Het asielbeleid moet niet uit apeldoorn komen

Zwaar beledigd wierp mevrouw Schmitz zich opeens op als de redder van de verzorgingsstaat: afgewezen asielzoekers moeten eruit want ‘de sociale zekerheid wordt onbetaalbaar en we komen woningen te kort’. De staatssecretaris van Justitie reageerde vorige week in het Journaal op de beschuldiging uit Apeldoorn dat haar asielbeleid inhumaan was.

Haar voorganger Aad Kosto maakte zich met dit soort stemmingmakerij zeer impopulair, maar Schmitz kan zich meer permitteren. Verzuchtingen als ‘wat heeft ze toch een onmogelijke baan’ valt haar ten deel. Of, zoals de Volkskrant schreef: 'Niemand twijfelt aan haar oprechtheid.’
Het is echter de vraag of Schmitz recht heeft op meer mededogen dan Kosto indertijd. Paars zet het restrictieve toelatingsbeleid van het vorige kabinet voort en Schmitz is een trouw uitvoerder daarvan. Onder haar verantwoordelijkheid is in 1995 de vluchtelingenwet aangescherpt waardoor het aantal asielzoekers meer dan gehalveerd is. Dat heet een succes, want het uitgangspunt van asielbeleid is paradoxaal genoeg niet het toelaten maar het buiten de deur houden van mensen in nood.
Het is met het vluchtelingenbeleid in de media als met eb en vloed. Deze keer kwam het tij uit Apeldoorn. Deze gemeente weigert uitgeprocedeerde asielzoekers uit hun huis te zetten en hun uitkering af te nemen. Als Schmitz deze mensen het land uit wil zetten, moet ze dat zelf maar doen, zo luidt de redenering van het Apeldoornse VVD/CDA/D66-college, onder bijval van de plaatselijke bevolking (wee de anonieme asielzoeker zonder autochtone buren - Justitie is niet voor niets in 1996 gestopt met het onderbrengen van asielzoekers in rijtjeshuizen: vanuit Ter Apel is het makkelijker uitzetten dan vanuit Apeldoorn).
Afgewezen asielzoekers het land uit zetten is het onvermijdelijke en logische sluitstuk van elk vluchtelingenbeleid. Niettemin leidt verwijdering (of poging daartoe) met grote regelmaat tot publieke en politieke commotie, of het nu om Ter Apel, de Turkse familie Gümes, een vliegtuig vol Somaliërs of Apeldoorn gaat. Is dat omdat we uiteindelijk allemaal slappe knieën krijgen bij het zien van die zielige bruine kijkers? Of is het schuldgevoel, dat we met compassie voor individuele gevallen denken te kunnen afkopen? Vast.
Maar er is iets belangrijkers, namelijk het ontbreken van vertrouwen in de selectieprocedure. De verhoren, de kwaliteit van de tolken, de criteria, de lengte van de procedure, de zogenaamd veilige landen: te vaak komen advocaten en steungroepen met bewijzen van gebreken in de toetsing. En nu hebben we de - toch onverwachte - situatie dat het ontbreekt aan een draagvlak voor uitzettingen. Dat komt doordat het vluchtelingenbeleid is afgegleden van asielverlening naar afschrikking: het geval van een individuele Ethiopiër wordt niet alleen op zichzelf beoordeeld, maar wordt ook bekeken in het licht van de aantrekkingskracht op toekomstige asielzoekers. De bestuurders en bewoners van Apeldoorn hebben dit haarscherp in de gaten en weigeren daaraan mee te werken.
Volgens het Vluchtelingenverdrag van Genève uit 1951 hebben burgers het recht asiel aan te vragen en artikel 1 van dat Verdrag somt de gronden op voor erkenning als vluchteling ('gegronde vrees voor vervolging omwille van ras, religie, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging’). Het asielbeleid in Nederland is gebaseerd op het Vluchtelingenverdrag, maar sinds een aantal jaren is er een nieuw element aan toegevoegd, namelijk dat maar een beperkt aantal mensen dit recht hebben. Asielzoekers wordt het moeilijk gemaakt Nederland binnen te komen, en dus moeilijk gemaakt om asiel aan te vragen, en de toetsing van hen die Nederland toch bereiken, is strenger geworden. De sterke stijging van het aantal asielaanvragen heeft maar in beperkte mate geleid tot stijging van het aantal verblijfsvergunningen. Impliciet zit er een maximum aan het aantal vervolgden dat Nederland onderdak wil verlenen. Een maximum dat erop werd gezet toen Bosniërs, Serviërs en Kroaten op de vlucht sloegen. Oorlog en repressie, dichtbij of ver weg, het doet er niet toe; Nederland (maar hetzelfde geldt voor de overige EU-landen) keert de wereld de rug toe.
Tegen deze isolationistische houding zijn niet alleen morele bezwaren te maken, maar ook politieke. Het asielvraagstuk is verengd tot een opvangprobleem en is daarmee losgeraakt van de oorzaken: internationale ongelijkheid en politieke en economische problemen elders in de wereld. Anil Ramdas constateerde ooit al eens dat een bewindsman met de portefeuille asielbeleid zou moeten weigeren zich alleen uit te laten over opvang hier.
De EU-landen die het individuele recht om asiel aan te vragen belemmeren, zouden met nieuw beleid dat recht voor mensen in nood moeten herstellen. Dat is niet alleen een morele verantwoordelijkheid, het is ook eigenbelang, zoals de socioloog Abram de Swaan dat jaren geleden helder uiteenzette in zijn Den Uyl-lezing. Zoals de westerse verzorgingsstaat haar succes dankt aan de ontdekking van rijken dat negeren van het lot van armen leidt tot aantasting van hun bevoorrechte positie, zo geldt internationaal dat rijke landen zichzelf in de vingers snijden als ze de problemen van arme landen ontkennen. Ook Pronk volgde deze gedachte in zijn twee nota’s, en een dergelijke opstelling zou voor Nederland uitstekend aansluiten bij het 'verlichte eigenbelang’ uit de Herijkingsnota van Buitenlandse Zaken.
Asielbeleid is niet in de laatste plaats het toelaten van asielzoekers, en dat moet weer vreugdevol gebeuren, maar asielbeleid is meer en kan daarom niet overgelaten worden aan een staatssecretaris van Justitie, hoe 'oprecht’ zij ook is. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de ministeries van Ontwikkelingssamenwerking, Buitenlandse Zaken en wellicht ook Economische Zaken. Asielbeleid is internationaal beleid, geen nationaal en zeker geen Apeldoorns beleid.