Het antisemitisme doorvorst

IK ONTMOETTE Léon Poliakov voor het eerst in 1989. Hij was op dat moment 79 jaar oud, maar nog zeer actief. Hij woonde in een eenvoudige flat in een buitenwijk van Parijs. In zijn kleine werkkamer viel me een halve plank op die gevuld was met de verzamelde werken van Freud, allemaal in het Duits. Als historicus was hij ooit een pionier in het hanteren van Freuds methodiek om wat in onze samenleving verdrongen was, naar boven te halen. Later zou hij zich van die zogenaamde ‘psycho-history’ distantiëren.

Poliakov had Duits leren lezen toen hij, na de vlucht van zijn familie uit Petersburg ten tijde van de Russische Revolutie, een tijd in Berlijn op school had gezeten. Daarna vestigde de familie zich in Parijs. Daar werd Léon Poliakov, toen in 1944 het Centre de Documentation Juive Contemporaine werd opgericht, specialist in het bestuderen van de achtergebleven Gestapo-archieven. Ook trad hij op als deskundige voor Frankrijk in het proces tegen de oorlogsmisdadigers in Neurenberg. Daarover schreef hij zijn eerste belangrijke boek, Breviaire de la haine (1951), dat overigens alleen kon verschijnen dankzij de steun van zijn leermeesters Raymond Aron en Alexander Kojève - in die jaren bestond er immers nog maar nauwelijks aandacht voor de jodenvervolging.
Een andere plank in zijn boekenkast werd in beslag genomen door de Encyclopedia judaica, waaruit Poliakov een kort artikel te voorschijn toverde over mijn vader, Marcel Henri Bregstein, hoogleraar burgerlijk recht aan de Universiteit van Amsterdam. Poliakov vertelde dat hij zelf in de jaren dertig rechten had gestudeerd. Net als mijn vader had hij voor de oorlog behoord tot het ‘geassimileerde jodendom’. Pas in de oorlog was hij in contact gekomen met een chassidische rabbijn in Marseille, die hem, ondanks zijn atheïsme, had gevraagd zijn secretaris te worden. Tijdens zijn onderduik bracht weer een andere joodse denker, Jacob Gordin, die in dezelfde streek zat ondergedoken, hem met de Talmoed in aanraking.
IN 1964 PROMOVEERDE Poliakov bij de historicus Fernand Braudel. Maar Braudel wilde hem niet in dienst nemen. Als overtuigd aanhanger van joodse assimilatie meende hij: 'Zolang u zich met antisemitisme bezighoudt, komt u bij mij niet verder.’ Met de steun van Braudels leerlingen Lucien Febvre en Leroi Ladurie kreeg Poliakov uiteindelijk een positie bij het CNRS (Centre National de Recherche Scientifique). Daar gaf hij vanaf 1970 de serie colleges die beroemd werden onder de naam 'Colloquia van Cerisay’.
Gedurende al die tijd werkte Poliakov aan zijn grote project, dat uiteindelijk zijn beslag zou krijgen in de vier kloeke delen die onder de titel Histoire de l'antisémitisme zouden verschijnen. 'Ik wilde een tegengeschiedenis schrijven van de westerse beschaving’, zei Léon Poliakov over zijn monumentale levenswerk. Die tegengeschiedenis betreft de eeuwenlange onderstroom van anti-judaïstische en antisemitische ideeën, die uiteindelijk uitmondde in de Duitse massamoord op de joden.
MAAR POLIAKOVS historische onderzoek reikte nog verder dan alleen deze onderstroom. Hij speurde ook naar de bronnen van het antisemitisme, zoals in De arische mythe (1971), het enige boek van hem dat in het Nederlands is vertaald. Daarin toont hij aan hoe de Verlichtingsfilosofen aan de wieg hebben gestaan van de latere rassentheorieën en het moderne antisemitisme. In La causalité diabolique (1980-1986) gaat hij weer een stap verder en behandelt hij allerlei complottheorieën. Hij analyseert diepgravend de beruchte Protocollen van de Wijzen van Zion, maar hij gaat ook in op de vervolging van de jezuïeten in de negentiende eeuw, en op Lenins en Stalins theorieën over een kapitalistisch wereldcomplot. In weer andere publicaties trekt hij fel van leer tegen de verblindheid waarmee niet alleen in de Sovjetunie en in de Arabische wereld, maar ook in linkse kringen in West-Europa tegen de politiek van Israel werd geprotesteerd.
In feite had hij daarmee zijn thematiek verbreed tot wat hij 'hedendaagse variaties op het antisemitisme’ noemde. Daaronder verstond hij vooral het naoorlogse antizionisme. Israel was in zijn ogen 'de jood onder de naties’ geworden. Desalniettemin stond Poliakov ook kritisch tegenover de religieus-nationalistische ideologie die in Israel in toenemende mate werd gecultiveerd. Hij citeerde graag zijn leermeester Kojève: 'Jullie die zo'n groots volk zijn, jullie willen Albanezen worden?’
Wat betreft zijn verbondenheid met het judaïsme en Israel was Poliakov overigens verwant aan Abel Herzberg. Hij kwam althans tot een zelfde soort conclusies: Hitler wilde de joden uitmoorden om daarmee de fundamentele waarden te vernietigen die het jodendom had ontwikkeld. Die waarden waren door het christendom overgenomen en later in de rechten van de mens neergelegd. Maar ondanks de fatale rol die het christelijk anti-judaïsme eeuwenlang heeft gespeeld stond Poliakov de laatste jaren veel positiever tegenover het christendom, vooral sinds het Tweede Vaticaanse Concilie, en vooral ook nadat de Franse katholieke kerk zich kritisch had opgesteld in de polemiek rond het Karmelitessenklooster in Auschwitz.
EEN ANDERE naoorlogse variatie op het antisemitisme, het 'negationisme’, dat wil zeggen de ontkenning van de realiteit van de gaskamers, nam hij nooit erg au sérieux. De bewijzen waren daarvoor te onontkoombaar en te algemeen bekend. 'Door hem (de negationist Robert Faurisson - phb) een proces aan te doen hebben ze van een pias een belangrijke figuur gemaakt.’ Het revisionisme van Ernst Nolte vond hij daarentegen veel gevaarlijker: Nolte ontkent de shoah niet, maar bagatelliseert en relativeert die. Hoewel hij zelf ver van het marxisme stond, meende Poliakov: 'Het communisme was een ontaarde utopie, het nazisme een handboek voor de veeartsenij. Stalin heeft nooit systematisch kleine kinderen en oude mensen willen uitmoorden. Hitler wel.’
Poliakov benadrukte ook dat bij de Wannsee-conferentie van 1942 alleen de strategie voor de massamoord op de joden is besproken; de beslissing had Hitler al begin 1941 genomen. Revisionisten als Nolte stellen echter dat Hitler de beslissing pas nam na de inval in Rusland in 1941 en dat de ontdekking van Stalins massamoorden hem als voorbeeld zou hebben gediend.
AAN HET SLOT van mijn bezoek aan hem vertelde Poliakov me dat hij bezig was een colloquium voor te bereiden in het Goethe-Instituut in Parijs over Hitlers euthanasieprogramma voor geestelijk gestoorden, dat als voorproef voor Auschwitz was bedoeld. Poliakov zag hierin een bewijs voor de rassenwaan van Hitler. Ook de massamoord op de joden zou slechts het begin zijn van een gigantische uitroeiingsoperatie die alle 'onzuivere raselementen’ zou betreffen en zou moeten resulteren in een 'Arische Herrenrasse’.
Ook maakte hij er gewag van graag een geschiedenis van het naoorlogse antisemitisme te willen schrijven - als het ware het vijfde deel van zijn Geschiedenis van het antisemitisme. Maar hij meende dat hij niet meer de energie zou hebben om jarenlang archiefwerk te doen. Ik opperde dat hij onder zijn leiding een team zou kunnen men dat het werk zou kunnen doen. Een week later kreeg ik een brief: 'Uw idee voor een “vijfde deel” is niet aan dovemansoren gericht geweest.’
Daarmee begon een jarenlange samenwerking, die uitmondde in Histoire de l'antisémitisme 1945-1993, 'sous la direction de Léon Poliakov’ (Editions du Seuil, 1994; De Groene publiceerde in april van dat jaar een vertaling van het hoofdstuk dat over Nederland handelt).
WAARSCHIJNLIJK al van jongst af aan, maar zeker op hoge leeftijd, paarde Poliakov grondig historisch onderzoek aan een opmerkelijke lichtheid van geest. Elke keer weer kon hij enthousiast worden over een goed boek dat hij net had gelezen, of woedend over een alom geprezen maar volgens hem slecht boek. Nog dit jaar publiceerde hij een scherpe kritiek op Goldhagens Hitlers Willing Executioners. Maar Victor Klemperers dagboeken, over de oorlogsjaren in Dresden, legde hij naast zijn bed om er elke dag weer een willekeurige pagina van te lezen.
Poliakov bleef tot aan het eind van zijn leven onstuitbaar productief. In 1994 publiceerde hij L'impossible choix: Crises d'identité juives, met een reeks rake portretten van onder anderen Franz Kafka, Otto Weininger, Marcel Proust en Jacques Presser (over het hoofdpersonage uit diens Nacht der Girondijnen). Hij had ook nog graag over het proces tegen de van oorlogsmisdaden verdachte Papon willen schrijven. In 1990 antwoordde hij op mijn vraag waarom Franse oorlogsmisdadigers als Papon, Bousquet en Legay nooit waren berecht en Barbie wel: 'Omdat Barbie een Duitser was! Ik heb al in 1951 geschreven dat er tijdens de Franse collaboratie minder joden zijn omgekomen dan bijvoorbeeld in Nederland. Maar vanuit het oogpunt van morele gezondheid was het Frankrijk van Vichy iets heel abjects.’
SAMEN MET ZIJN iets jongere vrouw Germaine vormde hij een van die zeldzame, ook na vijftig jaar samenleven nog eeuwig jonge echtparen. Zij, bruisend van energie, gaf aan kinderen muziekles, terwijl hij in de kamer ernaast aan het werk was. Hij was weinig geïnteresseerd in muziek, maar bezocht trouw het jaarlijkse concert van haar amateurkoor in een Parijse buitenwijk. Na zijn tachtigste leerde hij nog van een kleinkind om op een tekstverwerker te werken, waar hij intensief en speels gebruik van maakte.
Bij mijn laatste bezoek liet hij me enkele pagina’s zien van zijn manuscript over de islam, voor hem het meest brandende probleem in verband met hedendaags antisemitisme. Jaren had hij eraan geschreven, zich inwerkend in een voor hem nog onontgonnen gebied. Twee weken later zou hij naar Israel gaan. Hij vertelde me dat hij in Jeruzalem enkele islam-deskundigen wilde raadplegen. Hij reisde bijna elk jaar naar Israel om er zijn oudere zuster te bezoeken, die al voor de oorlog naar Palestina was gegaan. De laatste keer reisde hij erheen op de dag van de moord op Rabin, een gebeurtenis die hem diep schokte.
Voor ik wegging toonde hij me ook nog trots twee net verschenen boeken met zijn naam in het Russisch op de kaft: 'Ik ben weer terug in Rusland!’ lachte hij triomfantelijk. Voor het eerst was hij in zijn land van herkomst gepubliceerd. Dat was een week voordat hij tijdens een familiesamenzijn bewusteloos raakte. Léon Poliakov, de agnostische vrijdenker, werd, zoals hij dat zelf wenste, op een Parijse begraafplaats volgens de joodse tradities begraven.