Het amerikaanse onbehagen

Decennia lang was het duidelijk: als het slecht gaat met de economie, verliest de zittende president de verkiezingen. Maar gelukkig voor Clinton vecht de concurrent intussen een bittere broederstrijd uit. Over de hoofden van de kiezers heen.
VROEGER WAS HET simpel in Amerika. Economische groei betekende dat de president of een partijgenoot de verkiezingen won; recessie garandeerde winst voor de oppositie. Dat dat tegenwoordig iets anders ligt, bleek in 1994, toen de Democraten van president Clinton ondanks de forse economische groei de zwaarste electorale opdoffer kreeg in veertig jaar tijd. De kiezers eisten verandering in Washington en dat was wat de Republikeinen beloofden.

‘Verandering’ was ook het thema dat de presidentsverkiezingen van vier jaar geleden beheerste. Clinton kon zijn mond niet openen zonder het woord te laten vallen. Perot argumenteerde dat beide partijen zo verslaafd waren aan de status quo dat alleen een buitenstaander verandering kon brengen. Zelfs Bush beweerde dat hij de enige was die 'echte verandering’ beoogde. Maar tegen zijn medewerkers klaagde hij dat hij niet begreep waarom de kiezers zo ontevreden waren. De Koude Oorlog was verdwenen. De Golfoorlog had de nationale trots hersteld. De economie kende weliswaar een inzinking, maar de inflatie bleef laag en zelfs de werkloosheid was lager dan onder Carter. 'Ik heb het verdiend om herkozen te worden’, zei Bush bitter.
Clinton daarentegen leek de nervositeit van de kiezers te begrijpen. 'I feel your pain’, zei hij telkens opnieuw tegen afgedankte werknemers en anderen die zich door automatisering en buitenlandse concurrentie bedreigd voelden. Hij beloofde publieke investeringen om werkgelegenheid te scheppen en grootscheepse herscholingsprogramma’s. En net zoals Buchanan vandaag, noemde hij Japan een 'oneerlijke concurrent’ die hij dreigde te bestraffen met invoertarieven. Daarnaast beloofde hij een grondige hervorming van de gezondheidszorg om het snel groeiende aantal Amerikanen die geen of slechts een zeer gedeeltelijke ziekteverzekering hadden, te helpen.
HIJ BRACHT ER niet veel van terecht. Hij vond in het Congres geen meerderheid voor zijn investerings- en herscholingsplannen, en zijn gezondheidszorghervorming zakte als een pudding in elkaar. Ook zijn 'harde handelspolitiek’ tegenover Japan bleek grotendeels bluf. De retoriek laaide hoog op, maar als puntje bij paaltje kwam, schrok Clinton er toch voor terug om een handelsoorlog tegen Japan te lanceren.
Uiteindelijk veranderde er bijna niets aan het economisch beleid in Washington. De krachtlijnen van Bush - vermindering van het begrotingstekort en verruiming van de vrijhandel - waren ook die van Clinton. Zoals Bush probeerde hij dat eerste doel te bereiken met een onpopulaire combinatie van belastingverhoging en bezuinigingen. En zoals Bush ijverde hij voor de goedkeuring van vrijhandelsverdragen - Nafta en Gatt - die bitter bestreden werden door de vakbonden. De Amerikaanse economie kende intussen een cyclische heropleving. Maar terwijl de economie groeide en de werkgelegenheid steeg, stagneerden de lonen, groeide de kloof tussen rijk en arm en nam het sociale onbehagen toe.
'Verandering’ was opnieuw de slogan tijdens de Congresverkiezing van 1994. Het werd een referendum over de status quo dat Clintons partij een verpletterende nederlaag opleverde. Nog nooit waren zoveel zittende Congresleden weggestemd. Voor het eerst sedert Truman werden de Republikeinen opnieuw de meerderheidspartij. Ze interpreteerden hun overwinning als een mandaat voor de uitvoering van hun Contract with America, ook al bleek uit peilingen van kiezers dat de meesten onder hen geen flauw benul hadden wat er in dat 'contract’ stond. Ze wisten wel dat ze ontevreden waren. Als Clinton geen verandering kon brengen, moest hij maar plaatsmaken voor de oppositie, zo redeneerden velen.
Het hoofddoel van het Contract with America was de eliminatie van het begrotingstekort. Om dat te bereiken pasten de Republikeinen het codewoord van de prive- sector in de jaren negentig toe op de publieke sector: downsizing, het wegsnijden van alle niet-essentiele kosten, werknemers incluis. Ze begonnen met een brutale aanval op alle vormen van sociale bijstand. Die kon op vrij veel steun rekenen. Zoals de New York Times schreef: 'De middenklasse, die het zelf steeds moeilijker krijgt, is steeds minder bereid om haar belastinggeld te laten gebruiken voor sociale programma’s voor de minstbedeelden.’ Maar die sociale programma’s vormen slechts een relatief klein deel van de totale begroting. En je hebt nu eenmaal een minimaal aantal uitgaven nodig om te beletten dat mensen sterven van honger. Om het begrotingstekort te elimineren, moesten de Republikeinen ook het mes zetten in overheidsuitgaven die de middenklasse, het gros van de kiezers, begunstigden.
Dat gaf Clinton een opening. Terwijl hij zich meegaand had getoond zolang de Republikeinen de armsten te pakken namen, begon hij zijn veto te gebruiken toen ze populaire programma’s als de ziekteverzekering voor bejaarden wilden kortwieken.
De begrotingsruzie, die nog altijd voortsleept, was in feite het begin van de campagne voor de presidentsverkiezingen. Clinton maakte er gebruik van om zich op te werpen als verdediger van de sociale verworvenheden. En de Republikeinen gebruikten deze om de president af te schilderen als 'het enige obstakel voor echte verandering in Washington’, zoals senaatsleider Dole, de Republikeinse koploper, in bijna elke speech opmerkt. De politici hadden hun wapens gekozen: het begrotingsdebat zou de inzet van de verkiezingen worden. Maar toch leek dit debat zich grotendeels over de hoofden van de kiezers af te spelen.
Het publiek reageerde korzelig toen de patstelling tussen Clinton en het Congres tot twee keer toe de sluiting van niet-essentiele overheidsdiensten veroorzaakte. Uit opiniepeilingen bleek dat de meeste kiezers de schuld bij beide kampen legden, maar het meest bij de Republikeinen, omdat die zich het onverzoenlijkst opstelden.
IN OKTOBER 1995 schreeft Stephen Roach, hoofd van de economische dienst van Morgan Stanley, in een rapport voor klanten van de investeringsfirma dat de verkiezingscampagne wel eens een heel ander thema zou kunnen krijgen dan de strijd tegen het begrotingstekort. 'Terwijl de compensatie van werknemers, als deel van het nationaal inkomen, in de afgelopen jaren daalde, zijn de bedrijfswinsten dramatisch gestegen’, aldus Roach. 'Hoe logisch de verklaringen voor die kloof ook mogen zijn, de combinatie van ontslagen, stagnerende lonen en een groeiende inkomenskloof dreigt een reactie te veroorzaken (…) er is een groeiend risico van sociale en economische spanningen.’ Roach voorspelde dat werknemers hun ontevredenheid zouden luchten in de verkiezingen en waarschuwde investeerders dat dit zou kunnen leiden tot 'reflatoire economische maatregelen in de komende jaren’. 'De zogenaamde meerderheid in de publieke opinie voor de vermindering van het begrotingstekort - en de bezuinigingen die daarmee gepaard gaan - staat op het punt om overspoeld te worden door een golf van werknemersprotest’, aldus Roach.
Als Bob Dole dit rapport in oktober onder ogen had gekregen, had hij het wellicht baarlijke nonsens gevonden. Hij schilderde zijn 'komend presidentschap’ af als 'de tweede etappe van de Republikeinse revolutie’. Als ervaren senaatsleider, zo legde hij uit, was hij de aangewezen man om de strijd tegen het begrotingstekort te leiden en de nodige bezuinigingen door te voeren. Maar in februari, enkele dagen voor de voorverkiezing van New Hampshire waarvan hij zelfverzekerd voorspeld had dat hij ze zou winnen, stamelde hij bedremmeld: 'Ik had er geen idee van dat werkgelegenheid en buitenlandse handel de thema’s zouden worden in de verkiezingen.’
Pat Buchanan, die volgens experts te extreem-rechts was om een meer dan marginale rol te spelen in het kiesgebeuren, won in New Hampshire omdat hij wel begreep dat de ontevredenheid van vele kiezers niets te maken had met het begrotingsdebat. Zijn meetings leken vaak op vakbondsvergaderingen, met Buchanan in de rol van volksmenner die applaus oogste met scherpe aanvallen op 'de hebzucht van big business’. 'Als de belangen van big business en Amerika niet meer samenvallen, dan kies ik voor Amerika’, zo donderde hij. 'Als de grote bedrijven fabrieken verhuizen naar andere landen en hier arbeiders ontslaan, dan kies ik voor de arbeiders.’ Columnisten die Buchanan op voorhand hadden afgeschreven, zochten haastig naar een verklaring voor zijn succes. Een echte reden is er niet, schreef George Will, want Amerika heeft het nog nooit zo goed gehad. Het land is welvarend, de werkgelegenheid groeit, de inflatie is laag, de beurs breekt record na record… Misschien is Buchanans succes een gevolg van verveling. 'Hoe welvarender een maatschappij wordt’, aldus Will, 'hoe ontvankelijker ze wordt voor de prikkels van politici die beweren dat alles slecht gaat.’ Een theorie die illustreert hoe sommige van de meest gezaghebbende journalisten in een ivoren toren leven.
Sedert 1979 verloren 43 miljoen Amerikanen hun baan. Toch groeide de totale werkgelegenheid in die periode met 27 miljoen. Maar 65 procent van diegenen die na ontslag een nieuwe baan vonden, moesten genoegen nemen met een lager loon en slechtere arbeidsvoorwaarden. Vele van de nieuwe banen zijn tijdelijk of parttime. Uitzendbureau Manpower is nu de grootste werkgever van het land. De economische heropleving heeft wel de bedrijfswinsten dramatisch doen stijgen, maar het ontslagritme is nauwelijks vertraagd. Ook in de jaren van groei ontvingen meer dan drie miljoen Amerikanen per jaar een ontslagbrief.
Het feit dat de economische groei gepaard gaat met groeiende onzekerheid, maakt vele Amerikanen angstig. Als dit de goede tijden zijn, zo vragen ze zich af, wat wordt het dan in de volgende recessie? Volgens een peiling van de New York Times zijn de Amerikanen nog nooit zo pessimistisch geweest over de economische toekomst als vandaag.
Buchanan had succes omdat hij die onrust begreep en verwoordde terwijl alle andere kandidaten deze negeerden. En omdat hij de ontevredenen, die zich het slachtoffer voelen van ongrijpbare economische krachten, een duidelijke vijand gaf: Japan, de illegale immigranten, enzovoorts. Buchanans bezorgdheid over de arbeiders gaat natuurlijk niet erg ver. Hij klaagt de loondaling aan, maar is tegen de verhoging van het minimumloon. Hij vaart uit tegen de ontslagen, maar kant zich tegen elke fiscale bestraffing van bedrijven die hun fabrieken naar lage-lonenlanden verhuizen. Zijn protectionisme is slechts het economisch uitvloeisel van zijn isolationisme, dat zich ook uit in oppositie tegen de Verenigde Naties en andere internationale organisaties die volgens hem de Amerikaanse soevereiniteit aantasten.
BUCHANAN WORDT financieel gesteund door textielindustrielen en andere bedrijven die lijden onder de globalisering van de wereldeconomie. Maar de meeste grote Amerikaanse bedrijven maken door de uitbreiding van de vrijhandel enorme winsten. Voor het gros van de Republikeinen zijn de standpunten van Buchanan dan ook een anathema. Vele Republikeinen die Dole een weinig inspirerende kandidaat vonden, slikten hun twijfels in om Buchanan de pas af te snijden. Dat verkleinde de kansen van Lamar Alexander, die zich zonder Buchanan misschien had kunnen verkopen als een frisser alternatief voor de bejaarde Dole. Met zijn dure reclamecampagne blijft multimiljonair Forbes roet gooien in het anti-Buchanan-eenheidsfront.
Het lijkt uiteindelijk bijna onafwendbaar dat Dole de Republikeinse nominatie in de wacht zal slepen. Niet zonder kleerscheuren echter. In plaats van Clinton te bestrijden, vechten de Republikeinen een ongemeen bittere burgeroorlog uit over 'the heart and the soul of the party’, zoals zowel Dole als Buchanan het uitdrukken. Die oorlog wordt gevoerd met modder en leugens, die bij vele kiezers weerzin oproepen. Clintons populariteit wordt er enkel groter door. In scherp contrast tot twee jaar geleden, zien zijn herverkiezingskansen er goed uit.
Degene die wint, zal hoe dan ook de confrontatie moeten aangaan met het groeiende gevoel van economische onzekerheid. Alle beloften van 'verandering’ ten spijt, lijkt geen enkele kandidaat een geloofwaardig plan te hebben om het probleem bij de wortel aan te pakken en te voorkomen dat Stephen Roachs voorspelling over groeiende sociaal-economische spanningen werkelijkheid wordt.