‘het anticommunisme was binnen de pvda een obsessie’

Een gesprek met de schrijver van Voor recht en vrijheid: De Partij van de Arbeid en de Koude Oorlog 1946-1958. Stichting Beheer IISG, Amsterdam, 365 blz., f48,-
NEDERLAND IN DE jaren vijftig: er werd hard gewerkt aan de wederopbouw van het geschonden vaderland; de lonen waren laag; het enige vertier bestond uit een spelletje ganzenbord op zaterdagavond; over politiek en vakbewegingsaangelegenheden werd in rokerige achterafkamertjes net zo lang gekonkelfoesd tot er een waterig compromis uit de bus kwam.
Zie hier het beeld van een periode die door velen wordt beschouwd als het synoniem van saaiheid. Om het schrikbeeld nog erger te maken wordt erbij verteld dat dit tevens de periode van de Koude Oorlog was. Oorlog is erg, maar koude oorlog klinkt nog veel beroerder.

Op 3 juni promoveerde Frits Rovers op een proefschrift over de PvdA in de Koude Oorlog. Hij laat zien dat de Nederlandse politiek in de jaren 1946-‘58 allesbehalve saai was. Daarnaast toont hij aan dat er binnen de PvdA zeer levendig werd gedebatteerd over tactische en ideologische vraagstukken. Bovendien maakt Rovers duidelijk dat het felle anticommunisme van de sociaal-democratie niet alleen begrijpelijk maar ook in hoge mate gerechtvaardigd was.
Rovers: 'Anticommunisme gold als iets verwerpelijks, iets waarvoor de PvdA zich moest schamen. Er werd echter aan voorbij gegaan dat het anticommunisme binnen de Nederlandse sociaal-democratie altijd een goed onderbouwde traditie is geweest. Gezien haar beginselen en geschiedenis kon de PvdA niet anders dan anticommunistisch zijn, dat was voor een democratische partij vanzelfsprekend.
Anticommunisme was binnen de Nederlandse sociaal-democratie een traditie die terugging tot de scheuring van 1909. En het was niet zozeer een strategische als wel een principiele keuze. De SDAP hoefde zich voor 1940 weinig zorgen te maken over de CPN. Bij de verkiezingen van 1946 behaalde de CPN weliswaar tien procent van de stemmen en had de partij de grootste fractie in de Amsterdamse gemeenteraad, maar toch stelde het communisme in Nederland nog steeds niet veel voor.
De vraag is dus waarom de PvdA zich zo druk maakte. Waarom werd het anticommunisme veel sterker benadrukt dan in de jaren dertig? Doorslaggevend hierbij waren de ervaringen met het nationaal-socialisme, de persoonlijke ervaringen met een totalitair regime. Door wat men had meegemaakt leken, vooral na 1947, Stalin en Hitler ineen te vloeien tot een demonische figuur. Uiteraard waren beide dictators niet gelijk, maar dat weten we nu - toen was het veel moeilijker om het verschil te zien. De buitenlandse politiek van de Sovjetunie, de manier waarop ze de akkoorden van Jalta met voeten had getreden, de opstelling van de CPN - voor de tijdgenoot leek dat sterk op het optreden van Hitler en van de NSB zo'n tien jaar eerder.’
'DE CPN SPAARDE bovendien kosten noch moeite om zich het imago van een vijfde kolonne aan te meten. Deels was dat provocatie, voor een deel gebeurde dat ook onbewust. In de memoires van Henk Gortzak staat dat hij zich beslist niet bewust was dat de oproep in 1948 om het Praagse voorbeeld te volgen, zoveel zou losmaken. De CPN realiseerde zich niet dat de sociaal-democraten zich fysiek bedreigd voelden. In 1933 had de SDAP werkeloos moeten toezien hoe de Duitse zusterpartij ten onderging, nu zagen ze hoe in Oost-Europa hun geestverwanten monddood werden gemaakt.
Wanneer een partij als de CPN oproept om dit voorbeeld in Nederland te volgen, is het natuurlijk niet vreemd dat de PvdA bijzonder fel reageert. Overigens hebben niet alleen de communisten dit verkeerd ingeschat, ook latere historici hebben zelden begrepen wat zo'n oproep losmaakte. Meestal werd er nogal badinerend geschreven over het felle anticommunisme van de sociaal-democratie, met als argument dat het nooit in de bedoeling van de CPN heeft gelegen geweld te gebruiken. Maar hoe konden PvdA'ers weten dat de Nederlandse communisten vredelievende bedoelingen hadden?’
Henk Gortzak heeft meermalen gezegd dat ook in Nederland doden zouden zijn gevallen als de CPN aan de macht was gekomen.
'Ook Jan van Seggelen, de voormalige directeur van uitgeverij Pegasus, heeft onlangs nog dergelijke uitspraken gedaan. Hoewel het inderdaad de vraag is of de communistische partij hier anders zou hebben opgetreden dan in Oost-Europa, blijft zoiets pure speculatie. Een historicus moet kijken naar wat de mensen toen redelijkerwijs mochten verwachten. In dat licht is de houding van de PvdA begrijpelijk.’
Toch neemt u enige afstand van het wel zeer rabiate anticommunisme van mensen als Klaas Voskuil, hoofdredacteur van Het Vrije Volk, of partijvoorzitter Evert Vermeer.
'Het anticommunisme was binnen de PvdA een obsessie. Het was daardoor vaak erg pathetisch. Zoiets is alleen te verteren als het bijvoorbeeld wordt gecompenseerd door heldere analysen of geloofwaardige argumenten. Voor een man als Scheps, die bijzonder pathetisch was, heb ik een zwak, maar Voskuil vind ik ongenietbaar. Bij Scheps wortelde het anticommunisme in een diepe overtuiging, terwijl Voskuil de indruk wekt dat het weinig meer was dan een ritueel om wille van electoraal gewin. Vorrink was ook zo geobsedeerd door het communisme omdat hij nu eenmaal bijzonder gefascineerd was door het kwaad en door de macht. In feite keek Vorrink op tegen de nazi’s en communisten omdat zij de massa’s zo feilloos wisten te regisseren.
Het anticommunisme van mensen als Den Uyl en De Kadt was van een heel ander kaliber. Het was veel serieuzer. Voor Den Uyl was juist de felle afwijzing van het communisme een reden om zich af te vragen wat het socialisme dan wel moest inhouden. De Kadt wist zijn obsessie te koppelen aan wetenschappelijke distantie. Zijn proza schoot dikwijls ver door, maar je vindt er zeer intelligente analysen in. De Kadt was vaak grof, maar het ging bij hem wel om inhoud. Zijn bezwaren waren gericht tegen de opvattingen van mensen. Als die afweken van de zijne waren die mensen of dom of naief. Wat hij echter niet deed, was goedkoop psychologiseren. Zijn tegenstanders deden dat wel en veronderstelden dat er met zijn persoonlijkheidsstructuur iets aan de hand was. Dat vind ik onbehoorlijk.’
Een van de mensen die dat deden was bijvoorbeeld dominee Buskes. In linkse kring gaat deze predikant nog altijd door voor een soort pilaarheilige, maar bij u komt hij er niet al te best van af.
'Het probleem met Buskes was dat hij er diep in zijn hart niet van overtuigd was dat de houding van het Westen moreel juist was. Hij had een erg naief beeld van de tweedeling tijdens de Koude Oorlog. Buskes riep voortdurend dat communisten ook mensen waren - alsof het daarom ging. Buskes en andere christelijke sociaal-democraten waren van mening dat de kloof met het communisme overbrugbaar was, dat een goed gesprek wonderen zou doen. Buskes wees het communisme af, maar hij vond ook dat het Westen niet deugde; de decadentie van het Westen was minstens even erg als de onderdrukking in het Oostblok.’
U schrijft dat het Koude-Oorlogsdenken in de PvdA minder werd gevoed door de angst voor een nieuwe oorlog dan door de angst voor een nieuwe bezetting.
'Volgens mij was dit cruciaal. Het gold sterk voor mensen als De Kadt en Frans Goedhart, die altijd fel tekeer gingen, maar het gold in feite voor de gehele leiding. De ervaringen tijdens de Duitse bezetting waren traumatisch geweest. Een oorlog voeren, daar waren die sociaal-democraten wel toe bereid, maar een bezetting moest koste wat het kost worden vermeden.’
DOOR DE OPKOMENDE vredesbeweging werd daarentegen altijd sterk de nadruk gelegd op de verschrikkingen van een nucleaire oorlog. Had dit ook te maken met het feit dat steeds meer mensen de bezetting niet hadden meegemaakt?
'Zeker, dat verklaart ook de ongekende heftigheid waarmee de sociaal-democraten die DS'70 oprichtten, zich keerden tegen de generatie van 1968. Die snotneuzen wisten niet wat het betekende om bezet te worden en leken bereid zich willoos over te leveren aan de Russische beer. Dit was natuurlijk een achterhoedegevecht. Door het vervagen van de herinneringen aan de bezetting groeide de angst voor een nucleaire oorlog, en daarmee de invloed van de vredesbeweging.
Nu moet worden gezegd dat er in de PvdA - maar dat gold voor vrijwel alle partijen - lange tijd erg simplistisch over een atoomoorlog werd gedacht. Als je je handen maar goed waste liep het met die radioactiviteit wel los.’
Hoewel Drees toch ook de verschrikkingen van de bezetting aan den lijve had ervaren, was zijn anticommunisme veel minder obsessief dan dat van bijvoorbeeld De Kadt en Goedhart. Zo was hij, in tegenstelling tot die twee, tegen het opvoeren van de druk op de Sovjetunie.
'Om te beginnen kostte het opvoeren van de druk, door middel van bewapening, veel geld. Daar hield Drees niet van. Maar belangrijker is dat Drees een volstrekte rationalist was. Hij geloofde niet in de agressieve bedoelingen van de Sovjetunie. Zijn anticommunisme was niet emotioneel maar abstract-ideologisch van karakter. Het communisme was antidemocratisch en daarom deugde het niet. Het had voor hem echter niet dat demonische dat het voor veel andere sociaal-democraten wel had. Drees zag dat Stalin geen Hitler was, dat de buitenlandse politiek van de Sovjetunie niet zo irrationeel was als die van het Derde Rijk.’