Koos Breukels ‘onder fotografen’

Het autistisch oog

‘Koos Breukel is eigenlijk een monnik met een camera’, vindt Joost Zwagerman. De tentoonstelling Onder fotografen is monnikenwerk in de niet-klerikale zin van het woord.

Fotograaf Koos Breukel vertelt heel veel tegelijk in de tentoonstelling Onder fotografen. Om te beginnen laat hij zien waar hij als fotograaf vandaan komt, door portretten te tonen van bewonderde voorgangers en inspirerende collega’s. Hij creëert een familie van verre en nabije verwanten, zonder dat hij die geportretteerden ondergeschikt maakt aan zijn eigen verhaal dat met ieder portret weer een beetje wordt uitgebouwd en gepreciseerd.

Breukel heeft in het Fotomuseum in Den Haag werk van tientallen collega-fotografen bijeengebracht. Het is natuurlijk geweldig voor een fotograaf als je rondom je eigen werk allerlei foto’s mag laten zien die zijn gemaakt door collega’s. Maar bij Breukel wordt dit voorrecht ook meteen een enorme opgave, stel ik me zo voor. Hij moet de broze en nauwkeurige evenwichtskunst die uit zijn eigen foto’s spreekt uitbreiden naar andermans oeuvre.

Zijn portretten ontnemen niet het zicht op de foto’s van zijn collega’s maar gaan er, om het zo te zeggen, mee in gesprek. Behoedzaam en onnadrukkelijk raken bij iedere geportretteerde twee verhalen aan elkaar. Iedere door Breukel gekozen foto vertelt een eigen verhaal. Daarnaast is er het verhaal dat ieder portret door Breukel vertelt. En in de combinatie van ieder portret met die gekozen foto ontstaat er een derde verhaal.

Een voorbeeld. Een van de collega’s die Breukel fotografeerde is Paul Blanca. Het portret van Blanca uit 2005 toont een bijna griezelig gehavend gezicht, zeker in vergelijking met Blanca’s zelfportretten uit de jaren tachtig. De oersterke god van toen heeft nu een junkentronie, inclusief extreem ingevallen wangen. Verspreid op zijn gezicht bevinden zich in het oog springende wonden.

Medium koos 20breukel 20hopperpers

Aan welke van Blanca’s eigen foto’s dacht ik onmiddellijk, toen ik dit portret zag? Meer dan twintig jaar geleden maakte Blanca een zelfportret-met-vliegen. Die vliegen zaten op zijn voorhoofd, kin en wangen. Het waren misschien nepvliegen uit een feestwinkel of anders dode vliegen die hij met lijm aan zijn huid had bevestigd – dat laatste lijkt me bij Blanca het waarschijnlijkst. Al met al zaten die vliegen op ongeveer dezelfde plaatsen op zijn gezicht als die wonden of zweren op het portret dat Breukel in 2005 van hem maakte.

Ík had voor die vliegenfoto gekozen, in combinatie met dat ontluisterende portret. Breukel besloot anders. Hij koos voor die magnifieke foto uit 1982 waarop de toen nog heel jonge fotograaf Blanca zijn moeder omarmt. Moeder en zoon zijn naakt en houden elkaar in een zachte, breekbare omhelzing.

Die foto van moeder en zoon in combinatie met het recente portret levert een veel spannender, want veel diffuser en ongrijpbaarder verhaal op dan de-man-met-de-wonden van nu en de-man-met-de-vliegen van toen. Dat zou een eenduidig verhaal zijn geweest. Breukel laat een verhaal ontstaan dat alle kanten op kan en dat niet dwingend is vastgeklemd tussen beide foto’s. Door die toegevoegde waarde van de moeder-en-zoon-foto schemert door het portret van de tegenwoordige Blanca met gebutste kop ineens iemand van een jaar of vijftig, een man van middelbare leeftijd, tegen wie een hoogbejaarde moeder zou zeggen: ‘Dag lieve jongen. Hoe gaat het met je?’ Door de beide foto’s te verbinden ontstaat een verruiming die plaats biedt aan fantasie en hypothese. Het verhaal is vrij en kiest een eigen weg als je beide foto’s ‘leest’.

Andere voorbeelden. Ed van der Elsken en Philip Mechanicus. Breukel heeft vaak benadrukt dat Ed van der Elsken een lichtend voorbeeld voor hem was, maar ook Mechanicus is zo iemand aan wie hij veel heeft te danken. Beide voorgangers trillen mee in Breukels portretten.

Beide fotografen waren ziek, ernstig ziek toen ze door Breukel werden gefotografeerd – de dood was in aantocht. Maar wat een verschil in beide foto’s! Verschil in blikrichting van de geportretteerden, verschil in houding, verschil in verbintenis met het eigen werk van Van der Elsken en Mechanicus. Van der Elsken loopt op krukken, maar hoewel je dat zou verwachten, hoeft hij niet naar beneden te kijken. Ja, die benen doen het niet meer, zonder krukken, maar dat is voor de geportretteerde niet interessant. Omhóóg moet je kijken – daar gebeurt het! Het is de levenshouding en poëtica van Van der Elsken, samengebald in die ene blik, die ene oogopslag. En daar koos Breukel uit het immense oeuvre van Van der Elsken dan geen kosmopolitisch stadstafereel bij, dat zou ook weer te eenduidig zijn, maar gewoon, twee kindertjes met blote billen die er heel stout en heel blij en heel gelukkig uitzien. En zo hoort het, bij Van der Elsken. De eigen sores is een detail, een futiliteit bijna. We mogen tenslotte niet vergeten waar het Van der Elsken om gaat, niet om de dood, niet om het nee, maar om het hartstochtelijk uit te roepen ‘ja!’ De hemel bestaat natuurlijk niet, maar speciaal voor Van der Elsken is er zo’n hemel uitgevonden, van waaruit hij nu het zwerk omarmt. Zoiets. Lyriek, de lyriek van de eeuwige jeugd, de lyriek waardoor Van der Elsken werd voortgestuwd.

Wat een contrast met het portret van Philip Mechanicus. Eerst is er het zelfportret dat Mechanicus maakte. Op dat zelfportret zien we de fotograaf met op zijn arm een baby – zijn dochtertje. Bij de vader is één oog afgeplakt met een fors verband. Maar de vader heeft zich voorgenomen, zo is te zien aan de blik in het vrij gebleven oog, de ooglap te negeren. Het ene oog werkt nu voor twee. Dat dit lukt, dat hij met het gezonde oog nu dubbel werk verricht, vervult dat zichtbare oog met een kalme verwondering.

Dan het portret dat Breukel van Mechanicus maakte. Mechanicus ligt in bed, in een revalidatiecentrum. Hij is geopereerd aan zijn rug. Maar zoals het ooglapje ooit door de drager gewoon werd weggedacht, zo zien we nu hoe Mechanicus in zijn bed het revalidatiecentrum wegdenkt. Wat telt, is een brief die moet worden gelezen en beantwoord. De dood is een detail, maar anders dan bij Van der Elsken, want bij Mechanicus is het weerwoord tegen de dood niet lyrisch maar stoïcijns. Het lijkt alsof Mechanicus in heel zijn houding – laconiek maar niet monter, onaangedaan maar niet ongevoelig – zijn ziekte wegwist, zoals hij destijds die ooglap gewoon ‘wegkijkt’. Het stoïcijnse versus het lyrische, perfect gevat door Breukel – in de portretten, in de keuze uit het werk van beide geportretteerden. Opnieuw: evenwichtskunst.

Al die portretten van Breukels collega’s, al die fotografen bewegen zich langs hun eigen oeuvres. En je zoekt in hun gezichten sporen van hun werkwijze, hun opvattingen over fotografie, hun poëtica. Kijken is bekeken worden heette de tentoonstelling die Gerrit Komrij ooit samenstelde voor het Stedelijk Museum Amsterdam. Die paradox is bij uitstek van toepassing op de verhouding tussen oeuvre en portret, tussen de blik van de geportretteerde en de blik van de samensteller. Je tast de gezichten van de fotografen af zoals die fotografen zelf tijdens hun werk de wereld binnen de kaders aftasten. Wat zijn precies de gedachten, de blinde vlekken, de illusies en, ja, ook de angsten van Koos Breukel, als ik naar zijn portret van – ik noem maar één voorbeeld uit vele – zijn collega Kadir van Lohuizen kijk? Ik kijk naar de houding van Paul Kooiker, naar het profiel van Gerald van der Kaap, naar de schouders van Dana Lixenberg en ik zoek in die houding, dat profiel en die schouders naar de ziel van Breukel.

Wat zegt het over Breukel dat er bij Inez van Lamsweerde ineens een aristocratische lok als een soort monocle rond haar ene oog krult? Wat zegt de blik in de ogen van Rineke Dijkstra over de blik die Breukel op de wereld loslaat? Kijken is bekeken worden. We zien zijn collega’s, we zoeken Breukel.

In mijn debuutroman De houdgreep uit 1986 is de hoofdfiguur een Nederlands meisje in Londen. Adriënne heet ze, en ze is au pair. Ze houdt veel tijd over en gaat in Londen fotograferen. Ze gaat ook op een cursus. Ik laat de man die de cursus geeft tegen haar zeggen: ‘Een goeie foto is geen afbeelding, maar een metafoor, een verstilde verbeelding van een idee, of een gemoedstoestand. De meeste fotografen zijn vertolkers, twintigste-eeuwse monniken, in dienst van de wereld.’ En dan zegt die cursusleider tegen mijn hoofdfiguur: ‘Jij, meisje, jij moet een hele goeie monnik worden, a monk with a camera.

Ik was 21 toen ik dit schreef. Waar ik het vandaan haalde, ik heb geen idee; ik wist geen zier van fotografie. Maar ik moest aan die passage terugdenken toen Koos Breukel in een recent interview beweerde: ‘Veel fotografen hebben een vorm van autisme.’ De fotograaf als autistisch Oog. Misschien is autist een therapeutisch synoniem voor monnik: lekker opgesloten in het klooster dat atelier heet, met de boze buitenwereld als de Heilige Schrift. Koos Breukel komt dicht in de buurt bij iemand die je een monnik met een camera kunt noemen. Bijna twintig jaar geleden maakte hij zijn eerste portret van een collega-fotograaf. Dat is dus de incubatietijd voor deze tentoonstelling. Onder fotografen is monnikenwerk in de niet-klerikale zin van het woord.