Essay Uitsluiting en insluiting

Het autochtone gevaar

Nederlanders weten niet wat ze in huis hebben gehaald met de termen ‘allochtoon’ en ‘autochtoon’. Of het nu in het oude Athene, Kameroen of de Hollandse polder is, noties van ‘autochtonie’ – letterlijk: ‘uit de grond zelf komen’ – bieden mensen een valse belofte van veiligheid.

DE REACTIES WAREN niet van de lucht toen minister van Justitie Hirsch Ballin (CDA) begin vorig jaar twijfels uitte over de term ‘allochtoon’. Dat begrip stond volgens hem integratie in de weg. Jan Renkema, hoogleraar ‘tekstkwaliteit’ aan de Universiteit van Tilburg, noemde het ‘onbegrijpelijk’ dat de minister zo’n ‘fout’ maakte. ‘De taal volgt immers altijd de werkelijkheid’, schreef hij in NRC Handelsblad. Voor anderen zal het onbegrijpelijk zijn dat een linguïst zo’n simplistisch onderscheid tussen ‘taal’ en ‘werkelijkheid’ hanteert. En al helemaal dat deze taalgeleerde betwijfelde dat ‘het woordgebruik het leven van mensen beïnvloedt’.
Niet minder opmerkelijk was de vergelijking die Trouw-columniste Elma Drayer trok in een eerder debat naar aanleiding van het in 2007 verschenen rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) Identificatie met Nederland. De daarin verwoorde kritiek op de terminologie van ‘allochtonen’ versus ‘autochtonen’ deed zij af als ‘een even schattige als kinderlijke aanbeveling’. ‘Als ik mijn handjes voor mijn ogen houd, verdwijnt de boze wolf vanzelf’, schertste Drayer. ‘Als wij enge termen taboe verklaren, verdwijnen de integratieproblemen vanzelf.’
Het lijkt deze bevlogen commentatoren te zijn ontgaan hoe kort en hoe toevallig de geschiedenis van het ‘allo/auto’-begrippenpaar in Nederland is. De term ‘allochtoon’ duikt in de Nederlandse discussies over ‘gastarbeiders’ en immigratie pas op in 1971 als titel van een bundel onder redactie van Hilda Verwey-Jonker. De term slaat aanvankelijk niet aan. ‘Minderheden’ blijft in de jaren zeventig de gangbare notie. Pas als daar steeds meer bezwaren tegen worden geuit, besluit de WRR in 1989 over te schakelen; haar nota over de immigrantenproblematiek uit 1989 krijgt de titel Allochtonenbeleid. Cruciaal is dat vanaf dat moment het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) die term overneemt. Sindsdien zijn we opgezadeld met statistieken in termen van allochtonen en autochtonen.
Zo werden Nederlanders autochtonen: doordat ‘we’ de ‘anderen’ allochtonen gingen noemen. Opmerkelijk is ook dat die laatste term uit een soort verlegenheid geïntroduceerd werd. Hans van Amersfoort, emeritus hoogleraar geografie aan de Universiteit van Amsterdam en medewerker aan de Verwey-Jonker-bundel van 1971 Allochtonen in Nederland, legde mij uit dat indertijd de term ‘immigranten’ not done was. Na de Tweede Wereldoorlog vond de overheid het van groot belang te onderstrepen dat Nederland geen immigratie-, maar een emigratie-land was. De verwoestingen door de oorlog en het spook van grootschalige werkloosheid uit de jaren dertig waren reden genoeg om emigratie te bevorderen. Mogelijke ‘repatrianten’ uit Nederlands Indië werden krachtig aangemoedigd om naar elders – Australië, Zuid-Afrika, de Verenigde Staten – te verhuizen. Nederland was vol. Dat minister Suurhof al in 1955 een missie naar Italië stuurde om arbeiders, broodnodig voor de wederopbouw, te rekruteren werd niet aan de grote klok gehangen. Nog in de jaren tachtig streepten ijverige ambtenaren consequent de term ‘migranten’ door in alle relevante nota’s. Die term bleef anathema.
Vandaar dat de schrijvers van de bundel Allochtonen in Nederland – de eerste bundel over immigranten in ons land – moeite hadden een goede titel te vinden. Het destijds gangbare ‘gastarbeiders’ was te paternalistisch. ‘Allochtonen’ leek een goed alternatief. Voor de schrijvers, Van Amersfoort voorop, had dit begrip associaties met de fysische geografie (‘allochtone gesteentes’). Die wetenschappelijke achtergrond leek de term een neutrale strekking te geven.
Dat pakte anders uit. Alleen al het bepalen van de definitie bleek een hachelijke kwestie. Zonder dit te onderbouwen, stelde de WRR voor het criterium ‘tot in de derde generatie’ (het klinkt bijna bijbels) toe te passen. Kinderen uit gemengde huwelijken dienden als allochtoon gerubriceerd te worden. Dus hoe meer gemengde huwelijken, hoe meer allochtonen. Het CBS nam dat over, zij het dat het de term alleen liet gelden voor de tweede generatie. Maar nu de derde generatie zich meer en meer manifesteert, zijn er aanwijzingen dat die ook op een aparte manier gecategoriseerd zal worden. Zo kan het gebeuren dat een kind met één ‘allochtone’ en drie ‘autochtone’ grootouders toch ‘allochtoon’ is. Gelukkig heeft de WRR in het reeds aangehaalde rapport uit 2007 nu zelf aangegeven dat termen als allochtoon of autochtoon beter vermeden kunnen worden – met een storm van protest als gevolg. Eenmaal ingevoerd blijken deze termen moeilijk uit te bannen.
Niet alleen de moeizame definitie, ook de oorsprong van het begrippenpaar autochtoon/allochtoon wijst op problemen. De termen komen uit het klassieke Grieks. Chtonos betekent ‘grond’, autos ‘zelf’ en allos is ‘ander’. Een autochtoon komt dus uit de grond zelf. Een allochtoon komt van elders. Juist dat impliciete beroep op ‘de grond’, als bewijs van een soort primair thuishoren, geeft deze begrippen zo’n zware emotionele lading. Geen wonder dat ze aansloegen in de Nederlandse verhoudingen van de laatste twintig jaar. Het idee van een verworteling in de grond roept, door de hele geschiedenis heen en overal ter wereld, grote hartstochten op. Maar ook grote onzekerheid.

IK RAAKTE BIJ toeval geïnteresseerd in deze noties toen ik in 1996 terugkwam uit Kameroen, waar ik al veertig jaar antropologisch veldwerk doe. De jaren negentig stonden in Kameroen net als elders in Afrika in het teken van democratisering. Na decennia geregeerd te zijn door een extreem autoritair één-partij-regime kwam er eindelijk ruimte voor vrije verkiezingen. Helaas verzandde die politieke doorbraak snel in conflicten over wie waar thuishoorde. Daarbij speelde de notie van autochtonie in veel francofone staten een sleutelrol. Ze bleek ideaal om politieke tegenstanders uit te schakelen, als niet werkelijk thuishorend in een bepaald district, en zo de oppositie uit elkaar te spelen. Het jaar 1996 was in dat opzicht cruciaal voor Kameroen. Het bracht de eerste vrije verkiezingen op gemeentelijk niveau. En juist daar speelde de kwestie van autochtonie het felst. In Douala, de grootste stad van Kameroen, vormt de etnische groep van de Douala een kleine minderheid – rond de dertigduizend op een bevolking van meer dan drie miljoen. Net als in andere grote steden realiseerden lokale Douala zich dat democratisering, hoe mooi ook, een grote bedreiging vormde. Zouden zij niet overstemd worden door de veel talrijkere immigranten? Kon een came-no-go, de plastische aanduiding in lokaal pidgin voor immigranten, burgemeester worden in een stad waar hij eigenlijk niet thuishoorde?
Dat is precies wat er gebeurde bij de verkiezingen van 1996. In vijf van de zes districten van Douala werd een Bamileke-immigrant uit de westelijke hooglanden tot burgemeester verkozen. De Douala reageerden furieus. Jongeren gingen de straat op met grote borden waarop teksten stonden als: ‘Deze mensen hebben ons voorgelogen’ en: ‘Démocratisation: Oui! Ethnofascisme: Non!’ De regering steunde de protesten en draaide de uitslag van de verkiezingen terug. Alle kameroenologen zijn het erover eens dat president Paul Biya, een van de meest criminele staatshoofden in Afrika en ondanks een opvallend gebrek aan charisma al 27 jaar aan de macht, de overgang naar democratisering alleen wist te overleven door de autochtonie-kaart te spelen. Geheel volgens het aloude koloniale adagium van verdeel en heers.
Ik kwam thuis met de beelden van de woedende Douala-demonstraties nog in mijn hoofd. Om eenmaal thuis op de radio hetzelfde autochtonie-vertoog te horen, maar nu in Algemeen Beschaafd Nederlands. Aan het woord was Filip Dewinter van het Vlaams Blok – in het pre-Fortuyn-tijdperk moesten we nog naar onze zuiderburen gaan om dit discours te horen. Hij roerde precies dezelfde thema’s aan: eigen volk eerst, allochtonen als bedriegers die de voorvaderlijke grond dreigen te bezoedelen, et cetera.
De grieven van de Douala-jongeren verschillen nogal van de onvrede van ‘autochtonen’ in Vlaanderen of Nederland. De centrale notie van ‘grond’ heeft een heel andere betekenis in beide situaties. Niettemin blijkt dat discours te werken in volstrekt verschillende situaties. De term ‘autochtoon’ ontleent grote mobiliserende kracht aan haar vanzelfsprekendheid. Het beroep op de grond maakt het een natuurlijk gegeven. Hoe kun je ergens méér thuishoren dan wanneer je kunt claimen uit de grond zelf geboren te zijn?
Autochtonie en parallelle noties van thuishoren en uitsluiting vinden vooral sinds de jaren negentig grote weerklank in de politiek, overal in onze zogenaamd ‘globaliserende’ wereld. Het is belangrijk om te benadrukken hoe verrassend dit was. Toen Bush senior in 1989 met het einde van de Koude Oorlog een nieuwe wereldorde aankondigde, leek het vanzelfsprekend dat dit er eentje zou worden van toenemende global flows en kosmopolitisme. In plaats daarvan werd de wereldorde steeds meer bepaald door hevige communale conflicten en een terugkeer van identiteiten die voorheen als parochiaal werden afgeschilderd.
Terecht spreekt de Canadese antropologe Tania Murray Li van een global conjuncture of belonging als kenmerkend voor onze tijd. Allerlei op het oog onafhankelijke trends komen samen in een ‘conjunctuur’ waarin belonging – ergens bij horen – de grootste zorg is. Li noemt de internationale aandacht voor het lot van ‘inheemse volkeren’ in Zuidoost-Azië en de strijd die dat teweegbracht om als ‘inheems’ erkend te worden; voor Afrika spelen democratisering en decentralisering een belangrijke rol; in Europa de toenemende angst voor (moslim)immigranten. Het lijken op zichzelf staande ontwikkelingen, maar ze leiden stuk voor stuk tot hevige conflicten over de vraag wie waar thuishoort. Die preoccupatie met belonging, en dus ook met uitsluiting, is de keerzijde van globalisering. Iedereen wil deelnemen aan dat proces en de toenemende mobiliteit die het brengt, maar tegelijk is er een obsessie met thuishoren.

IS AUTOCHTONIE DAN geen ideale notie om de spanning tussen globalisering en de zoektocht naar een thuis weg te nemen? Juist op dit punt treedt overal waar dit begrip opgeld doet, van Kameroen tot de Hollandse polder, een paradox op. Autochtonie belooft veiligheid – hoe kun je ergens meer thuishoren dan wanneer je kunt claimen uit de grond zelf te komen? Maar in de praktijk worden groepen die autochtonie claimen geteisterd door diepe onzekerheid. Autochtonie is het zoeken naar een onmogelijke zuiverheid. Er zal immers altijd migratie zijn. Dat leidt weer tot een obsessie met de ontmaskering van fake autochtonen, van de verraders die zich verschuilen binnen de groep.
Ook in dit opzicht loont het de moeite terug te gaan naar de wieg van het autochtonie-denken, het klassieke Athene van Plato, Pericles en Euripides. De Atheners van de vijfde eeuw voor Christus waren overtuigd van hun superioriteit. Alle andere Griekse steden hadden oorsprongsmythen die verhaalden over stichters van elders. Maar de Atheners kwamen uit de grond van Attica, zij waren autochthonoi – geboren uit de grond. Dat zorgde voor een homogeniteit tussen de burgers die hen bij uitstek geschikt maakte voor demokratia. Illustratief zijn de lofzangen op de autochtonie van Euripides en Plato (en via hem van Socrates). Door die autochtonie zijn echte burgers zo veel beter dan vreemdelingen die, zoals Euripides het in Erechtheus verwoordt, ‘zijn als een wig, niet goed passend in een stuk hout’.
Strijdbare vertegenwoordigers van Europees Nieuw Rechts waren al eerder op zulke onverwacht actuele passages gestuit. Op 2 mei 1990 verraste een afgevaardigde van Jean Marie Le Pens Front National, een zekere Marie-France Stirbois, de Franse assemblée nationale met een gloedvol betoog over het Athene van Socrates en Pericles. Daar circuleerden ideeën over autochtonie en uitsluiting van vreemden, vergeleken waarmee Le Pen een gematigd denker was. Het inspireerde twee gerenommeerde Franse historici van de Oudheid, Nicole Loraux en Marcel Detienne, ertoe in gloedvolle bewoordingen onze klassieke voorbeelden vrij te pleiten van racisme.
Beide historici leggen daarbij problemen bloot die inherent zijn aan de notie van autochtonie. Problemen die tot op de dag van vandaag spelen. Het belangrijkste is de ontkenning van de geschiedenis. Zoals Loraux het plastisch uitdrukt: geschiedenis is altijd beweging. Autochtonie, de claim op dezelfde plaats te zijn gebleven, is daarmee een ontkenning van geschiedenis. En inderdaad, vooral de aristocratische families van Athene waren in eerdere eeuwen juist trots op mythische verhalen over hun komst van elders. Dat werd met de opkomst van de autochtonie-gedachte een gevaarlijk geheim. Het is een terugkerend patroon. Het gevaar om ontmaskerd te worden, als zijnde geen ‘echte’ autochtoon, leidt tot knagende onrust.
Autochtonie impliceert een zoeken naar een onmogelijke zuiverheid, juist omdat geschiedenis altijd beweging en verhuizing is. Het gevolg is een constante neiging tot inperking van de definitie, wat leidt tot nog meer onzekerheid. Een ander kan immers altijd claimen ‘meer’ autochtoon te zijn dan jij. Juist de vaagheid van zo’n identiteit kan tot hachelijke situaties leiden. In Athene kon een burger naar de rechtbank stappen als een ander zijn autochtoon-zijn in twijfel trok. Maar als die twijfel gerechtvaardigd bleek, verloor hij zijn burgerschap en werd hij als slaaf verkocht.
Juist de martelende onzekerheid wie ‘echt’ autochtoon is, geeft het begrip een gewelddadige ondertoon. Een vast thema in de propaganda van Radio Mille Collines, de zender die de genocide in Rwanda aanwakkerde, was dat ‘de kakkerlakken’ onder ons zijn, de Tutsi die poseerden als Hutu. Of zoals Appadurai het schokkend formuleert in zijn artikel Dead Certainty: juist de knagende onzekerheid over iemands identiteit lokt geweld uit. De dood als definitieve identificatie van verraders onder ons.

ZO VER IS HET gelukkig nog lang niet in Nederland. Maar het terugkerende gegeven dat de natuurlijke zekerheid van autochtonie verdwijnt als sneeuw voor de zon zodra het begrip concreet gemaakt moet worden, komt bekend voor. Neem de tragikomische verwikkelingen rond ‘Verdonks film’, die nog steeds de basis voor het inburgeringsexamen vormt. Hierin moest de kern van de Nederlandse cultuur worden samengevat. Dat bleek niet mee te vallen. Al snel nadat Verdonk opdracht had gegeven de film te maken, circuleerden geruchten over twee scènes. De eerste was een lang shot van twee mannen, zojuist in het huwelijk getreden, die elkaar hartstochtelijk op de mond zoenen. De tweede toonde meisjes die topless zonnen op het strand. De protesten kwamen van twee kanten. Voor sommigen waren de scènes het bewijs dat de film gemaakt was om moslims te choqueren. Anderen vonden het onaanvaardbaar dat dit Nederlands cultuurgoed zou zijn. Maar toen er sprake van was dat beide scènes uit de film gesneden zouden worden, kwamen gays en feministen in het geweer. Dit waren zwaarbevochten vrijheden in Nederland, waar we trots op moesten zijn. Het schijnt dat er nu twee versies circuleren: één met beide scènes in kort bestek, en een gekuiste versie voor landen waar die scènes als pornografie gezien zouden worden.
Ook de serieuzere verwikkelingen rond ‘de canon’ van de Nederlandse geschiedenis laten zien hoe een schijnbaar vanzelfsprekende notie als autochtoon vervliegt zodra daaraan handen en voeten gegeven moet worden. Voorvechters van gedwongen culturele integratie wilden dat de canon houvast zou bieden aan een Nederlandse identiteit. Maar de commissie presenteerde in 2006 een raamwerk van vijftig vensters die uitzicht boden op weer nieuwe vensters. Prima historisch handwerk, maar niet het houvast waarop sommigen gehoopt hadden.
Cultuur en geschiedenis blijken telkens weer glibberige noties om een identiteit op te baseren. Zowel in het oude Athene als in het nieuwe Nederland doet autochtonie een beroep op een vertekende geschiedenis. Dat maakt het een onbetrouwbare categorie om politiek beleid op te baseren, laat staan om er bevolkingsstatistieken aan op te hangen.
Door ook mensen die in Nederland geboren zijn te classificeren als allochtonen wordt integratie impliciet uitgesloten. Kan een allochtoon ooit een autochtoon worden? Geen wonder dat volgens recent Frans onderzoek 64 procent van de Marokkaanse Nederlanders ‘het gevoel heeft afgewezen te worden’. Dat is beduidend hoger dan in enig ander West-Europees land.
Het is onbegrijpelijk dat bijvoorbeeld het CBS niet al lang de dubbele terminologie heeft overgenomen die in Amerika gebruikelijk is: Italian-American, Latino-American, et cetera. Dat toont in elk geval dat mensen van buitenlandse komaf Nederlander zijn geworden.
Maar gezien de recente scores van Geert Wilders in de peilingen zullen politici het ongetwijfeld niet verstandig vinden daarop aan te dringen.


Peter Geschiere is hoogleraar Afrikaanse antropologie aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn meest recente boek is het dit jaar bij University of Chicago Press verschenen The Perils of Belonging: Autochthony, Citizenship, and Exclusion in Africa and Europe