Omstreden medicijn tegen werkloosheid

Het andere nivelleringsfeestje

In een half jaar tijd heeft Nederland er ruim honderdduizend werklozen bij gekregen. Heel voorzichtig groeit de steun voor een oplossing die tot voor kort taboe was: wat nou als we allemaal minder zouden werken?

Nederland wordt gespleten door een tijdkloof. Over de verschillen tussen jong en oud, arm en rijk, autochtoon en allochtoon wordt al jaren gesteggeld. Maar in de crisis komt een andere breuklijn aan het licht. Over die groeiende tegenstelling, tussen aan de ene kant de Nederlanders die druk, gehaast en gestrest zijn, en aan de andere kant degenen die smachten naar betaald werk – daarover gaat het zelden.

Afgelopen week maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) de nieuwste cijfers over de arbeidsmarkt bekend. Die waren, zoals verwacht, opnieuw beroerd. Het afgelopen half jaar kwamen er ruim honderdduizend werklozen bij. Inmiddels bedraagt de werkloosheid 8,5 procent. Tegelijkertijd kampen velen die (nog) wel een baan hebben met hoge werkdruk. Ondanks de sukkelende economie is de gemiddelde werkweek sinds de crisis slechts met minder dan één uur geslonken. Ruim een kwart van de werknemers werkt structureel over, zo blijkt uit de meest recente Nationale Enquête Arbeids­omstandigheden, uit 2011. Meer dan driekwart zegt onder hoge tijdsdruk te werken. Bij goed één op de acht medewerkers leidt dat zelfs tot burn-outklachten.

Eén en één is twee: als een steeds groter deel van de bevolking getroffen wordt door gedwongen werkloosheid terwijl de rest worstelt met hoge werkdruk, waarom de beschikbare banen dan niet eerlijker verdelen? Een kortere werkweek dus. Niet eens omdat vrije tijd zo fijn is, maar als crisismedicijn. Lange tijd was dat vloeken in de kerk. In 2008 voorspelde de commissie-Bakker een acute krapte op de arbeidsmarkt. Nog recenter pleitte d66 voor een langere werkweek, wat volgens werkgeversorganisatie vno-ncw ‘een interessant idee’ was. En vorige zomer stelde de Rotterdamse hoogleraar culturele economie Arjo Klamer in Trouw de ‘kostbare’ Nederlandse vakanties ter discussie: ‘Een paar vakantiedagen inleveren zou alle overheidstekorten oplossen.’ Daarmee zou meteen paal en perk gesteld worden aan een decadente gewoonte: ‘Zonnen op de stranden van Thailand terwijl we in Nederland ook veel strand hebben.’

Inmiddels klinken er heel andere geluiden. In februari pleitten meer dan honderd Duitse wetenschappers, politici en vakbondsactivisten in een open brief voor ‘een eerlijke verdeling van werk door een collectieve arbeidstijdverkorting’. Twee maanden later kwam ook de fnv met een plan om de hoge werkloosheid te bestrijden. Onderdeel van het ‘generatiepact’ was arbeidstijdverkorting voor oudere werknemers, bijvoorbeeld in de bouw. Zij kunnen zo plaats­maken voor jongere collega’s.

‘Het is ontzettend zonde dat er nu een generatie jong spul van school komt met talenten en mogelijkheden die ze aan de straatstenen niet kwijt kunnen’, zegt Catelene Passchier, vice-voorzitter van de fnv. ‘In zo’n situatie kun je niet anders dan ruimte maken voor elkaar. Arbeidstijdverkorting dus. Tijdelijk, zeg ik erbij. Want nu is er oplopende werkloosheid, maar over vijf tot tien jaar is naar mijn mening nog altijd iedereen nodig. Die periode moeten we zien te overbruggen.’

Hoe, daarover wordt op dit moment, als uitvloeisel van het sociaal akkoord tussen werk­gevers en werknemers, in verschillende sectoren gesproken. Een interessante aanzet ziet Passchier in de ‘80/90/100-regeling’, die in de grafische sector en de chemische industrie is afgesproken. Werknemers werken nog maar tachtig procent, krijgen daarvoor negentig procent van hun gebruikelijke loon maar bouwen voor honderd procent pensioen op. Ook de deeltijd-WW, die aan het begin van de crisis enige tijd gold maar waarop later kritiek kwam, is en blijft een goed idee, vindt Passchier. ‘Dat was heel nuttig om de toename van de werkloosheid te dempen. En werkgevers konden op die manier geschoold personeel vasthouden. Helaas heeft Nederland die maatregel vrij krenterig ingevoerd, zeker vergeleken met een land als Duitsland. Dat heeft ze daar geen windeieren gelegd.’

Het klinkt zo simpel: verdeel het werk dat er nog is, en iedereen gaat erop vooruit. Werknemers houden (of krijgen) een baan, werkgevers raken goed personeel niet kwijt en de overheid bespaart op uitkeringen. Een nieuw nivelleringsfeestje, maar dan van tijd. Toch ziet de regering er vooralsnog weinig in. In reactie op vragen van SP-Tweede-Kamerlid Paul Ulenbelt wees pvda-minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken het idee resoluut van de hand. ‘Uit onderzoek blijkt dat dergelijke maatregelen in het verleden niet hebben geleid tot meer werkgelegenheid in personen en een lagere werkloosheid’, schreef Asscher. Sterker nog, minder werken zou paradoxaal genoeg tot hogere werkloosheid leiden: ‘Verkorting van de werkweek vernietigt op termijn werk en inkomen.’ In plaats van minder werken, is het streven van het kabinet nog altijd om de arbeidsparticipatie te vergroten. Dat is ook wat de Europese Commissie Nederland steevast aanbeveelt. Méér werken dus.

De bekendste van de ‘maatregelen in het verleden’ waar Asscher over spreekt, is de arbeidstijdverkorting in de jaren tachtig. Op het dieptepunt, in 1984, stonden 841.000 Nederlanders als werkloos geregistreerd. Twee jaar daarvoor al, in het Akkoord van Wassenaar, waren werkgevers en vakbonden tot de conclusie gekomen dat de schaarse banen die er waren eerlijker verdeeld moesten worden over de bevolking. In veel cao’s werd een 38-urige, soms zelfs een 36-urige werkweek afgesproken.

Over de resultaten van die arbeidstijdverkorting lopen de meningen uiteen. Tegenstanders zien er het bewijs in dat minder werken niets uithaalt. Inderdaad deed het de werkloosheid in de jaren tachtig niet substantieel dalen – al liep die ook niet verder op. Maar in een vorig jaar verschenen studie trok Paul de Beer, bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam, een heel andere conclusie. Het argument dat minder werken in de jaren tachtig al eens geprobeerd en mislukt is, klopt volgens hem niet. De reden: buiten de publieke sector heeft er nooit een echte arbeidstijdverkorting plaatsgevonden. ‘De werkweek werd in de jaren tachtig weliswaar verkort van 40 naar 38 uur, maar deze arbeidstijdverkorting is nauwelijks omgezet in een daadwerkelijk kleiner aantal gewerkte uren.’ Vermoedelijk nam het aantal onbetaalde overuren toe. Wat in elk geval wél hielp tegen de werkloosheid was deeltijdwerk. Aan de groei daarvan kunnen volgens De Beer bijna vierhonderdduizend extra banen worden toegeschreven.

Veel andere economen laten zich daardoor niet overtuigen. Hun bezwaren vloeien voort uit een ander idee van hoe de arbeidsmarkt werkt. Zij wijzen op de zogenoemde ‘lump of labour fallacy’: de misvatting dat er zoiets als een vaststaande voorraad banen is. Maar zo werkt het niet volgens deze economen, waar ook minister Asscher zich op lijkt te beroepen. De oplossing voor de werkloosheid ligt volgens hen eerder aan de aanbodzijde. Het moet lonen voor werkgevers om de productie op te schroeven en mensen aan te nemen. Dat betekent dat óf de lonen omlaag moeten, óf de productiviteit omhoog – en liefst beide.

‘Ik ben ervan overtuigd dat we in ons deel van de wereld meer moeten gaan werken voor minder geld’, reageert Ton Wilthagen desgevraagd. De hoogleraar arbeidsmarktbeleid aan de Universiteit van Tilburg staat op het punt om op vakantie te gaan, maar is graag bereid nog even te reageren op de kwestie. ‘Crisis of niet, in de toekomst zullen we meer uren moeten draaien om onze boterham te verdienen. Onze productiviteitsvoorsprong op landen als China zal alleen maar afnemen. Dat is de harde werkelijkheid.’

In zo’n situatie is werk delen een luxe die we ons niet kunnen veroorloven, meent Wilt­hagen. ‘Laatst hoorde ik op de radio iemand van GroenLinks betogen dat we allemaal achttien uur per week moeten gaan werken. Dat klinkt natuurlijk heel sympathiek. Maar er zijn empirisch weinig voorbeelden van dat zo’n arbeidstijdverkorting werkt. Ook structureel is het een stap in de verkeerde richting. We moeten de koek groter zien te maken, in plaats van alleen maar herverdelen.’

De banenkoek moet groter – daar zullen in deze crisis weinigen iets tegenin durven brengen. Maar het is de vraag of dat gaat lukken op de wijze die wetenschappers als Wilthagen voor ogen staat: door het arbeidsaanbod groter en goedkoper te maken. Is dat werkelijk waar werkgevers zich hier en nu door laten leiden bij de vraag of ze nieuwe mensen aannemen? Speelt onzekerheid over de beroerde afzet – wie koopt straks mijn spullen of diensten – niet een veel grotere rol in deze crisis?

In dat geval kan het wel degelijk zin hebben om het beschikbare werk gelijkmatiger te verdelen. Dat is althans de boodschap van een omvangrijke studie van de International Labour Organization (ilo) die vorige maand verscheen onder de titel Work Sharing during the Great Recession. Onderzoekers bekeken zulke maatregelen over de hele wereld. Ze kwamen tot een, in het licht van de bezwaren vanuit de politiek, opvallende conclusie. ‘Of het nou in Duitsland, Japan of Turkije is: het blijkt behoorlijk goed te werken’, vertelt Jon Messenger, de arbeids­tijdendeskundige onder wiens redactie de studie verscheen, vanuit Genève. ‘Tegelijkertijd werd in landen als Griekenland, Spanje en Portugal helemaal geen gebruik gemaakt van deze instrumenten. Ik zeg niet dat dat ze gered had, maar het had ze zeker niet geschaad.’

Messenger onderscheidt twee vormen van ‘werk delen’. Ten eerste zijn er tijdelijke programma’s in crisistijd, zoals de deeltijd-WW, bedoeld om zo veel mogelijk ontslagen te voorkomen. Ten tweede zijn er voorbeelden waarbij overheden actief een blijvend kortere werkweek promoten om de werkgelegenheid te bevorderen. Zo introduceerde Frankrijk kort na de eeuwwisseling een 35-urige werkweek. Beide benaderingen kunnen zinvol zijn, meent Messenger, mits goed uitgevoerd. ‘Het is niet de magische silver bullet, maar het is wel degelijk een maatregel die je prima kunt gebruiken in de wereldwijde banencrisis.’

Daar is ook fnv’er Passchier van overtuigd. ‘Herverdeling van werk gaat de economische problemen niet oplossen. Maar het kan de pijn wel verdelen.’ Tussen de ramen van haar snikhete werkkamer hangt een kleine, ingelijste poster van de oude Industriebond fnv met een zon erop: ‘36 uur – kort en goed’. De werkloosheid aanpakken door extra scholing, mensen van werk naar werk begeleiden en stageplekken creëren: ze vindt het prima. Maar in de huidige crisis is meer nodig, stelt Passchier. ‘Als ik met dat verhaal van werk naar werk op bouwvakkers af stap, dan zeggen ze: “Toedeloe, waar is dat werk?” En terecht.’


De 21-urige werkweek

Massawerkloosheid is niet de enige reden om minder uren te gaan werken. In een enkele jaren geleden verschenen rapport noemt de Britse denktank New Economics Foundation (NEF) een reeks andere argumenten: van overconsumptie tot stress, van klimaatverandering tot een gelijkwaardige taak­verdeling tussen de seksen.

Om dat te bereiken stelt NEF een 21-urige werkweek voor. Hoe? Een mogelijke aanpak zou zijn om, over vele jaren verspreid, een klein percentage loonsverhoging in te leveren voor een kortere werkweek. Tijd in ruil voor geld dus. Dat moet volgens het rapport wel gepaard gaan met extra maatregelen: om het inkomensverlies voor met name weinig verdienenden te compenseren, overwerk te ontmoedigen en personeelstekorten in specifieke sectoren te voorkomen.


Beeld: Scheveningen, 22 juli. Peter Hilz, HH