Het anale waterland

Zielig hoor, om geen Franse wijn meer te mogen drinken. Er is hier toch al zo weinig om vrolijk van te worden. Of het moeten al die dikke, brildragende Nederlanders zijn die elkaar liefkozend ‘poepie’ noemen. Solange Leibovici over het harde leven van de Fransman in Nederland.
DE BEAUJOLAIS primeur is gearriveerd, maar wordt hier dit jaar met argwanend dedain bejegend. De Australische shiraz en de Zuidafrikaanse sauvignon (nog niet zo heel lang geleden zelf op de zwarte lijst) doen het duidelijk beter. Terwijl juist deze wijn bij Nederlanders altijd bijzonder in de smaak viel. Hij is nieuw en dus een beetje avontuurlijk, hij is jong en nog lekker rasperig, en vooral: hij is niet duur. Voor een paar gulden maak je indruk op je gasten.

Dat Nederlanders hem niet meer wensen te drinken, heeft dan ook niets te maken met een plotselinge verbetering van hun smaak: de beaujolais is het symbool geworden van een land waar zij in de zomer massaal naartoe trekken, maar eigenlijk van gruwen. Want Frankrijk is een mooi land, maar er moesten geen Fransen wonen. Dat zijn allemaal criminelen die onder het mom van grandeur en prestige schepen opblazen en kernbommen laten ontploffen, en daarvoor door het kleine fiere Nederland terechtgewezen moeten worden. De behoefte om de wereld te vertellen hoe het moet, waarbij wordt uitgegaan van de superioriteit van de Nederlander, vermengde zich ditmaal met de oude gevoelens van haat tegen alles wat Frans is.
De dominees gingen de straat op om te demonstreren tegen de Franse kernproeven, het verontwaardigde wijsvingertje in de aanslag, en gooiden en passant de ruiten in van het respectabele Maison Descartes. Nu gaan ze Frankrijk de economische genadeslag toebrengen door geen Franse wijnen meer te drinken. Zij hebben een grote vaardigheid ontwikkeld in het beschuldigen van de ander. Ik heb niemand de straat op zien gaan om te protesteren tegen de schandalige onkunde en de corruptie die de IRT-affaire aan het licht bracht, om de houding van Nederlandse militairen in Srebrenica aan de kaak te stellen of om Shells grootste aandeelhoudster te vragen zich meer te bemoeien met de vervuiling in Ogoniland. De eigen dwalingen doen er schijnbaar niet zo toe. Heeft de bijbel daar niet iets diepzinnigs over gezegd?
Dat landen als Australie en Nieuw- Zeeland fel protesteren tegen de cynische brutaliteit van Frankrijk is alleszins te begrijpen. Wat mij betreft had het nog harder gemogen, maar misschien zijn ze daar al blij dat ze nu eindelijk als wijnland worden erkend. Maar dat supermarkten Franse produkten boycotten, is volslagen ridicuul; negentig procent van de Nederlanders is slechts in een ding geinteresseerd, en dat is geld. Het zal ze worst wezen dat er ergens ver weg kernproeven worden gehouden; als dat in China gebeurt hoor je ook niemand klagen.
LAAT IK VOOROPSTELLEN dat ik geen voorstander ben van kernproeven en dat ik ook niet op Chirac heb gestemd. Hoewel ik Frans ben, kan niemand mij beschuldigen van overdreven francofilie. Ik bezit geen cd’s met Franse chansons, mijn culinaire voorkeur gaat uit naar Thais, ik hoef niet per se om de paar weken naar Parijs en de afgelopen jaren heb ik zo vaak over het Franse fascisme en antisemitisme geschreven dat ik nooit in aanmerking zal komen voor een onderscheiding voor zonen en dochters in den vreemde die de Natie naar tevredenheid hebben gediend. In tegenstelling tot de meeste Fransen die hier wonen spreek ik accentloos Nederlands en ik ken de Nederlandse samenleving op m'n duimpje. Ik hoor hier thuis, ik wil niet terug, daarbij heb ik in de loop der jaren zoveel premies en belasting betaald dat ik daar enige rechten aan mag ontlenen. Vooral dit laatste argument zal ongetwijfeld indruk maken.
Frankrijk ken ik ook heel goed. Het is een land van hartstochten en tegenstrijdigheden. Er is het France profonde, het traditionalistische Frankrijk van de provincie en de boeren, katholiek, nationalistisch en xenofoob. Daar denkt men nog steeds dat de natuur er alleen is om door de mens uitgebuit te worden en vindt men de hasjwalmen uit de Amsterdamse coffeeshops gevaarlijker dan nucleair afval. Maar er is ook het moderne, progressieve Frankrijk, waar de mensen werkelijk geinteresseerd zijn in andere landen en andere culturen. Daar wordt echt wel getwijfeld of alles wat Frans is wel zo goed is, daar wordt gedebatteerd over politieke kwesties, over het Franse nationalisme of de collectieve schuldvraag aan de collaboratie en de Algerijnse oorlog. In Nederland wordt zelden getwijfeld, en is de discussie over de dekolonisatie nooit echt van de grond gekomen. Nederlanders achten zichzelf niet in staat tot massamoorden en vreemdelingenhaat. Zij houden zich liever bezig met oude koeien en weigeren bijvoorbeeld een bejaarde landwachter die zijn verdiende straf heeft uitgezeten, een verblijfsvergunning te verlenen.
Nederlanders vinden zichzelf slim en efficient. Net als Duitsers zijn Nederlanders Weltmeister. (Nieuwe Fuhrer Louis van Gaal, brallend op het Museumplein: ‘Wij zijn de besten! Wij zijn de besten! Wij zijn de besten!’) Zij zijn zo overtuigd van hun superioriteit dat een gesprek over hun eventuele falen meestal op niets uitloopt. De Frans- Nederlandse communicatie verloopt op dit punt uiterst moeizaam, en dat geldt niet alleen voor de diplomatie.
Veel Franse vrouwen die hier wonen, waren eens met een Nederlander getrouwd. Die huwelijken eindigen bijna altijd in scheiding. De Franse meisjes trokken naar het noorden in de ban van mistige stranden, de romantische grachten van een kosmopolitische hoofdstad, en een blonde, introverte, misschien iets saaie maar betrouwbare vreemdeling die hun taal met zo'n grappig accent sprak. Al vrij snel bleek dat het in Nederland altijd mist, ook als de zon schijnt; dat de grachten stinken en Amsterdam even gevaarlijk is als de gemiddelde derde-wereldstad; dat het voor Fransen een bijna onmogelijke opgave is om die rochelende taal te leren; en dat dat spannende introverte een tamelijk vergaande gevoelsarmoede verbergt. Nederlandse mannen moeten eerst tien jaar in therapie voor zij iets van hun emoties durven prijs te geven. Maar dan slaan ze meteen weer door, worden feminist en al te politiek correct. Erg trouw zijn ze ook al niet: hoewel Nederlandse mannen over het algemeen niet als de meest fantastische minnaars gelden, is vreemdgaan hier een minstens even geliefde sport als voetballen. 'Je moet wel heel veel van de Nederlander houden om hem een beetje aardig te vinden’, schrijft Henk Propper in Waterlanders, waarin de auteur met Frans aandoende ironie Nederland aan Fransen verklaart. Dat is zeker waar als je met een Nederlander bent getrouwd.
Zelf verhuisde ik niet geheel vrijwillig uit Parijs naar Amsterdam, maar vol goede wil en vastbesloten er iets van te maken. Het aanpassingsproces heb ik als nogal traumatisch ervaren. De totaal verschillende eetgewoonten waren een bron van dagelijkse verwondering. Op zondag werd er ’s morgens geluncht in plaats van ontbeten, en dan was er niets tot het kommetje soep om vier uur. Tomaten, die in die tijd alleen in de zomer te krijgen waren, werden op brood genuttigd, met suiker erop, als betrof het rijpe aardbeien. In restaurants gold toast met gebakken champignons als een buitenissige delicatesse. Ik moest het doen met waterig-kruimige piepers, tot puree gekookte lof, aangemaakt met maizena en opgevrolijkt met nootmuskaat, vezelig vlees en vette jus, en de appelmoes daar overheen gedrapeerd. Ik leerde dat sla met zoete slasaus dient te worden aangemaakt en dat boter eigenlijk margarine betekent. En iedereen hier was groot en dik en droeg een bril, en maakte de indruk toch redelijk tevreden met zichzelf te zijn.
WAT MIJ VOORAL opviel aan Nederlanders, was hun botheid. Ik dacht toen dat dit kwam omdat wij in een volksbuurt woonden, maar ontdekte snel dat die Hans Wiegel-typen in driedelig blauw daarin voor de eerste de beste Jordanees niet onderdoen. Bot is trouwens een typisch en onvertaalbaar Nederlands woord; het is een eigenschap die Nederlanders tot een ware deugd weten te verheffen, en als mensen zeggen: 'Wat een botterik!’ gaat dat vaak met een geamuseerd lachje gepaard.
Botheid betekent bijvoorbeeld dat je bij iemand juist de aandacht vestigt op dingen waar je over zou moeten zwijgen, zoals grote voeten of een puist op de neus; dat je op iemands tenen trapt en hem vervolgens aankijkt alsof hij zich dient te verontschuldigen; dat je topless op een Arabisch strand gaat zitten. Maar het is vooral de onwil om je eigen houding of gedrag ter discussie te stellen, de onwankelbare overtuiging van het eigen gelijk, het onvermogen om je in een ander te verplaatsen.
Veel buitenlanders die de Nederlander hebben bestudeerd, spreken ook wel van ongemanierdheid. Allemaal werden zij getroffen door het vermogen dat Nederlanders ten toon spreiden om hun negatieve eigenschappen als positief te beschouwen. De Amerikaanse socioloog Derek Phillips schreef in De naakte Nederlander: 'Of het nu aan tafel, op straat, in winkels, in de bioscoop, bij concerten, thuis of in het buitenland is, de Nederlander is vaak grof, onhoffelijk, onhebbelijk en denkt niet aan anderen, in een mate die voor vele buitenlanders nogal onthutsend is. Maar dit gebrek aan manieren en aan stijl lijkt voor vele Nederlanders bijna iets om als volk prat op te gaan.’ Ook de Portugese schrijver Jose Rentes de Carvalho verbaasde zich hierover in Waar die andere God woont: 'Voorkomendheid in de omgang is hier beslist geen alledaags verschijnsel. Het wordt beschouwd als zwakheid, het brengt risico’s met zich mee. Wie voorkomend is, wordt opzij geschoven. De Nederlandse manier van leven laat zich niet verenigen met hoffelijkheid, attenties, beschouwt deze als overbodig. Wie attent is wekt argwaan.’
Nuchterheid is een gebrek aan verbeelding die de vorm van totale fantasieloosheid kan aannemen, een onvermogen om te dromen of gewoon gek te doen - gek doen wordt ook al snel hysterisch gevonden. Doe maar gewoon… Daar staat weer tegenover dat de Nederlander zich schaamteloos kan laten gaan temidden van gelijkgestemden, wanneer de drank rijkelijk heeft gevloeid en Ajax heeft gewonnen. Dan vallen de remmingen weg, en wil hij zich nog wel eens laten overhalen om storende elementen in het stedelijke landschap te vernielen.
Nuchterheid komt voort uit liefde voor het alledaagse en het gewone. Een Nederlander krijgt snel indigestie van hoge cultuur: hij houdt meer van natuur, en Nederlandse cineasten maken mooie documentaires maar slechte speelfilms. Hij laat zich eerder door beelden meeslepen dan door woorden, misschien uit eerbied voor de Heilige Schrift. Net als de Nederlandse cuisine is de Nederlandse literatuur een te verwaarlozen randverschijnsel. Helaas, evenmin als Rentes de Carvalho is het mij vergund geweest hier 'een van die boeken tegen te komen die men zijn leven lang bij zich houdt, die men herleest en waarin men van tijd tot tijd bladert om een emotie opnieuw te ondergaan of een vervaagde indruk te verlevendigen’.
Zuinigheid is de wortel van alle typisch Hollandse eigenschappen. De Hollander is zuinig op zijn geld (op = op), zijn grond (vol = vol), zijn emoties. Hij leent niet uit en geeft niet graag weg, ook niet zichzelf, hij houdt meer van krijgen en verdienen. En mag hij eens per jaar met Koninginnedag echt plezier hebben en uit z'n bol gaan, dan weet de ene helft van de natie niets anders te bedenken dan een kleedje op straat te leggen om daarop half vergane spullen te verkopen, terwijl de andere helft op zoek gaat naar interessante transacties. Lol maken is hier met geld verbonden en dus een serieuze zaak, waar kinderen al zeer vroeg in worden getraind.
IN NEDERLAND MAG de verbeelding niet aan de macht, zij wordt onder het tapijt geveegd, samen met het huisstof. Ondanks het feit dat de straten bezaaid liggen met weggegooide rotzooi en dierlijke uitwerpselen, waardoor je de blik altijd op de grond gericht moet houden tijdens het wandelen, scoren reinheid en zuiverheid hoog bij dit anale volkje, waarschijnlijk het enige ter wereld waar de geliefde teder met 'poepie’ of 'scheet’ wordt aangesproken.
De Nederlandse analiteit is vooral merkbaar aan de overheersende behoefte aan controle; de Nederlander is graag de baas over zichzelf, de zee, het land, de stad. Hij kan het niet laten om straten en pleinen in kleine repen te veranderen die hij rijstroken noemt. Brede lanen beangstigen hem en worden verdeeld in dunne linten voor de auto, de bus, de tram, de fiets. De weinige pleintjes worden tot levensgevaarlijke rotondes omgetoverd. Voor de voetganger blijven slechts iele paadjes over, afgebakend door fallussymbolen. De Nederlander is bang voor lege ruimten, en hoewel hij er niet tegenop ziet om de paar overgebleven bomen om te hakken, zet hij overal bankjes, bloembakken of reclameborden neer als remedie tegen zijn pleinvrees. Alles wordt nijver in kaart gebracht, afgegrensd, omhuld, voorgesorteerd en in stukjes gesneden. Nederland is niets anders dan een uitvergrote versie van Madurodam.
Dit geheel van eigenschappen waar Nederlanders prat op gaan maar die in het buitenland niet als bijzonder aangenaam worden ervaren, maakt de Nederlander totaal ongeschikt voor hoge functies op internationaal niveau. Zoals Henk Propper het opmerkt: 'Al eeuwenlang gelden de Nederlandse diplomaten als de onhandigste, lompste, goedgelovigste, meest doorzichtige en welwillende ter wereld.’ Liever een suspecte Belg, een saaie Deen of een Navo-vijandige Spanjaard dan zo'n betweterige Hollander die zijn grote oranje neus overal in wil steken, zullen de Amerikanen gedacht hebben. Ruud Lubbers vertegenwoordigt inderdaad, zoals Hans van Mierlo het trots verkondigde, 'het beste wat we hier hebben’. En dat is nu precies waar andere landen niet op zitten te wachten.
Het ergste is nog dat als je lang hier woont, je op een dag ontdekt dat de hollanditis ook jou te pakken heeft. Ertegen vechten heeft geen zin. Je betrapt jezelf erop dat je het liefst met KLM vliegt, op koude winterdagen een stamppotje niet eens zo smerig vindt, en in winkels net zo voordringt als de anderen. En wanneer iemand je naar het hoofd slingert dat je moeite hebt om jezelf te geven, vraag je je af of je altijd zo koel was.
Tussen de Nederlander en de Fransman gaapt een onoverbrugbare kloof. De Fransman hindert dit niet, want het enige volk wat hem werkelijk interesseert zijn de Duitsers, die hij mateloos verafschuwt en bewondert. Henk Proppers lofwaardige poging om Fransen uit te leggen wie die 'Waterlanders’ eigenlijk zijn, zal vrees ik in Frankrijk vrij onopgemerkt blijven, net als de talloze vertalingen die Nederlandse letterkundige produkten op de Franse markt moeten introduceren. Dat kunnen de Nederlanders niet goed hebben, en om die reden bezetten zij eens per jaar en masse het Franse land, om te laten zien dat zij wel degelijk bestaan en dat er rekening met ze moet worden gehouden.
Dan breken er voor de Fransen angstige tijden aan. Wraakzuchtig trekken de Tetes de fromage zuidwaarts via de route du Soleil, kankerend dat Fransen niet kunnen rijden terwijl zij levensgevaarlijke manoeuvres uithalen in hun met bruine bonen volgepakte caravans. Als hongerige spreeuwen strijken zij neer in de speciaal voor hen opgetrokken goedkope wegrestaurants, waar zij enorme hoeveelheden patat verorberen, diep verontwaardigd dat daar geen mayo bij wordt geserveerd. Zij laten campings en stranden achter in bergen afval. Luid schreeuwend banen ze zich een weg door middeleeuwse kloosters en Romeinse ruines, om zich heen spiedend of er niet iets te jatten valt. Benieuwd wat voor wijn zij volgende zomer in de Ardeche en de Dordogne zullen drinken. Meegenomen Limburgse? Vast niet. Veel te duur.