Topsector Chemie moet zich aanpassen

Het allerbeste asfalt

Chemie is door het kabinet aangewezen als een van de industrieën die de Nederlandse economie draaiende moet houden. Maar hoe gaat de sector om met Aziatische concurrenten, een ongunstig imago en weinig animo onder studenten?

KOUDEKERK aan den Rijn ligt in het Groene Hart, een strook monumentale boerderijen langs de rivier. Om er te komen moet je een smalle brug over, die uitkomt bij de kerk. Over diezelfde brug denderen dagelijks de vrachtwagens vol emulsies, slurrie en andere goederen die nodig zijn om asfalt te maken. Het vrachtverkeer is afkomstig van Latexfalt BV, een middelgroot bedrijf dat sinds 1952 aan de rand van de dorpskern is gevestigd. Op het terrein ruikt het naar verse snelweg - de typische geur van bitumen, het zwarte kleverige deel dat de korrels van het wegdek bijeenhoudt.
Directeur Bert Jan Lommerts - type niet lullen maar zaken doen - laat een kaart van de omgeving zien. ‘Hier zitten wij. Daar zijn de dorpsgrenzen en hier is de Oude Rijn.’ Hij wijst op een stuk braakliggend terrein direct naast Latexfalt. Ooit stond daar een betonfabriek, maar die is weg. 'En wat is nou mooier dan daar huizen neerzetten?’ zegt Lommerts met enige ironie.
Ziedaar het dilemma, voor Latexfalt en de rest van Nederland. De gemeente wil mooie huizen, de projectontwikkelaar wil bouwen maar niemand wil naast een chemisch bedrijf wonen. Dat snapt Lommerts ook wel: 'Heb je een huis van zeven ton langs het water, met een prachtig insteekhaventje voor een bootje en vijf meter daarnaast onze stinkpijp. Dat levert natuurlijk een spanningsveld op.’ Aan de andere kant: Latexfalt zit al vijftig jaar aan die dorpsgrens. Er is geïnvesteerd, er is historie. Lommerts: 'Het bedrijf zit letterlijk vast aan de grond. We kúnnen niet weg. Natuurlijk, wij mogen niet stinken. Maar we al hebben honderdduizenden euro’s geïnvesteerd om dat te beperken.’
En dus begint het gepoker. Lommerts weet dat hij nu nog de overhand heeft. Zolang het plan nog in de voorbereidingsfase is, kan hij volhouden dat die huizen onverkoopbaar zullen zijn, of proberen het plan met advocaten tegen te houden. Maar zodra er gebouwd is, zodra er kinderen op driewielertjes rondrijden, trekt hij onvermijdelijk aan het kortste eind. Asfaltfabriek versus woongeluk, vergeet het maar. Volgens Lommerts heeft tachtig procent van de chemiebedrijven last van problemen met ruimtelijke ordening. 'Er moet dus water bij de wijn’, vindt hij. 'Of je moet zeggen: chemie heeft geen bestaansrecht in Nederland.’
Maar dát zou onder de huidige politieke wind ondenkbaar zijn. Het kabinet heeft chemie juist gebombardeerd tot een 'topsector’ die de 'BV Nederland’ draaiende moet houden in de 21ste eeuw. Aan ambitie geen gebrek: in 2050 moet Nederland wereldleider zijn in de 'groene chemie’, staat in het plan van aanpak dat de sector onlangs opstelde. Over veertig jaar is de chemische sector niet langer iets wat vervuilt, bijt en ontploft, maar een CO2-neutrale oase van biomassa en 'slimme’ materialen die zichzelf schoonhouden en afbreken.
Dat klinkt natuurlijk prachtig, maar voor het zo ver is moet er nog een hoop gebeuren. Chemie is een industrie van de oude stempel, van grote fabriekscomplexen langs de snelweg bij Geleen en raffinaderijen in de Rotterdamse haven. Aardolie is grondstof nummer één en zware metalen worden gebruikt om de chemische processen op gang te brengen.
Toch zijn de tekenen van een omwenteling zichtbaar. Onlangs sloot DSM een miljoenencontract met het Amerikaanse bedrijf POET om een techniek te ontwikkelen waarmee brandstof kan geworden gemaakt uit de niet-eetbare resten van de maïsplant. Ook analisten schetsen een gunstige toekomst. De Nederlandse chemiesector is prima in staat om 'groen’ te worden en zo de wereldwijde concurrentie de baas de blijven, bazuinde een rapport van consultancybedrijf Deloitte dat begin januari verscheen. Al speelt hier ook een dosis wensdenken. Deloitte sprak met name mensen uit de sector zelf.
Hoe dan ook, de keuze voor chemie als topsector ligt voor de hand. Scheikunde neemt een substantieel deel van onze welvaart voor haar rekening (zie kader). Wel ziet het landschap er anders uit dan tijdens de hoogtijdagen van het industriebeleid, veertig jaar geleden. Toen ging het om giganten als DSM en Akzo. Dat is lastig vol te houden, de chemische reuzen laten zich bovendien niet zo makkelijk aansturen vanuit Den Haag en dus is de hoop gevestigd op de innovatie bij kleinere bedrijven. Al is 'klein’ een relatief begrip in de chemie. Latexfalt is een bedrijf met bijna vijftig miljoen euro omzet en 86 man personeel in dienst; en dat is dan MKB.
Lommerts begrijpt die aandacht voor het MKB wel. 'Grote bedrijven vinden zelf hun weg naar de hoogleraren. Universiteiten doen wel aan spin-offs en richten met behulp van allerlei “incubators” bedrijfjes op, maar dat zijn nou niet altijd goede ondernemers. Het ontbreekt dus aan een link tussen het MKB en de kennis. Nederland kan wel goede onderzoekers in huis hebben, als hun kennis verborgen blijft in studeerkamers heeft niemand er iets aan.’
Op dat punt is Lommerts een voorbeeld. Latexfalt heeft een Roemeense onderzoekster, Irina Cotiuga, in dienst, een jonge doctor in de chemie. Tussen de bonkige kerels in zakenpak of vuile overall is ze een opvallende verschijning. In het Engels legt ze uit waarmee ze bezig is, boven in het laboratorium van Latexfalt. Tussen mixers, vaten en potjes staan computers en meetapparatuur. 'Onze technologie is uniek in de wereld’, vertelt ze enthousiast. Ze laat grafieken zien die de remweg, slijtage, hardheid, vochtafvoer van hun asfalt weergeven.
Latexfalt heeft één doel: het allerbeste asfalt ter wereld maken. Een snelweg die niet scheurt, breekt of gaten laat vallen. Niet kapotvriest bij min twintig of smelt bij plus veertig, een korte remweg heeft, niet streept en lekker stil is. Dat is niet zo eenvoudig. Want hoe stiller, hoe minder duurzaam. Hoe harder, hoe breekbaarder. En asfalt moet zoveel mogelijk water afvoeren, dus lekker grof en open zijn. Maar daardoor ontstaan weer meer kiezeltjes op de weg. Dus zoeken ze bij Latexfalt naar de heilige graal van de asfaltindustrie: een bitumen-emulsie die alle gewenste eigenschappen combineert.
Een dag per week werkt Cotiuga aan de Universiteit Utrecht, een collega zit een dag per week in Delft. De universiteit profiteert van de praktijkkennis, de onderzoekers van de faciliteiten - het soort kruisbestuiving dat het kabinet en de sector graag zien. Voor Latexfalt is het ook een moment om nieuwe onderzoekers te scouten. Steeds vaker gaat het daarbij om buitenlands talent. 'Het is moeilijk om aan goed Nederlands personeel te komen’, zegt Lommerts, die trots is dat hij de jonge Roemeense heeft weten te strikken. 'Het was even wennen bij wegenbouwers die draaien op zware Van Nelle. Misschien hadden we vroeger gezegd: zij moet zich aanpassen. Maar eigenlijk hebben wij ons aan haar aangepast.’

DAT EEN OER-HOLLANDS bedrijf als Latexfalt zich aan buitenlandse mores moet aanpassen, zal in de toekomst alleen maar vaker voorkomen, verwacht Rein Willems, tot voor kort voorzitter van de VNCI, de branchevereniging van de chemiesector en voormalig bestuursvoorzitter van Shell. 'Nederlandse scholieren staan niet te springen om scheikunde te studeren’, zegt hij in het kantoor van de VNCI, langs de A4 bij Den Haag. 'Toen ik in de jaren zestig naar Delft ging zaten we met vijfhonderd eerstejaars in de collegebanken. Nu komen alle universiteiten samen krap aan dat aantal.’
Sinds afgelopen zomer is Willems 'boegbeeld’ van de topsector chemie. Een onbezoldigde baan die voornamelijk bestaat uit het opstellen van plannen hoe de sector vooruit te helpen. Conform zijn functie geeft hij hoog op over de krachten van de Nederlandse chemie-industrie. Hij vertelt over Synbra in Etten-Leur dat piepschuim maakt uit melk. En over Avantium in Amsterdam dat een nieuwe fles voor Coca-Cola heeft ontwikkeld, op basis van planten - voorbeelden van de biobased chemistry waar de sector op hoopt. Ook wat betreft onderzoek staat Nederland er gunstig voor, meent Willems. 'Van de honderd meest succesvolle chemici zitten er acht in Nederland. Voor een klein landje is dat veel. Bovendien hebben de grote multinationals veel van hun r&d-activiteiten hier zitten.’
Desondanks worstelt de sector met een slecht imago, weet Willems heel goed. En dat steekt. 'Voedingsmiddelen worden verkocht met de slogan “zonder chemische toevoegingen”, wat onzin is. Incidenten zoals de brand bij Chemie-Pack doen ook geen goed. Daar ging het mis en meteen krijgt de sector de schuld’, zegt hij met enige ergernis. 'Maar de overheid laat evengoed steken vallen in het toezicht, dat volstrekt versnipperd is.’
Als het over de toekomst gaat, klinkt Willems, die als voormalig directeur van Shell de wereldmarkt goed kent, niet zo zelfverzekerd. Natuurlijk, hij spreekt het international managersjargon van opportunities en leadership, maar de kansen voor de chemie zijn net zo groot als de bedreigingen, geeft hij eerlijk toe. Met stip op één: de concurrentie van de nieuwe economische grootmachten. Brazilië, China en Maleisië zijn geduchte tegenstanders. De lonen zijn er lager, de grondstoffen liggen naast de deur en de productiecapaciteit wordt veel minder geremd door milieuregels of problemen met ruimtelijke ordening. Alleen als het gaat om kennis heeft Nederland - voorlopig - nog een voorsprong.
Toch is een boel knappe koppen aan de universiteit niet genoeg, benadrukt Willems. 'We moeten vooral ook dingen maken. Ik heb vijftien jaar voor Shell gewerkt, tot 2007. In die tijd koesterden veel mensen de illusie dat we binnen vijftien jaar volledig op de diensteneconomie zouden overgaan. Pernis en de Hoogovens konden dicht, was de gedachte. Maar je moet absoluut een maakindustrie hebben. Dat is het enige waar je geld mee verdient.’
China, negatieve beeldvorming, last van strenge milieuwetgeving en ruimtelijke ordening - het zijn flinke problemen waar de sector tegenop bokst, maar misschien wel de grootste zorg is de aanwas van jonge chemici. Willems: 'De problemen beginnen al in het basisonderwijs. Dat is volstrekt gefeminiseerd. We hebben docenten nodig die kinderen enthousiast maken voor wetenschap en techniek.’
Maar dat jonge kinderen een proefjesdoos voorzetten niet voldoende is om in 2050 wereldleider groene chemie te zijn, weet ook Rein Willems. Na enig aarzelen wil hij dan ook wel kwijt wat in zijn ogen echt nodig is, wil de interesse in chemie niet helemaal wegzakken. 'Stop met het financieel bestraffen van bètastudenten. De studiebeurzen voor de masterfase worden nu afgeschaft. Wie kiest voor een exacte studie heeft daar dubbel nadeel van, daar duren de masters twee jaar. Je moet de bètarichting juist aantrekkelijk maken, ook financieel. Daarom probeert de VNCI bedrijven zo ver te krijgen dat ze studiebeurzen gaan uitdelen.’ Haast is geboden. Het merendeel van toponderzoekers zit tegen het pensioen aan, voegt Willems toe.

EEN VAN DE plekken waar de omwenteling in de chemiesector moet plaatsvinden, is het Instituut voor Moleculen en Materialen van de Radboud Universiteit Nijmegen, waar hoogleraar Floris Rutjes de scepter zwaait over de afdeling synthetische organische chemie. Net als zijn collega-scheikundigen is Rutjes ervan overtuigd dat de chemie een groene toekomst wacht. Er is geen andere keuze. 'Aardolie, zware metalen, de grondstoffen waar de chemie op draait, worden alleen maar schaarser, en dus moeten we op zoek naar alternatieven’, zegt hij in zijn werkkamer met uitzicht op de Nijmeegse campus. 'Maar dat is niet eenvoudig. De chemie werkt al zo lang met aardolie, daar stap je niet zomaar vanaf. Alle processen zijn tot in de puntjes geoptimaliseerd.’
En dus zijn er wetenschappers nodig die onderzoek doen naar chemie op basis van hernieuwbare grondstoffen. Wetenschappers die op de proppen komen met enzymen die bestand zijn tegen hoge temperaturen en technieken om de zuurstofatomen efficiënt uit suikers te verwijderen. Maar dit type onderzoek komt met moeite van de grond. 'Ook een verwant onderzoeksgebied als de chemische biologie stond aanvankelijk helemaal niet op de agenda van het topsectorenbeleid’, vertelt Rutjes. 'Met pijn en moeite hebben we investeringen in dit onderzoeksgebied losgekregen.’
Onvermijdelijk loopt Rutjes aan tegen de eeuwige vraag van de wetenschap: wie trekt de portemonnee? Rutjes: ’“Topsectoren” klinkt mooi, maar het betekent dat bedrijven voortaan het onderzoek moeten gaan financieren. De overheid staakt de subsidies en geeft voortaan alleen belastingvoordeel voor investeerders.’ Komt het MKB dan binnenkort massaal over de brug om het onderzoek van Rutjes en zijn collega’s te betalen? De hoogleraar moet het nog zien: 'Voor de kleine bedrijven is het niet aantrekkelijk om onderzoek te betalen. De winstmarges zijn laag en het duurt vaak lang voordat je een investering terugverdient.’
Een van de manieren waarop onderzoekers van de Radboud Universiteit de wetenschap proberen te verzilveren, is door zelf bedrijfjes te beginnen. Het lijkt logisch, maar volgens Rutjes heeft Nederland nog een lange weg te gaan op dit punt. 'In de Verenigde Staten is het: je bent geen goede hoogleraar als je niet hoofdaandeelhouder bent van ten minste één bedrijf. De cultuur hier is nog sterk: wetenschap is wetenschap, willen verdienen past daar niet bij.’ Ook de rapporteurs van Deloitte noemden 'een gebrek aan nieuwe bedrijven’ een van de zwakke kanten van de Nederlandse chemiesector.
Succesvol voorbeeld van zo'n spin-off is Modiquest, een bedrijf gespecialiseerd in de klikchemie: een proces waarbij twee moleculen enkel en alleen iets doen als je ze bij elkaar brengt. Het laboratorium zit op de begane grond van de faculteit bètawetenschappen. Ruimtes vol onderzoekers in witte jassen en moderne apparatuur om moleculaire testen uit te voeren. Voor de farmaceutische industrie met name, want Modiquest bevindt zich op het kruispunt van chemie en medische wetenschap. 'De moleculen die wij hebben ontwikkeld reageren met de antilichamen die worden aangemaakt door reumapatiënten’, zegt eigenaar en universitair docent chemie Jos Raats. Oftewel: zouden potentieel een medicijn tegen reuma kunnen opleveren. Modiquest bezit de apparatuur en de kennis en voert in opdracht onderzoek uit. Mooi natuurlijk, maar ook Raats voelt de hete adem van Azië in zijn nek. Zelfs met moderne apparatuur blijft onderzoek mensenwerk, en als zijn mensen zes keer zo veel kosten, kan een farmaceut net zo goed die testen in India - dat een sterke farmaceutische sector heeft - laten uitvoeren. Ook hoogwaardig onderzoek is niet gevrijwaard van outsourcing.
Om bij te blijven is constant onderzoek nodig en Raats heeft moeite met het vinden van geldschieters. 'Ondertussen ontvangen Chinese universiteiten miljarden voor scheikundig onderzoek. Zogenaamd zijn dat private gelden, maar in feite is het allemaal overheidssubsidie’, zegt Raats. 'Bovendien hebben ze daar veel minder last van regels. Voor elk experiment met muizen moeten we apart toestemming aanvragen.’ Niet dat hij geen begrip heeft voor dierenwelzijn, maar het aanvragen legt beslag op de slagvaardigheid van zijn bedrijf. 'Voor een paar muizen zijn we zo drie maanden verder.’ Het speelveld tussen Azië en Nederland is kortom niet gelijk.
Bert Jan Lommerts van Latexfalt heeft in ieder geval besloten niet af te wachten. Onlangs ging hij een joint venture aan met een Chinees bedrijf dat bijna twintig keer zo groot is als Latexfalt. Het contact werd gelegd via een promovendus van de Universiteit Eindhoven, Lommerts ging naar China en stuitte op 'een heel betrouwbare Chinees’. Hij is niet bang overgenomen of voorbijgestreefd te worden. 'Wij hebben zo'n voorsprong in technologie. Bovendien liggen er dikke contracten om het intellectueel eigendom te beschermen.’ Het is Latexfalts troefkaart: hun patent op het mespuntje cruciale chemicaliën dat een goede bitumen-emulsie maakt. En dat geven ze niet weg. 'De aardappels en de groenten zijn lokaal, wij verkopen het zout en de peper. De Chinezen kunnen misschien tien procent stelen, maar dan zijn ze de overige negentig procent gegarandeerd kwijt’, aldus Lommerts.
En hoe de aardoliezwarte reputatie van de chemie weg te poetsen? 'Misschien moet chemie gewoon anders gaan heten’, verzucht Willems. 'Delft en Leiden hebben pas hun chemieopleidingen samengevoegd en het sustainable molecular science genoemd. Het is tachtig procent gewoon de studie scheikunde, maar er kwamen meteen drie keer zoveel studenten. Dat is onze grootste uitdaging: een nieuwe naam verzinnen.’


Topsector Chemie
Chemie, net als bijvoorbeeld hi tech, water, logistiek en agrofood, is een van de negen ‘topsectoren’ waar het kabinet tot en met 2015 ruim twee miljard euro voor uittrekt. De chemische sector ziet zichzelf graag als the king of industries die de grondstoffen levert voor alle andere. Diesel, paracetamol, houtlak, wasmiddel – zomaar een greep uit de producten die afkomstig zijn van de chemische sector. Driekwart van de Nederlandse productie gaat naar het buitenland. Daarmee is chemie na voedsel ons belangrijkste exportproduct. Een kwart van de export gaat naar Duitsland, ongeveer acht procent naar Azië. In 2010 zette de sector 47 miljard euro om, ongeveer drie procent van het Nederlandse bbp. De helft daarvan bestaat uit de verkoop van basischemicaliën. De sector is goed voor 64.000 banen. Van de totale omzet wordt zo’n 2,5 procent aan research & development uitgegeven. (cijfers: VNCI)