Het Aloysius

Wat gebeurde er met de zielen van de paters toen het Haagse Aloysius College zijn deuren sloot.

Normaal gesproken vergaan ze natuurlijk, onze zielen. God heeft er nu eenmaal voor gekozen de aarde te scheppen, leven te brengen en het te ontnemen, en later de wereld weer te verwoesten. Maar de zielen van de paters die decennia geleden onderwezen op het Aloysius College in Den Haag, mijn oude middelbare school, weigerden te vergaan. Anderhalf jaar geleden, tijdens het voorexamenjaar, moesten we de school noodgedwongen verlaten: het Aloysius sloot zijn deuren. Ik weet zeker dat die zielen zichzelf daarna wenend door de lege gangen trokken.

Er was nog van alles geprobeerd om de school open te houden. Zo organiseerde ik samen met een groepje leerlingen een protestmars. We liepen met z’n honderden naar het stadhuis. Uit handen van een eersteklasser ontving de wethouder honderd gele rozen, als uitnodiging voor het feest dat het jaar daarop plaats zou moeten vinden, want dan zou de school een eeuw hebben bestaan. Eerst werd er besloten de school open te houden, maar al snel maakte de staatssecretaris er alsnog een einde aan. Die wethouder en die staatssecretaris zijn toevallig in het huidige kabinet ministers, zoals een oud-leerling. De oud-leerling raakte me met een column, die ik nadat hij politicus was geworden tegenkwam. Hij schreef in Het Financieele Dagblad: ‘Persoonlijk vind ik het fantastisch dat wij in Nederland kinderen hebben van wie de ouders nog op de steppe of in de jungle zijn opgegroeid en die hier volledig zijn ingeburgerd. (…) Die kinderen zijn niet alleen waardevol voor onze samenleving, ze vormen bovendien fantastische reclame voor onze openheid, onze economie en ons onderwijs.’ Zou het land niet mooier zijn als men dit vaker zei?

Voor me zie ik een stoet leerlingen, die één voor één door de zware, grote houten deur van de personeelsingang naar buiten lopen. Gedurende de vijf jaar dat ik op het Aloysius zat, was M een van mijn klasgenoten. Van 1B tot 5GA. Toen de school sloot gingen we met z’n negentienen naar dezelfde nieuwe school. Deze huisde in het verleden alleen meisjes, terwijl het Aloysius in dezelfde tijd een jongensschool was. Onze oud-leraar Nederlands werkte al jaren op het Aloysius. Hij vertelde vaak over de geschiedenis van beide scholen. Die man fascineerde mij. Misschien omdat hij ons De aanslag van Harry Mulisch had laten lezen. Het boek maakte indruk op me, hoewel ik het verhaal niet helemaal begreep. Ik had het zo snel mogelijk uit gelezen, maar het feit dat de hoofdpersoon terugging naar zijn ouderlijke huis en de mensen die hij destijds had ontmoet, om zo weer vooruit te kunnen, had me erg geraakt. Die leraar was geliefd in onze klas, al werd hij ook wel eens uitgelachen, bijvoorbeeld toen hij tegen een autistische, zeer intelligente jongen uit ons midden – die haast niets anders deed dan wiebelen op zijn stoel en in discussie gaan met leraren – zei dat hij niet zo veel water moest drinken, want dan zou hij vergiftigd worden. Pas later begreep ik dat zoiets echt kan: mijn manke buurvrouw die om de hoek woont dronk weken achtereen te veel water en belandde in het ziekenhuis.

Een vriendin vertelde ooit dat mensen die vele zonden begaan, Allah niet in hun hart plaatsen of een lelijk karakter hebben grauwe gezichten krijgen. Van het gezicht van M straalde nour af. Toen het Aloysius sloot, was zij een van de klasgenoten met wie ik naar dezelfde school wilde, ik wilde haar niet uit het oog verliezen. Nadat wij beiden op die nieuwe school eindelijk ons diploma hadden behaald, ging zij rechten studeren. Volgens mij wist ze zelf ook niet waarom: voordat ze de knoop doorhakte had ze elke dag een nieuwe studie gevonden die haar toch leuker leek.

Zij was haast dagelijks in de moskee, waar ze bij de meisjesvereniging zat en hielp bij het organiseren van lezingen en activiteiten. Toen twee bekenden mij wijs probeerden te maken dat schrijven een zonde is, vroeg ik haar om advies. Het verwarde me. Schrijven was mijn droom. ‘Geloof moet geen beperking zijn, hè. Het is geen gevangenis. En als er dingen niet mogen, is het omdat het beter is voor jou, jouw gezondheid.’ De islam zou mensen juist gelukkig moeten maken.

Ook dat zou ik nooit vergeten. Het was een geruststelling. Toen ik pas op een vrijdag de moskee in Chinatown, hier in Den Haag, bezocht, moest ik denken aan haar. De nieuwe imam predikte in het Turks, en deels in het Arabisch. Hij had het over gelukkig worden als mens. ‘Wees jezelf. We hebben vandaag de dag allemaal modes ontwikkeld, voor hoe je moet eten, hoe je moet zitten, wat je moet dragen. Maar kijk om je heen: niemand is hetzelfde. Koop wat je wil. Wil je zitten op een bepaalde bank, koop die bank. Wil je zitten op de grond? Doe dat dan. Wees jezelf. En daarnaast: doe kennis op. Kijk een keer Discovery Channel. Je zal je daarna machtig voelen. En als laatst: lees een paar bladzijden uit een boek, je favoriete boek, elke dag.’ Na afloop had ik het er met mijn vriend over dat deze imam vaker zou moeten komen prediken.