Het aperitief van fictie

‘Ik zou u kamer 104 kunnen geven, dat is zo een heel mooie, nieuwe designkamer’, zegt de receptioniste van het hotel. 'Maar ik heb uw laatste boek gelezen en volgens mij bent u echt een badmens.’
Even sta ik vastgenageld aan de vloer. Die laatste zin bevat namelijk twee mededelingen die wat tijd nodig hebben voordat hun volle betekenis neerdaalt. Eén: het is hier in Hotel du Parc in Oostende kennelijk de normaalste zaak van de wereld dat receptionistes boeken lezen, en dan nog wel boeken buiten de mainstream. Twee: uit mijn laatste boek is af te leiden dat ik 'een badmens’ ben. Zoals anderen de wereld in honden- en kattenmensen verdelen, zo doen ze dat in hotels tussen douche- en badmensen. De glimlach waarmee ze het zegt lijkt te willen verraden dat ze met die laatste categorie meer sympathie heeft. Ik protesteer niet, al was het maar omdat ze gelijk heeft.
'Toe’, roept de vrouw naar een collega, 'kunnen we meneer Weijts niet de 205 geven?’
Rechts van de receptie hangen ingelijste foto’s. Op eentje ervan herken ik Jeroen Olyslaegers, de auteur die vóór mij in dit hotel writer in residence is geweest. De andere beroemdheden herken ik niet, afgezien van tv-presentator Marcel Vanthilt, die in Vlaanderen nog veel meer doet dan Tien voor taal presenteren, waar wij hem van kennen.
De 205 zal worden 'gekuist’, en terwijl dat kuisen gaande is - dat van mij helemaal niet hoeft, ik heb geen principiële bezwaren tegen onkuisheid in hotelkamers - raadt de receptioniste mij aan een 'filterkoffietje’ te drinken in hun brasserie.
Die is volledig in art deco-stijl ingericht, waarmee ik bedoel dat het is alsof ieder ogenblik Miss Marple kan komen binnenwandelen. Sterker nog, ze zit er al, op een bankje onder de spiegelwand, met exact zo'n filterkoffie voor zich, die ik dadelijk ook op mijn zwartmarmeren tafelblad krijg geserveerd: een klein torentje van zilver en glas, waarin de koffie neerdruppelt.
Buiten glijdt een tram ('Knokke’) door rails geflankeerd met scheefgewaaide kerstbomen zonder lichtjes. Als ik om me heen kijk, zitten er nog een stuk of acht Miss Marples. In het rookgedeelte zit Hercule Poirot met een sigaar en een grote bokaal Leffe voor zich.
Realiteit is het aperitief van fictie. Dat is de slogan waarmee dit bier zich hier op televisie afficheert. Nee, dat verzin ik niet; het is echt waar. Bovendien is het een geslaagd aforisme. Wie hebben ze daar bij Leffe als tekstschrijver weten te strikken?
Een land waar hotelreceptionistes recente Nederlandse romans lezen en waar biercopywriters zulke zinnen schrijven, daar wil ik gerust even writer in residence zijn. Bovendien is mijn laatste boek, een novelle, hier in België zeer uitvoerig en lovend gerecenseerd, terwijl die in Nederland volstrekt onbesproken bleef. Toen ik daar tegenover een Vlaamse radiojournaliste mijn verwondering (laat ik het zo maar noemen) over uitte, reageerde ze: 'Ah ja, je bent nu een van ons hè?’
Zo is het. Ich bin ein Belg. Alhoewel, zo ingeburgerd als Charlotte Mutsaers hier in Oostende is, zo ver zal ik het wel nooit schoppen. Charlotte Mutsaers is zoiets als de patroonheilige van Oostende: op elke straathoek stuit je op haar naam en portret. Alle boekhandels hebben haar werk prominent in de etalage liggen. En let wel: dit speelt zich begin december af, nog vóór zij de P.C. Hooftprijs zal krijgen. Daarna zal de gekte wel helemaal zijn toegeslagen. Ik voorspel Mutsaers-mutsjes, Mutsaers-sjaaltjes en Mutsaers-suikerwafels. Later ontdek ik hoe het zit: bij de Venetiaanse Gaanderijen aan het strand is recent een tentoonstelling over haar en met haar werk geopend.
Een stukje verderop word ik geïnterviewd in een zaaltje met zicht op zee. Op zondagochtend. Gewoonlijk kenmerken zulke evenementen zich door de bijna totale afwezigheid van publiek. Maar er is zowaar nog flink wat volk.
'Wij hebben uw werk in onze leesclub gelezen’, verklapte een gesoigneerde man na afloop. Weer stond ik versteld. Van Hollandse leesclubs zijn doorgaans alleen dames en juffrouwen lid. 'En wij vroegen ons af: dat meisje Julíe dat u op het einde opvoert, dat leek ons een verwijzing naar Rousseau’s Julie, ou La nouvelle Héloïse.’ Het laatste woord gaf hij zo'n mooie zwierige intonatie mee, als in halleluja, dat ik haast niet durfde te bekennen dat ik dat boek nooit gelezen had, en dat mijn Julie vernoemd is naar een meisje dat ik op een camping had leren kennen.
Ja, realiteit is het aperitief van fictie. En op diezelfde manier zullen mijn dagen in Oostende het aperitief vormen van de fictie die ik straks van haar maak.
Dat het allemaal niettemin echt waar is, bewijst mijn foto, ingelijst aan de wand naast de receptie van Hotel du Parc.