Het archief dat zoek was

DE EERSTE DIE WE van de vondst op de hoogte stellen is professor Isaac Lipschits, emeritus hoogleraar eigentijdse geschiedenis aan de Universiteit van Groningen. Hij reageert onthutst. ‘De rillingen lopen me over de rug bij het zien van deze kaartjes. Er is naar gezocht. We wisten dat ze hebben bestaan. Ik heb meerdere keren aan het ministerie van Financiën gevraagd of de Liro-administratie nog bestond. En zo ja, waar ze dan lag. Ik kreeg te horen dat er niets meer was. Men vertelde me dat het archief waarschijnlijk was vernietigd. Dit materiaal is uitzonderlijk belangrijk voor het onderzoek naar de eigendommen van de joodse vervolgingsslachtoffers. De overheid kan het nu niet meer verdonkeremanen.’

Ook professor H. Loonstein, woordvoeder van de Federatie Joods Nederland, vertelt dat hem door het ministerie van Financiën meermalen te verstaan is gegeven dat het Liro-acief niet meer bestaat. En ook hij is een moment sprakeloos als hij hoort dat De Groene een deel van het archief gevonden heeft. Loonstein: ‘Dit is een bijzonder unieke vondst. Het was volstrekt onbekend dat dit nog bestond.’
DE GROENE trof het archief aan in het pand langs de Amsterdamse Herengracht waarin tot 1979 het Agentschap van het Ministerie van Financiën huisde. Het Agentschap heeft tot taak de staatsschuld te beheren. Rond 1961 kwam het Liro-archief in handen van deze dienst. Tegenwoordig huist in het oude pand van het Agentschap een acht man sterke kraakwacht, grotendeels bestaande uit studenten. De uiterst gevoelige informatie was tot voor kort toegankelijk voor iedereen die door het immense pand rondzwierf: bewoners en hun vrienden, maar ook potentiële kopers die van de beheerder een rondgang door het huis kregen. Wie terecht kwam op de bovenste verdieping, stuitte daar op een vochtige, nauwelijks onderhouden ruimte met een tiental archiefkasten, waarvan sommige op slot, andere met openstaande laden. Eén van die geopende laden bevatte het deel van het Liro-archief. De gevoelige informatie lag bijna letterlijk op straat.
Het ministerie van Financiën reageert geschrokken op de ontdekking van het archief. R. Florisson, woordvoerder van minister Zalm van Financiën: 'Dit had nooit mogen gebeuren. We hadden veel beter moeten opletten. Onze zorg is nu dat onnodig leed voorkomen wordt. Alles wat te maken heeft met joodse tegoeden ligt erg gevoelig. We zitten hier ontzettend mee in onze maag. We kunnen niet precies zeggen wie hiervoor verantwoordelijk is. De huidige minister niet, lijkt me. Bij hem ligt nu uiteraaardwèl de verantwoordelijkheid voor een zo goed mogelijke afhandeling van deze zaak.’
Sommige van de teruggevonden kaarten zijn, blijkens stempels en aangehechte correspondentie, begin jaren zestig bekeken door het Cadsu, het Centraal Afwikkelingsbureau voor Duitse Schade-uitkeringen. Het Cadsu legde toen de Duitse overheid veertigduizend claims van vervolgden en nabestaanden voor. De gemaakte kosten waren voor rekening van de joodse slachtoffers zelf. Een deel van het Cadsu-archief is in beheer van het ministerie van Financiën, een ander deel is in handen van de Stichting Joods Maatschappelijk Werk.
Voorzitter Vuijsje van het Joods Maatschappelijk Werk bevestigt dat altijd is gedaan of het Liro-archief vernietigd was. Vuijsje: 'Er is ons nooit verteld dat het archief nog bestaat. Dit zijn heel belangrijke documenten. Het is een wonder dat ze nog bestaan en het is heel ongelooflijk en pijnlijk dat ze nu in een leegstaand pand worden teruggevonden. Wij worden nog steeds benaderd door mensen die eigendommen van hun familie kwijt zijn. Als via deze kaartjes kan worden getoond wat met hun spullen is gebeurd, dan is het voor hen van het grootste belang dat zij zo snel mogelijk inzage krijgen.’
OP DE MEESTE kaarten staan kleine, vaak zeer persoonlijke waardeartikelen vermeld. Vergulde horloges, sieraden, een zilveren vulpenhouder, alles afkomstig van joden die met naam en adres staan vermeld. In sommige gevallen luidt het adres kortweg: Kamp Westerbork. Andere kaarten bevatten een omschrijving van rijker bezittingen, waaronder kunstwerken. Vaak is aangetekend waar de bezittingen zijn opgeslagen. In vrijwel alle gevallen is opgetekend aan wie de goederen zijn verkocht. Dat waren, zo blijkt, zeker niet uitsluitend nazi-organisaties. Het materiaal toont hoe Nederlandse overheidsinstanties, veilinghuizen, winkels en particulieren zich over de rug van hun joodse landgenoten verrijkten.
De aantekeningen op de kaartjes laten zien dat de Nederlandse overheid niet overdreven veel moeite heeft gedaan om de overlevenden van de holocaust dan wel hun nazaten schadeloos te stellen. Begin jaren zestig, na oprichting van de Cadsu, is in sommige gevallen gepoogd bezittingen en personen op te sporen. Aan een systematisch onderzoek van het gehele, vele details bevattende archief heeft de Nederlandse overheid zich nooit gewaagd.
DE KAARTEN BLIJKEN afkomstig van de door de Duitsers opgerichte roofbank Lippmann-Rosenthal Sarphatistraat. Via deze bank, kortweg Liro, plukten de nazi’s de Nederlandse joden systematisch kaal alvorens ze te deporteren. Joden moesten vanaf augustus 1941 al hun geldmiddelen bij Liro onderbrengen.
Spoedig moesten ook goud, zilver, sieraden, kunstvoorwerpen, antiek en ander waardevols bij de bank worden ingeleverd. Om de onteigening compleet te maken opende Lippmann-Rosenthal een filiaal in doorgangskamp Westerbork, waar onder dwang alles werd afgenomen wat men aan dierbaars op het lichaam had trachten te verstoppen, tot aan dure mantels en schoenen toe. Na de roof droeg Liro zorg voor de verkoop van de goederen en administreerde die nauwkeurig. Het grootste deel werd verkocht vanaf 1943.
EEN RECONSTRUCTIE achteraf laat zien dat een aaneenschakeling van fouten en nalatigheden, in elk geval bij het Agentschap van het Ministerie van Financiën, geleid heeft tot verwaarlozing, zoekraken en 'op straat’ weer opduiken van de zo persoonlijke en waardevolle Liro-informatie.
Fout nummer één: Gebrekkige communicatie en administratie leidden ertoe dat de kennis over het Liro-archief verloren ging met de uitstroom van oudere medewerkers. Daarbij zal een rol hebben gespeeld dat het Liro-archief door de medewerkers niet op zijn historische en emotionele waarde werd geschat, maar louter op zijn administratief-financiële inhoud.
Fout nummer twee: In 1979 verhuisde het Agentschap naar een ander pand op een steenworp afstand van het oude kantoor (waar het Liro-archief werd aangetroffen). Wegens ruimtegebrek bleef een flink deel van het oude archiefmateriaal in het vorige pand achter. Pas in 1996, zeventien jaar na de verhuizing van het Agentschap, werd een inventarisatie gemaakt van de inhoud van het oude archief. De Liro-administratie werd daarbij over het hoofd gezien. Pas een jaar na de verhuizing van het Agentschap werd het pand opnieuw in gebruik genomen. Al die tijd bleef het Liro-archief onbeheerd achter. Navraag bij de toenmalige beheerder van het pand leert dat de nieuwe gebruikers, het Swidoc (nota bene een onder de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen resorterend wetenschappelijk onderzoeksinstituut), niet op de hoogte was van de inhoud van het archief en er bovendien geen toegang toe had. Wel werd af en toe 'een oud mannetje’ van het Agentschap gesignaleerd. Waarschijnlijk om 'iets te zoeken dat ze in het nieuwe pand nodig hadden’. Wie dat mannetje was en of hij misschien op de hoogte was van het bestaan van het Liro-archief weet het Agentschap niet.
Fout nummer drie: Enkele maanden geleden werd het pand ontruimd. In grote haast, vanwege een ophanden zijnde verkoop. Ook het archief van het Agentschap werd weggehaald. Daarbij werd een aantal archiefkasten achtergelaten. Men had de indruk dat ze leeg waren, maar controleerde dat niet. Toch was dat volgens de directeur van het Agentschap een 'officiële en gecontroleerde ontruiming’. Van deze vakterm heeft Saan, het bedrijf dat de verhuizing uitvoerde, nog nooit gehoord, vertelt een medewerkster. 'Maar in principe heeft ons verhuispersoneel een geheimhoudingsplicht. Op verzoek van de klant kunnen archiefkasten verzegeld worden en kan een verhuizing gebeuren onder politiebegeleiding.’ Over speciale afspraken met het Agentschap is bij het verhuisbedrijf niets bekend.
Ook de huidige anti-kraakbewoners van het pand, merendeels studenten die tegen een lage huur maar met een opzegtermijn van slechts een week het pand bewonen om het van krakers te vrijwaren, hebben van enige controle bij de verhuizing niets gemerkt. Ze blijven liever anoniem. Een van hen: 'Die verhuizing heeft weken geduurd. Ik heb alleen maar mensen van het verhuisbedrijf gezien. Toen onze kamers werden aangewezen, hebben we zelf geholpen met het leegruimen ervan. Het hele pand stond vol met van alles en nog wat. Veel archiefkasten. De kamer waar de Liro-kaartjes zijn gevonden was er helemaal mee gevuld. Die verhuizers waren van het type dat rustig koffie zit te drinken in je kamer terwijl je weg bent.’
WAREN ER DAN nog meer kaartjes dan die De Groene gevonden heeft? Dat moet haast wel. Na de ontdekking stuurde het Agentschap van Financiën drie man om de resterende archieven, waarvan een groot deel achter slot, op te halen. In de haast liet de breekploeg zijn koevoeten achter. Ook bij deze actie bleek weinig van enige grondigheid. Achter de opengebroken archiefkasten trof De Groene twee boeken met een administratie van staatsobligaties aan, waarvan een groot deel uitgegeven tijdens de oorlog. Ook dit is waardevol materiaal dat thuishoort in de depots van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod) in plaats van op de vochtige vloer van een anti-kraakpand. In de kelder bevinden zich nog steeds twee kaartenbakjes met een financiële administratie genoteerd op naam. En dat terwijl in het verslag, opgesteld na de braakactie, wordt gesteld dat het gehele pand 'nog eens grondig is doorzocht’.
VERWOERD, directeur van het Agentschap van Financiën, de dienst die het Liro-archief 'beheerde’ zonder dat te weten, steekt zonder aarzelen de hand in eigen boezem. Verwoerd: 'Ik betreur het bijzonder dat dit zo gelopen is. Als ik eerder had geweten dit we dit in ons bezit hadden, zou ik het rechtstreeks naar het Riod hebben gestuurd. De archieven die we beheren zijn gigantisch, dus dat zoiets kan gebeuren is voorstelbaar. Maar dat zeg ik niet om het goed te praten. Dit is tragisch, niet alleen historisch gezien, maar juist ook vanwege de sociale component. Niemand van ons huidige personeel was van het bestaan van deze kaartjes op de hoogte.’
Professor Loonstein ziet op het eerste gezicht twee belangrijke gevolgen van de vondst. Allereerst de teruggave van het Zwitserse nazi-goud. Op de Liro-kaartjes staat wie gouden voorwerpen inleverde bij de roofbank. En aan welke Duitse Rijksinstelling die werden verkocht. Bovendien valt nu vrij exact de handel en wandel van de Nederlandse overheid na te gaan.
Loonstein zou het geen sterk idee vinden wanneer het Liro-archief werd overgedragen aan het Riod. 'Ik ben niet overtuigd van hun volstrekte objectiviteit. Het Riod is gelieerd aan de overheid. En die heeft zich nooit bovenmatig ingespannen om geld en bezittingen bij de joodse rechthebbenden terug te bezorgen.’