Het alternatief voor hitler

DE RECENTE discussie rond Le livre noir du communisme was er weer een illustratie van: zodra nationaal-socialisme en communisme in één adem worden genoemd, slaan bij sommige mensen de intellectuele stoppen door. Tekenend waren de reacties van een aantal (oud-)communisten op de vraag in hoeverre de twee ideologieën met elkaar te vergelijken waren (De Groene, 3 december 1997). Volgens Theun de Vries leken ze in niets op elkaar en was de communistische praktijk ‘de verminking van een oorspronkelijk nobel idee’. Bovendien waren voor deze misdadige interpretatie van een mooi ideaal slechts een handvol leiders verantwoordelijk, terwijl de Duitsers ‘Hitlers gewillige beulen’ waren geweest. Ook Ger Harmsen ziet nog altijd louter verschillen, waarbij zelfs de nationaal-socialistische concentratiekampen niet te vergelijken waren met de communistische, aangezien die ‘aanvankelijk een humane opzet hadden’. Jan Marijnissen wilde op dit soort ‘domme kleuterklasvragen’ niet eens ingaan en zag de uitspraak van de Franse premier Jospin als de hoogste wijsheid: het communisme was de ‘utopie van de gelijkheid’ geweest, het nazisme daarentegen ‘de utopie van de ongelijkheid’.

Als communisme en nationaal-socialisme niets met elkaar te maken hebben, blijven er nogal wat vragen omtrent het recente verleden onbeantwoord. Hoe kwam het toch dat twee regimes die gebaseerd waren op diametraal tegenovergestelde idealen, in de praktijk zo veel op elkaar leken? Wat was nu exact het verschil tussen de Duitse en Russische kampen, tussen SD en GPOe, tussen de razend enthousiaste menigten in Berlijn, Wenen, Moskou en Peking? Hoe was het mogelijk dat nogal wat mensen, ogenschijnlijk zonder veel moeite, overstapten van communisme naar nationaal-socialisme of omgekeerd?
Ook ten opzichte van enkele actuele vragen staat men met de mond vol tanden. Waarom is in Duitsland het neo-nazisme vooral populair in de voormalige DDR? Hoe is het mogelijk dat veel vroegere communistische landen worden geteisterd door een agressief en extreem nationalisme?
Niet zelden wordt op bovenstaande vragen gereageerd met goedkope algemeenheden als ‘macht corrumpeert’, 'opportunisme’ of 'rancune’. Dan kun je net zo goed de 'derde zondag’ uit de Heidelberger catechismus als leidraad nemen en concluderen dat 'wij ganschelijk onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad’ zijn. Maar hoeveel moderne intellectuelen zijn er die dit document zien als hun geestelijk kompas?
(WIE WEL serieus op deze lastige vragen wil ingaan, zal toch onbevangen moeten kijken naar inhoud en karakter van de ideologieën van communisme en extreem nationalisme, waarvan het nationaal-socialisme weer de meest rabiate verschijning was. Een dergelijke onbevangen blik levert het inzicht op dat beide ideologieën een zekere verwantschap toonden, dat ze beschikten over gemeenschappelijke wortels.
Veel is er inmiddels over dit onderwerp geschreven, maar onontbeerlijk is nog steeds de trilogie van de Israëlische historicus Jacob Talmon (1916-1980) over het totalitaire denken. Op schepzinnige en erudiete wijze heeft hij laten zien hoe in de loop van de achttiende eeuw, als reactie op het verstarde absolutisme, geleidelijk aan twee opvattingen van democratie ontstonden. Aan de ene kant is dat de empiristische, liberale democratie die een pragmatische aanpak voorstaat en waarin 'vrijheid’ het hoogste goed is. Daartegenover staat de totalitaire democratieopvatting, die ervan overtuigd is het antwoord op alle maatschappelijke problemen te kennen en die bereid is deze 'waarheid’ desnoods met geweld op te dringen aan iedereen. Niet 'vrijheid’ maar 'deugd’ is hier het sleutelbegrip. En hoe je deugdzaam moet leven, dat bepalen de totalitaire democraten wel voor jou. Pas als je je daaraan geconformeerd hebt, ben je werkelijk 'vrij’.
De politieke denkbeelden van totalitaire democraten bezitten een uitgesproken messianistisch karakter: eens zal aanbreken die schone, klare dag waarop alle mensen op de juiste wijze leven. Daarna zal de eeuwigdurende harmonie een feit zijn en is de geschiedenis voltooid. Om dit gelukzalig eindstation zo snel mogelijk te bereiken is een compromisloze politiek nodig.
Eind achttiende, begin negentiende eeuw ontstonden er binnen het messianistische kamp twee stromingen die we tegenwoordig als elkaars tegengestelden zien, maar die aanvankelijk schouder aan schouder optrokken: socialisme en nationalisme. Na de revoluties van 1848 kwam het tot een breuk en kozen de meeste nationalisten voor de bestaande orde.
Overigens bleven niet alle socialisten binnen het messianistische kamp. Met het ontstaan van een echte arbeidersbeweging evolueerde een deel in de richting van de liberale democratie. Deze sociaal-democraten hadden al spoedig weinig meer gemeen met messianistische socialisten, van wie sinds 1917 de communisten verreweg de belangrijkste stroming vormden.
Maar om terug te komen op de breuk tussen socialistische en nationalistische messianisten, was die wel zo definitief? Waren er nu twee stromingen ontstaan die absoluut niets met elkaar te maken hadden? Wie deze vragen bevestigend beantwoordt - en vooral een (oud-)communist zal dat zeker doen - ziet over het hoofd dat vooral in deze eeuw de scheidslijnen niet altijd even duidelijk te trekken waren. Noemde Hitler zijn beweging niet nationaal-socialistisch? Hadden het Russische, Chinese en Vietnamese communisme niet uitgesproken nationalistische trekken? Koesterden zowel communisten als extreme nationalisten niet een rabiate haat tegen de parlementaire democratie? Stelden beide ideologieën tegenover het liberale individualisme niet het collectivisme?
ALS WE HET communisme en het extreme nationalisme bezien met dit soort vragen in het achterhoofd, valt ons oog al spoedig op allerlei types die zich niet zo gemakkelijk in een van beide kampen laten indelen. Politici, dichters en denkers die soms pendelden tussen de twee stromingen of die er een geheel eigen cocktail van maakten.
Een van die thans nagenoeg geheel vergeten mannen die het bewijs leverden dat de scheidslijn tussen communisme en extreem nationalisme lang niet zo duidelijk was als velen ons willen doen geloven, is de Duitse politicus en theoreticus Ernst Niekisch. Zijn leven was een ware odyssee door het totalitaire, messianistische kamp, waarbij hij voortdurend getracht heeft nationalisme en socialisme te combineren zonder ook maar een moment in de buurt van de liberale, parlementaire democratie te komen. Talmon heeft hem over het hoofd gezien, maar Niekisch vormt het bewijs voor de juistheid van zijn these.
In vrijwel ieder serieus boek over de antidemocratische stromingen in de Weimarrepubliek wordt aandacht besteed aan Niekisch, en zelf heeft hij twee delen, weinig betrouwbare herinneringen geschreven: Gewagtes Leben (1958) en Gegen den Strom (1974). Een goede biografie bestond er nog niet. Met Das Prinzip Widerstand: Leben und Wirken von Ernst Niekisch heeft Birgit Rätsch Langejürgen in deze lacune voorzien, zij het dat het vooral een intellectuele biografie is.
De in mei 1889 geboren Niekisch - hij was een kleine maand jonger dan Hitler - kwam ter wereld in Pruisen. Die toevallige geboortegrond nam voor hem vooral mythische proporties aan dankzij een uiterst ongelukkige, armoedige jeugd in Beieren. Het bezorgde hem een levenslange afkeer van het katholieke, particularistische Zuid-Duitsland.
Niekisch werd onderwijzer en verslond, als zoveel would be-intellectuelen in het begin van deze eeuw, de werken van Nietzsche. In zijn citatenschriftjes noteerde hij de ene oneliner na de andere van de filosoof met de hamer. Enkele van die uitspraken bleef hij tot aan zijn dood trouw, zoals: 'Wat mij niet ombrengt, maakt me sterker’ en 'De erenaam voor middelmatigheid is, zoals men weet, het woord liberaal’.
Niekisch behoorde niet tot de vaag-idealistische, dweperige jeugdbeweging van vlak voor de Eerste Wereldoorlog. Evenmin was hij laaiend enthousiast over het uitbreken van die oorlog, waarin hij vier jaar lang achter het front zou dienen als instructeur. Zijn hart leek links te zitten en begon koortsachtig te bonken toen in november 1917 de bolsjevieken in Rusland de macht grepen. Hij werd lid van de SPD.
Een jaar later leek ook in Duitsland de revolutie uit te breken. Het kostte Niekisch nogal wat moeite zijn houding te bepalen. Eerst pleitte hij voor radicalisering, daarna weer voor matiging. Zijn grote vrees was dat door opstanden zoals die van de Spartakisten het Reich uiteen zou vallen. Reeds toen combineerde hij socialistische opvattingen met het Pruisische ideaal van de sterke staat.
Na de moord op Kurt Eisner werd Niekisch gekozen tot voorzitter van de Centrale Raad in het revolutionaire München. Hij trachtte een gematigde koers te varen, maar was een voorzitter zonder gezag. Nu zou het eigengereide zooitje idealisten, warhoofden en fanatici ook nooit een sterke voorzitter hebben getolereerd.
Niekisch was tegen het uitroepen van de Radenrepubliek op 7 april 1919 en legde zijn voorzitterschap neer. Tot zijn grote woede stond zijn naam wel onder de officiële proclamatie. Toen enkele dagen later de revolutie met veel bloedvergieten door leger en Freikorpsen werd neergeslagen, wist Niekisch te ontkomen. Het duurde enige tijd eer hij gearresteerd werd en uiteindelijk zou hij bijna twee jaar gevangen zitten voor zijn revolutionaire activiteiten.
DE REPUBLIEK van Weimar werd aanvankelijk door Niekisch aanvaard. Niet omdat hij voor de parlementaire democratie was, maar om een terugkeer van de monarchie te voorkomen. Onder invloed van Spengler ging hij in zijn socialisme steeds meer nadruk leggen op plichten in plaats van rechten. Het werd een uiterst autoritair socialisme, waarbij 'het op het individu en zijn vaak wat lachwekkende problemen helemaal niet aankomt’. De arbeiders en de staat vormden een 'untrennbare Schicksalsgemeinschaft’ en het socialisme viel zo dus volledig samen met de nationale gedachte. Bovendien was dat nationalisme sterk op het oosten gericht. Duitsland en Rusland dienden samen op te trekken, uit het westen kwam niets dan rottigheid: kapitalisme, liberalisme, individualisme, democratie, humanisme - kortom: de 'ideeën van 1789’.
Het werd steeds moeilijker voor Niekisch om een politiek onderdak te vinden. Na het debacle van München had hij de SPD verlaten voor de linksere USPD, om deze na enige jaren te verlaten voor de in Saksen ontstane Alten Sozialdemokratischen Partei. Niekisch probeerde deze ideologisch weinig omlijnde partij om te vormen tot een radicale nationalistische en socialistische beweging. Het gevolg hiervan was een electorale ramp, waarna Niekisch in 1928 ook deze partij verliet.
Zijn belangrijkste forum werd nu zijn twee jaar eerder opgerichte tijdschrift Widerstand. Dit vormde het centrum van een informele beweging die bekend staat onder de naam 'nationaal-bolsjevisme’. Niekisch wilde de kracht van Rusland combineren met Duitslands 'Geist’. Hij bewonderde de gewelddadige wijze waarop Lenin en Stalin optraden en theoretisch liet hij zich inspireren door het traktaat Der Arbeiter van Ernst Jünger, met wie hij in de jaren twintig bevriend was geraakt.
NIEKISCH WAS geen echte politicus en hij was zeker geen begenadigd agitator, maar de denkbeelden van deze totalitaire intellectueel oefenden een behoorlijke invloed uit in de kringen van wat doorgaans wordt aangeduid als de Konservative Revolution. Hij mag gezien worden als een van de meest vehemente vijanden van de wankele republiek van Weimar. Historicus Martin Broszat heeft Niekisch en Hitler dan ook eens getypeerd als twee 'feindlichen Brüder’. En Ernst Jünger zag in hem inderdaad een alternatief voor Hitler. In juni 1943 schreef hij in zijn dagboek: 'Deze man had van groot belang voor de Duitse geschiedenis kunnen worden; hij zou de stroom naar een bedding hebben geleid waar macht en geest, die nu gescheiden zijn, elkaar hadden kunnen vinden, en wel zodanig dat onvoorstelbaar veel grotere bestendigheid en onaantastbaarheid waren ontstaan. De demagogen echter beloofden dat alles veel goedkoper kon; tezelfdertijd zagen ze hoe gevaarlijk hij was. Vast staat dat onder zijn leiding de oorlog met Rusland was voorkomen. Ook zou het niet gekomen zijn tot de gruweldaden tegen de joden, die het universum tegen ons vertoornen.’
Voor de rest zou er blijkbaar niet zo veel verschil zijn geweest met het Derde Rijk!
NIEKISCH’ biografe toont aan dat er wel degelijk veel verschillen waren tussen Hitler en Niekisch, maar wat beiden verbond was de abgrundtiefe haat tegen de 'ideeën van 1789’. In één opzicht verschilden ze trouwens zeker als dag en nacht. In tegenstelling tot Hitler was Niekisch beslist geen opportunist. Vandaar dat hij zich na Hitlers Machtübernahme openlijk verzette tegen de nazi’s. Tot eind 1934 speelde hij het klaar om Widerstand legaal te laten verschijnen, daarna was hij tot maart 1937 nog illegaal actief. Dan komt de Gestapo hem halen en verdwijnt hij in de gevangenis. Ziek en nagenoeg blind werd hij eind april 1945 door het Rode Leger bevrijd. Hij sloot zich aan bij de communistische partij en zette zich in voor de totstandkoming van de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands. Bovendien werd hij hoogleraar politicologie aan de Oost-Berlijnse Humboldt-universiteit. Erg lang duurden de wittebroodsweken tussen de nationalistische revolutionair en de stalinisten niet en al spoedig stond hij op een zijspoor. Na de juni-opstand van 1953 brak hij met het regime van Ulbricht.
Dat hij in de Bondsrepubliek nog een rol zou spelen was natuurlijk uitgesloten. Het zou zelfs twintig jaar duren eer hij erkend werd als slachtoffer van de Hitler-terreur. Antifascisten die zelf een andere vorm van totalitarisme hadden voorgestaan, hadden immers wettelijk geen recht op Wiedergutmachung. Verbitterd stierf hij op 23 mei 1967, zijn achtenzeventigste verjaardag.
Een enkele keer duikt zijn naam nog wel eens op in rechts-extremistische hoek, maar sinds de ineenstorting van het communisme en de definitieve inlijving van geheel Duitsland bij het vermaledijde 'Westen’ heeft de naam Niekisch weinig aantrekkingskracht meer. Dat wil overigens niet zeggen dat radicaal socialisme en extreem nationalisme nooit meer een sinister bondgenootschap zullen aangaan.