Het assisenproces

Als lid van een lekenjury bij een moordzaak moest Peter Vermeersch de grillige werkelijkheid terugbrengen tot een simpel ja of nee. In Aantekeningen bij een moord lezen we wat dat in zijn hoofd losmaakte.

Peter Vermeersch in het Brusselse Justitiepaleis, 20 augustus © Saskia Vanderstichele

Iemand of iets moest Peter Vermeersch gunstig gezind zijn geweest, want zonder dat hij daartoe enige aanleiding had gegeven werd hem het onderwerp voor een boek in de schoot geworpen. Het was, bedacht hij later, natuurlijk twee jaar eerder al begonnen met die brief van de procureur des konings. Maar dat bericht was de schrijver al lang en breed vergeten toen hij in Canada was en via de telefoon vernam dat een gerechtsdeurwaarder een tweede schrijven had bezorgd waarin hij werd verzocht zich te melden bij het Brusselse Paleis van Justitie in verband met een moordzaak.

In België wordt in geval van ernstigste vergrijpen, zoals levensdelicten, nog altijd gebruikgemaakt van een lekenjury. Vermeersch (1972, schrijver en hoogleraar, niet te verwarren met) had via de eerste brief vernomen dat hij in een poel van potentiële juryleden was beland. Ook na het tweede bericht maakte hij zich geen illusies over de kans dat hij daadwerkelijk zou worden ingeloot, maar als het moment eenmaal daar is komt in het Paleis van Justitie zijn naam al snel tevoorschijn en is hij van het ene op het andere moment onderdeel van een twaalfkoppig lichaam dat zich gedurende het proces zal moeten buigen over de voorgelegde feiten en de daaruit voortkomende schuldvraag. Twaalf mensen, plotseling belast met het terugbrengen van de grillige werkelijkheid tot een simpel ja of nee.

Man wordt institutie, daar komt het zo ongeveer op neer. Aantekeningen bij een moord heet Peter Vermeersch’ verslag van wat er gebeurt vanaf het moment dat die tweede brief arriveert. De titel is een beetje vals bescheiden, want hoewel dat woord ‘aantekeningen’ het associatieve en losse karakter van het boek wel recht doet, is Vermeersch’ proza veel te verzorgd om in zulke termen te worden beschreven.

De zaak draait zoals gezegd om een moord. Een roofmoord, welteverstaan. Maar dat klinkt te spectaculair. Te verlekkerd, ook. Ja, het is een moordzaak, en de gebeurtenis waar het allemaal om te doen is, is inherent gruwelijk, maar ergens voelt het allemaal eerder als tragisch, zinloos, onbegrijpelijk. Het is een uitzonderlijke gebeurtenis, maar zoals Vermeersch erover schrijft is het ook iets wat op een bepaalde manier op precies dezelfde wijze gebeurt als alle andere dingen in het leven. Wanneer het onvoorstelbare zich eenmaal heeft aangediend is het er in zekere zin op dezelfde vanzelfsprekende manier als al het andere.

Vermeersch is op zoek naar iets anders dan de journalistieke feiten

Het valt niet helemaal uit te leggen, maar Vermeersch blijft mijlenver uit de buurt van alles wat dit soort non-fictie doorgaans in gelijke delen onweerstaanbaar en onuitstaanbaar maakt. Boeken in het true crime-genre lijden nogal eens onder een auteur die de verlokkingen van de spannende, dramatische vertelling niet kan weerstaan. Vermeersch is zich hiervan bewust en construeert een heel ander bouwsel. Hij vermijdt elke vorm van spanning over de rug van de hoofdrolspelers in de zaak en hij schrijft met hetzelfde empathisch vermogen over het slachtoffer en de dader. Je hoeft de misdaad van die laatste niet kleiner te maken om te begrijpen dat hem een nieuw soort slachtofferschap wacht.

Vermeersch’ onwil de zaak zelf centraal te stellen maakt dat die iets onbevredigends blijft houden. Hij geeft de lezer niet dat waarop die, onterecht, wel recht denkt te hebben. De basale feiten zijn helder, maar het precieze verloop van de fatale dag is in nevelen gehuld. Drie jongens, twee van vijftien, een van achttien, dringen onder valse voorwendselen het huis van een bejaarde weduwe binnen, in de veronderstelling daar juwelen of andere waardevolle spullen te zullen aantreffen. Op het moment dat ze de woning verlaten is de vrouw stervende of reeds overleden. Wie van de drie wat op zijn geweten heeft valt niet met zekerheid te zeggen.

Het boek wil ook geen rechtbankdrama zijn. Vermeersch vertelt zo nu en dan wat er wel en niet ter sprake komt tijdens de zitting, maar de inhoudelijke overwegingen die tot het vonnis hebben geleid mogen onder geen beding naar buiten worden gebracht. Kun je het journalistiek noemen? De precieze omstandigheden, het leven van de vrouw, de jeugd van de jongen en zijn Albanese familiegeschiedenis: de schrijver behandelt ze allemaal op dezelfde manier als een bredere context. Vermeersch is op zoek naar iets anders dan de journalistieke feiten, hij lijkt uiteindelijk in de eerste plaats geïnteresseerd in wat de zaak losmaakt in zijn eigen hoofd.

Hij wordt voortgedreven door een voortdurend besef niet genoeg te weten, uiteindelijk schrijft hij met hetzelfde gemak over de architectonische geschiedenis van het Brusselse Paleis van Justitie als over de vele gesprekken die hij voerde met nabestaanden en veroordeelden. De spanning die het boek niet kan ontlenen aan die treurige figuren aan weerszijden van de moord, haalt het uit Vermeersch’ zelfverzekerd meanderende geest. Hij bewandelt de paden die zich links en rechts openbaren (een enkele keer wandelt hij te ver of juist niet ver genoeg) en lijkt bereid alles, zoals de Vlamingen zeggen, in vraag te stellen. De geschiedenis van bloedwraak aan de Middellandse Zee boeit hem even vanzelfsprekend als die van Jeremy Benthams panopticum. Soms snak je naar een strakkere structuur, maar op andere momenten is het als luisteren naar het verslag van iemand die vanuit een andere ruimte een groot beeldhouwwerk aan je beschrijft en je in je hoofd meer laat zien dan je zelf ooit voor mogelijk had gehouden.

Er is een kort moment in de rechtszaal waarop de verdachte en de broer van het slachtoffer die is komen getuigen oog in oog staan. Ze kijken elkaar zwijgend aan. Het is een moment van niets, ze kunnen beiden geen woorden vinden. Maar het is dit moment dat hem niet loslaat en dat de opening biedt voor het laatste deel van het boek, waarin Vermeersch zoekt naar mensen die moesten doorleven nadat de officiële voorstelling was afgelopen. Wat je als lezer onwillekeurig verwacht, een whodunnit, blijkt gaandeweg iets heel anders. Aantekeningen bij een moord draait om de vraag hoe we ons moeten verhouden tot geweld, en om de drang tot vergelding die dat geweld oproept. Om hoe we kunnen doorleven nadat we zijn geconfronteerd met wat Vermeersch tussen neus en lippen door prachtig omschrijft als ‘argeloos kwaad’.