouw Nederland en zijn inwoners af te schilderen als racistisch? Nederlanders waren tolerant, stonden open voor andere culturen; racisme had je in Zuid-Afrika en in de Verenigde Staten, niet in ons koude kikkerlandje. Uit NRC, 4 mei 1991: ‘Haar boek staat bol van de tendentieuze uitspraken die in vage beschuldigingen uitmonden.’ En: ‘Inzicht in alledaags racisme is een somberstemmend werk. Racisme is een belangwekkend onderwerp. Het is bedroevend dat de behandeling van dit onderwerp wordt gemonopoliseerd door pretentieuze warhoofden à la Essed.’

Wie de recensies uit die tijd leest, zou denken dat Essed een boze, geharnaste vrouw is die graag met een beschuldigend vingertje wijst. Maar niets blijkt minder waar als we haar op een maandagochtend in maart treffen in een café in het centrum van Amsterdam. Hoewel ze al sinds 2005 in de Verenigde Staten woont, waar ze hoogleraar is aan Antioch University, is ze nog altijd een paar keer per jaar te vinden in ‘de stad van haar hart’. Ondanks haar aanvankelijke terughoudendheid toont ze zich hartelijk en opgewekt, je begrijpt direct waarom mensen die haar goed kennen haar omschrijven als ‘waardig’ en ‘sereen’. Met een kalme stem blikt ze terug op alle heisa van weleer: ‘Ik had de controverse echt niet zien aankomen. Ik dacht: “Het is toch logisch wat ik zeg? Als we begrijpen wat er mis gaat, gaan we het anders doen. Wat is daar nou zo moeilijk aan?” Achteraf is dat wel naïef gedacht, ja…’

Om te doorgronden wat er zoal mis ging had Essed voor haar afstudeeronderzoek Surinaamse vrouwen gevraagd naar hun ervaringen in Nederland. De veertien vrouwen, die allemaal praktische opleidingen hadden gevolgd en werkten als bejaardenverzorgster, datatypiste of secretaresse, vertelden over hun leven en de dagelijkse omgang met witte landgenoten. Hoe ze steevast extra gecontroleerd werden in winkels, van diefstal werden beschuldigd door hun patiënten, uitgescholden werden door buren, vernederd door collega’s, of lastiggevallen in de tram. Hoewel haar gesprekspartners aarzelden dit te duiden als discriminatie – laat staan als racisme – gaf Essed dit patroon een naam: alledaags racisme. ‘Ik wilde het beeld doorbreken dat racisme enkel iets groots en ongrijpbaars is uit het verleden’, zegt ze. ‘Voor veel mensen is het iets voelbaars, daarvoor moet je het alledaagse benoemen, maar dat hoorde niet in de sociale wetenschappen. Het alledaagse was een blinde vlek.’

Bij haar studie culturele antropologie aan de Universiteit van Amsterdam was ze een van de weinige zwarte studenten. Waar veel studiegenoten vooral gefascineerd waren door de vreemde gebruiken van ‘exotische’ volkeren was Essed meer geïnteresseerd in de ervaringen van minderheden in Nederland. ‘Normaal gesproken gaan antropologen naar verre oorden om onderzoek te doen, maar ik was al in het verre.’ Essed werd in 1955 geboren in Utrecht, maar groeide op in Suriname. Pas op haar veertiende vestigde het gezin met elf kinderen zich in Nijmegen, waar Essed haar middelbareschooldiploma haalde, voordat ze in 1974 naar Amsterdam verhuisde om te studeren.

Haar afstudeeronderzoek werkte ze uit tot het boek Alledaags racisme, dat in 1984 verscheen bij de feministische uitgeverij Sara. Prinses Irene nam het eerste exemplaar in ontvangst, Essed slaagde met vlag en wimpel en van ophef was nog nauwelijks sprake. Die ontstond pas in 1991, na de publicatie van Inzicht in alledaags racisme, de publieksuitgave van haar promotieonderzoek, waarin Essed de theoretische verdieping zocht. Ze interviewde hoger opgeleide Surinaams-Nederlandse vrouwen en vergeleek hun verhalen, net als in het eerste boek, met die van zwarte vrouwen uit de Verenigde Staten. ‘In Amerika was het debat over racisme een stuk verder’, zegt Essed. ‘Zij konden fenomenen benoemen die ook in Nederland voorkwamen, maar waarvoor wij nog geen taal hadden.’

Juist die parallel met Amerika riep hevige weerstand op: een land met een lange geschiedenis van slavernij en rassensegregatie valt toch niet te vergelijken met het tolerante Nederland? En waar baseerde ze haar stevige stellingen eigenlijk op? Onder academici ontspon zich een methodologische discussie, omdat Esseds werkwijze niet strookte met de gangbare opvattingen over deugdelijke wetenschap. ‘Als je wil vaststellen of er sprake is van discriminatie of racisme zijn er twee dingen die je vooral níet moet doen: vragen stellen aan de daders en vragen stellen aan de slachtoffers’, meent Frank Bovenkerk. ‘Daders zullen geen eerlijke antwoorden geven en slachtoffers hebben reden om te overdrijven.’ In de tijd dat Essed haar afstudeeronderzoek deed, gold Bovenkerk, die later vooral naam zou maken als criminoloog, als dé autoriteit op het gebied van discriminatie-onderzoek. Met zijn boek Omdat zij anders zijn, uit 1978, doorprikte hij als een van de eersten de mythe dat iedereen in Nederland gelijk behandeld wordt, ongeacht zijn of haar huidskleur.

‘Als je iemand aanspreekt op kwetsende uitspraken wordt er direct een principekwestie over de vrijheid van meningsuiting van gemaakt’

‘Ik had een tijdje in Suriname gewoond om onderzoek te doen en na mijn terugkomst zocht ik een woning in Amsterdam’, vertelt Bovenkerk. ‘Ik kon een appartement krijgen in de Bijlmermeer, maar dan wilde de woningbouwvereniging wel eerst mijn oude huis zien. Vreemd, dacht ik, maar oké… Dus die man belt aan, ik doe open, hij werpt één blik op mijn gezicht en zegt: “O, ik zie het al. Het is in orde, hoor.” Zo kwam ik erachter dat in Nederland hele wijken gesloten waren voor zwarte mensen. Schokkend, vond ik dat. Dat zoiets in Zuid-Afrika voorkwam wist ik wel, maar hier? Toen besloot ik te gaan onderzoeken hoe wijdverbreid dat was.’

Om dat objectief te meten liet hij zwarte en witte Nederlanders reageren op een woning of een baan. Zijn bevindingen lieten weinig ter interpretatie over: er werd op grote schaal gediscrimineerd. Het NOS Journaal besteedde uitgebreid aandacht aan zijn onderzoek en Bovenkerk raakte betrokken bij allerlei commissies en beleidsvoorstellen om rassendiscriminatie te bestrijden. Toch komt het woord ‘racisme’ in zijn conclusies niet voor. Dat was een bewuste keuze, legt Bovenkerk uit: ‘Ik kon geen enkel bewijs vinden van racistische motieven. Discriminerende werkgevers zeiden bijvoorbeeld dat ze er geen moeite mee hadden als hun dochter met een Surinamer zou thuiskomen.’

Dat stoorde hem aan het boek van Essed: zonder blikken of blozen schreef zij dat Nederland een racistische samenleving is, terwijl haar bewijs ‘anekdotisch’ was. ‘Totaal niet overtuigend’, oordeelt hij. Je moet weten, zegt Bovenkerk, dat hij werd geboren terwijl de Tweede Wereldoorlog in volle gang was; de boekenkast in zijn woning in Amsterdam-Zuid is gevuld met literatuur over de gruwelen van het Derde Rijk. Voor zijn generatie, waartoe ook socioloog Herman Vuijsje behoort, is racisme zowat het ergste verwijt dat je iemand kunt maken. Het roept de associatie op met gaskamers, of op z’n minst met de witte puntmutsen van de Ku Klux Klan en het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime. ‘Dat laat ik me niet zomaar aanpraten’, zegt Bovenkerk.

In Esseds vocabulaire heeft ‘racisme’ een andere definitie. Het hoeft niet gepaard te gaan met kwaadaardige bedoelingen of gewelddadige conflicten, maar is een subtieler verschijnsel, dat ongemerkt en soms zelfs onbewust doorwerkt in de instituties en cultuur van een maatschappij. ‘Racisme is een groepsprobleem’, schreef ze in Alledaags racisme. ‘Het probleem dat witten als groep zwarten onderdrukken.’ Voor haar vormden de onderzoeken van Bovenkerk juist de bevestiging van wat veel Surinamers al wisten: Nederlanders zijn helemaal niet zo verdraagzaam en kleurenblind als ze zelf graag geloven. In plaats van opnieuw met ‘objectieve’ experimenten te bewijzen dat er structurele discriminatie plaatsvindt in Nederland wendde Essed haar blik naar degenen die daarvan de gevolgen ondervonden. Want ook persoonlijke ervaringen kunnen een waardevolle bron van kennis zijn, zo had ze geleerd tijdens de colleges vrouwenstudies aan de Universiteit van Amsterdam.

‘In de vrouwenbeweging was de belangrijkste slogan in die tijd: “Het persoonlijke is politiek”’, zegt oud-UvA-docent Petra de Vries. Ze herinnert zich Essed als een serieuze en vriendelijke student, iemand met een gezonde dosis zelfvertrouwen, maar ook iemand die anderen de ruimte gaf. Zelf had De Vries een tijdje in de Verenigde Staten gewoond, waar ze in aanraking was gekomen met ideeën over black power en black consciousness en oog kreeg voor de parallellen tussen de burgerrechtenbeweging en de vrouwenstrijd. Zij moedigde Essed aan om een artikel te schrijven over ‘racisme en feminisme’, dat in 1982 verscheen in Socialisties-Feministiese Teksten. Veel bijval van andere docenten kreeg Essed niet. ‘Ze sprak witte mensen aan en dat werd haar niet door iedereen in dank afgenomen’, zegt De Vries. ‘Het was natuurlijk niet prettig om met die boodschap geconfronteerd te worden. Iedereen zag zichzelf als tolerant en ook in onze kringen hadden sommigen weinig op met de benadering van “de racist in jezelf zoeken”.’

De Vries vermoedt dat dit ook een van de redenen is dat Essed aanvankelijk werd gepasseerd voor de functie van universitair docent, al kan ze dat natuurlijk niet met zekerheid zeggen. Feit is in ieder geval dat Essed, ondanks een lyrische beoordeling van haar promotiecommissie, nooit echt kon doorgroeien in de Nederlandse academia. Het is een van de redenen dat ze besloot haar heil te zoeken aan de overzijde van de Atlantische Oceaan. Al is het niet zo dat ze is ‘weggepest’ uit Nederland, zoals nog wel eens wordt beweerd, benadrukt Essed: ‘Ik kreeg een relatie met iemand die werkte in Amerika en nog belangrijker: ik kreeg er kansen die ik hier niet kreeg. Aan de UvA had ik collega’s met wie ik goed kon opschieten, maar ik had toch het gevoel dat ik in mijn eigen hoekje mijn eigen ding zat te doen. Nederland werd me te klein.’

‘Binnen de Critical Race Studies was ze echt een grote naam’, zegt de Zuid-Afrikaanse hoogleraar David Theo Goldberg. Helemaal neutraal is hij niet, waarschuwt hij direct, want behalve dat hij nauw met Essed samenwerkt, was hij de amoureuze pull-factor die haar naar de VS deed verhuizen. De matchmaker die hen samenbracht was niemand minder dan Angela Davis, de grande dame van de zwarte burgerrechtenbeweging. Toen Goldberg in 1998 een conferentie organiseerde ter ere van Davis was er slechts één spreker die ze wilde laten invliegen vanuit het buitenland: Philomena Essed. ‘Zij was een van de weinigen in continentaal Europa die zich op academisch niveau bezighield met de kritische studie naar racisme’, zegt Goldberg. ‘Ze ontwierp een theoretisch raamwerk om na te denken over alledaags racisme, iets wat niemand anders nog had gedaan – zelfs niet in de Verenigde Staten.’

Terwijl we haar in Nederland vooral herinneren om haar controversiële werk over alledaags racisme heeft Essed in Amerika allesbehalve stilgezeten. Als hoogleraar aan Antioch University werkt ze in een programma alleen voor promovendi en doet ze onderzoek naar leiderschap en waardigheid. Vooral dat laatste begrip staat centraal in haar recente denken. In het nieuwe voorwoord bij de heruitgave van Alledaags racisme schrijft ze: ‘Ik was en ben nog steeds niet gelukkig met het woord “anti” in antiracisme. Beter is een terminologie en visie die meer tot uitdrukking brengt waar ik vóór ben, een samenleving waarin mensen met respect voor elkaars zijn met elkaar omgaan en waar menselijke waardigheid centraal kan staan.’

Dat begint met het luisteren naar elkaars ervaringen en grieven om daar vervolgens rekening mee te houden in je eigen gedrag, legt ze uit in ons gesprek. Ze geeft een persoonlijk voorbeeld: ‘Ik gaf eens een lezing waarin ik zei dat Nederlanders “spastisch” reageren op het woord racisme. Na afloop kwam er een vrouw naar me toe, die vertelde dat haar vriendin gekwetst was door mijn woorden. “Ach jee? Hoe bedoel je?” vroeg ik. Toen bleek dat haar vriendin in een rolstoel zat en spasme aan den lijve ondervond. Ik had daar nog nooit bij stilgestaan en schrok ervan. Sindsdien gebruik ik het woord “krampachtig”. Het dekt de lading beter en het kwetst niemand. Waarom zou ik het dan níet doen?’

Als iedereen zo zou redeneren, zou de egaal zwart geschminkte Piet al lang vervangen zijn door een roetveegvariant en zouden moslims niet onophoudelijk vernederingen naar hun hoofd geslingerd krijgen. Maar zo eenvoudig is het kennelijk niet. Het ‘recht om te beledigen’ lijkt voor sommige mensen zwaarder te wegen dan de gevoelens van een ander, constateert Essed. Alsof je een strijder van het vrije woord bent wanneer je een hoofddoek een kopvod noemt of het ‘n-woord’ gebruikt om een zwart persoon te beschrijven. Essed muntte er een nieuwe term voor: entitlement racism, in het Nederlands ietwat ongelukkig vertaald als ‘eigengerechtigd racisme’. ‘Als je iemand aanspreekt op kwetsende uitspraken wordt er direct een principekwestie over de vrijheid van meningsuiting van gemaakt’, zegt ze. ‘Terwijl ik denk: waar sláát dat nou op? Er zijn toch belangrijkere zaken in het leven dan koste wat het kost te mogen kwetsen?’

Een bovenzaal in het Tropenmuseum komt zitplekken te kort als op 21 februari 2014 de bundel Dutch Racism wordt gepresenteerd. Isabel Hoving, literatuurwetenschapper en coredacteur van de bundel, weet niet wat ze meemaakt: ‘Normaal gesproken krijg je niemand warm voor dit soort wetenschappelijke boeken, maar deze keer zat het helemaal vol. En niet alleen met academici, maar vooral ook met mensen van kleur van alle leeftijden. Het bruiste van de energie en het enthousiasme.’ Dat heeft alles te maken met de rol van die andere redacteur: Philomena Essed. Drie decennia nadat zij de eerste anti-racismegolf opstuwde en tien jaar nadat ze uit Nederland vertrok, staat het onderwerp ook hier boven aan de maatschappelijke agenda.

Ook Gloria Wekkers boodschap werd versimpeld tot de vermeende aanklacht dat iedere witte Nederlander een racist zou zijn

Voor een deel is dat de verdienste van Essed, gelooft Hoving: niet alleen bood zij een nieuwe generatie de intellectuele handvatten om hun ervaringen te duiden en de strijd te voeren, ze blijft zich ook actief inspannen om nieuwe stemmen een podium te geven, zo merkte Hoving bij het samenstellen van de bundel. ‘Philomena wilde alleen meewerken als ook jonge mensen en activisten van kleur de kans zouden krijgen om bij te dragen, door niet alleen wetenschappelijk werk maar ook persoonlijke verhalen te delen. Ze stopte ontzettend veel tijd en werk in de begeleiding. Ze was onvermoeibaar, blijmoedig en eindeloos geduldig, dat vond ik ontzettend inspirerend.’

Met die houding belichaamt ze, al dan niet bewust, haar eigen ideeën over goed leiderschap. In haar visie moet een leider de voorwaarden creëren om anderen te laten floreren, niet doen alsof hij zelf de waarheid in pacht heeft. ‘Philomena is een leider die niet als een leider gezien wil worden’, zegt haar partner Goldberg, met wie ze ook regelmatig lesgeeft. ‘In het klaslokaal stelt ze zichzelf niet op als een autoriteit. Voor haar is lesgeven ook een leerproces. Ze stimuleert studenten om tot hun eigen inzichten te komen.’ Zo gaat het ook bij de jaarlijkse Black Europe Summer School waarbij Essed nauw betrokken is en die een drijvende kracht vormt achter de nieuwe golf van anti-racisme-activisme. ‘Natuurlijk is Philomena trots dat ze daaraan kan bijdragen’, zegt Goldberg, ‘maar ze zal hun nooit vertellen hoe ze dingen moeten doen. Liever denkt ze hardop met hen mee.’

Quinsy Gario, de dichter en kunstenaar die het recente Zwarte-Pietendebat aanzwengelde, hoorde Essed voor het eerst spreken tijdens een conferentie van de Black Europe Summer School in 2009. Hij was vooral verbaasd. Bij de colleges van Gloria Wekker, tijdens zijn studie aan de Universiteit Utrecht, had hij al teksten van Essed behandeld, maar ze bleek nog steeds baanbrekend onderzoek te doen naar racisme. ‘Haar inzichten hadden we dus al in de jaren tachtig, maar het werd niet opgenomen als algemene kennis in Nederland.’ Een jaar na de conferentie nam hij deel aan de Summer School, een project van het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee). ‘Tijdens de Summer School konden we zonder stoorzenders thema’s rondom ras en racisme academisch verder uitdiepen. Dat was erg fijn en heeft veel indruk gemaakt.’

Daar leerde Gario Essed ook persoonlijk kennen, een band die zich later ontwikkelde in een soort mentorschap. ‘Het is een eer dat je iemand die je zo bewondert af en toe kunt lastigvallen met vragen. Veel generatiegenoten volgen haar werk en zien dat professor Essed hun taal en inzichten bood om problemen rond racisme te benoemen. De Nationale Ombudsman Alex Brenninkmeijer zei in 2013 al dat het politieke klimaat in Nederland racistisch is en dat er niet over gesproken wordt. Dat kon hij alleen maar zeggen door het werk van mensen als Essed en Wekker.’ Maar laat één ding duidelijk zijn, zegt Gario: Essed is nog lang niet klaar. ‘Heel veel mensen die zich hebben ingezet voor sociale gelijkheid zijn al lang afgehaakt. Het fascinerende aan haar vind ik: ze blijft een enorme drive houden om door te gaan met wetenschap. Dat lijkt haar heel makkelijk af te gaan, maar ze werkt daar keihard voor. Dat is een gave en toont aan hoe je op een heel inspirerende manier een levenswerk kunt voortzetten.’

Toen Gloria Wekker begin jaren tachtig het artikel las waarin haar studiegenoot Philomena Essed het verband legde tussen seksisme en racisme was dat voor haar een heuse eye-opener. ‘Ze richtte zich rechtstreeks tot feministen en vroeg of we het erover eens waren dat de strijd tegen seksisme per definitie anti-racistisch moest zijn. Wow, dat was me nogal een vraag die ze daar op tafel legde’, zegt Wekker in een Turks restaurant in Amsterdam-Zuidoost. Essed was de eerste die barstjes deed ontstaan in de mythe van ‘witte onschuld’, het fenomeen waarover Wekker drie jaar geleden een veel besproken boek publiceerde. ‘Ik had er nog nooit zo naar gekeken. Haar werk gaf me de urgentie om zelf te schrijven over racisme in Nederland.’

Wekker vindt het een ‘groot gemis voor Nederland’ dat Essed, met wie ze nog altijd goed bevriend is, hier niet meer werkt, maar heeft er alle begrip voor. Sinds haar vertrek naar Amerika is Essed niet alleen hoogleraar, maar ontving ze ook eredoctoraten van de Universiteit van Pretoria en de Zweedse Umeå Universiteit. ‘Het is een voorbeeldige wetenschapper en ik vind het een schande dat ze nooit hoogleraar geworden is in Nederland. Ze is niet weggepest, maar het is haar niet aantrekkelijk gemaakt.’

De ontvangst van Wekkers boek White Innocence, in 2016, deed in veel opzichten denken aan de ophef rond Alledaags racisme. Ook Wekker kreeg een hoop kritiek over zich heen, waarbij haar boodschap niet zelden werd versimpeld tot de vermeende aanklacht dat iedere witte Nederlander een racist zou zijn. Essed en Wekker doen denken aan ‘de wraak- of schikgodinnen uit de Griekse mythologie, die de zondaars eindeloos blijven kwellen en achtervolgen’, schrijft socioloog Herman Vuijsje in zijn boek Zwartkijkers (2018), waarin hij zich fel afzet tegen de nieuwe anti-racismegolf. Wekker heeft wel een verklaring voor die defensieve houding: ‘Wij doorbraken de stilzwijgende consensus dat racisme hier niet voor zou komen. Onze analyse botst met het diep verankerde zelfbeeld dat racisme op de een of andere miraculeuze wijze aan Nederland voorbij is gegaan.’

En net als Essed destijds kreeg Wekker het verwijt dat haar werk onwetenschappelijk zou zijn, omdat ze zich niet bediende van de traditionele methodes van objectief onderzoek. In Zwartkijkers schrijft Vuijsje: ‘Natuurlijk is absolute objectiviteit vaak niet haalbaar. Maar wel nastrevenswaardig. Of niet? Kan ook, maar onthoud je dan van conclusies met de pretentie van algemene geldigheid. Of wil je dat toch doen? Kan ook, maar noem het dan geen wetenschap.’ Dit soort kritiek doet Wekker zuchten: ‘Aan de Nederlandse universiteiten heerst er een reductionistische opvatting over wat voor wetenschap of valide kennis door mag gaan. Dat biedt een heel beperkte kijk op de werkelijkheid. Daarom is het des te moediger dat Philomena dat al in de jaren tachtig durfde te doorbreken en naar persoonlijke ervaringen vroeg. Want hoe zou je deze kennis anders moeten vergaren?’

Hoe racistisch is Nederland?

Deze vraag staat centraal op woensdagavond 8 mei tijdens De Groene Live in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. Met historicus Nadia Bouras (Universiteit Leiden), cultureel antropoloog Surya Nahumury , historicus Tayfun Balçik , journalist/schrijver Kiza Magendane , rechtsfilosoof Tamar de Waal , UvA-onderzoeker Sal Hagen en Groene-redacteuren Rasit Elibol & Jaap Tielbeke. Moderator: Margreet Fogteloo.

Vanwege de voetbalwedstrijd Ajax-Tottenham begint de avond al om 19.00 uur. De toegang is gratis, wel even opgeven via dezwijger.nl

Het roept de vraag op wat er in de afgelopen dertig jaar is veranderd. De situaties die Essed in de jaren tachtig beschreef zullen voor veel Nederlanders met een migratie-achtergrond nog steeds herkenbaar zijn en wie zich daartegen uitspreekt en daarbij het woord ‘racisme’ gebruikt kan ook vandaag de dag rekenen op vinnige reacties. Er zijn nog altijd genoeg mensen die geloven dat Nederland, zeker in vergelijking met andere landen, geen racismeprobleem heeft, of dat het wijzen daarop alleen maar bijdraagt aan verscherpte tegenstellingen. Het gaf Essed dan ook een dubbel gevoel toen ze vorig jaar hoorde dat uitgeverij Van Gennep haar Alledaags racisme opnieuw uit wilde brengen. Ze was verbaasd en vereerd, want het is uniek dat een wetenschappelijk onderzoek dertig jaar na verschijning een hernieuwde uitgave krijgt. ‘Tegelijkertijd stemde het verontrustend dat mijn werk nog steeds nodig moest zijn, dat het racisme een actueel probleem was gebleven’, schrijft ze in haar nieuwe voorwoord.

Toch is er sinds de eerste druk wel degelijk wat veranderd, gelooft Quinsy Gario: ‘Essed heeft aan theorievorming gedaan aan de hand van de ervaringen en kennis van zwarte vrouwen, tot dan toe een groep waar het minst echt naar geluisterd werd. Hierdoor heeft ze subtiele vormen van uitsluiting zichtbaar gemaakt. Door haar kunnen we dat soort structuren en concepten blijven benoemen.’ Het is een van de redenen dat Essed in 2011 werd geridderd in de orde van Oranje Nassau. Lange tijd vond Essed het ingewikkeld dat mensen haar zagen als voorbeeld. ‘Het idee van leiderschap of rolmodel, dat hoefde van mij niet zo nodig. Maar inmiddels heb ik leren aanvaarden dat ik die functie voor anderen kan vervullen en ben ik dankbaar als mensen zich geïnspireerd kunnen voelen door iets wat ik zeg of schrijf. Ik vind niet dat iemand mij moet volgen en ik ben in mijn werk nooit bezig geweest om mensen te overtuigen. Het enige wat je kunt doen is mensen handvatten geven en kansen bieden om hun eigen ideeën te ontwikkelen.’

‘Als je Alledaags racisme nu terugleest is het allemaal best braaf verwoord’, zegt activiste Devika Partiman. ‘Veel vrouwen lijken hun ervaringen nog niet helemaal te kunnen plaatsen. Ze spreken ook niet van racisme. Onze generatie heeft veel meer woorden, zoals micro-agressie of white privilege, om zulke situaties te duiden. Als er nu een boek over racisme verschijnt zou het eerste exemplaar waarschijnlijk ook niet in ontvangst worden genomen door iemand van het koninklijk huis. Het debat is gevoeliger geworden.’ Dat komt ook doordat haar anti-racistische leeftijdgenoten er nu, mede dankzij de generatie van Essed en haar vader, harder in kunnen gaan, gelooft Partiman. Velen van hen zijn geboren en getogen in Nederland en eisen hun plek op, door institutioneel racisme aan te kaarten of mee te praten over de invulling van vaderlandse tradities. De verschuiving is zichtbaar in de verschillende slogans van de actievoerders, ziet Essed. Was de leuze in de jaren tachtig nog ‘zwarte piet is zwart verdriet’, nu is het ‘zwarte piet is racisme’. ‘Het gaat er feller aan toe’, zegt Essed, ‘omdat er een beweging is die zegt: dit pikken we niet meer.’