Het bal der genomineerden zes misverstanden over de grote geldprijzen in de nederlandse literatuur

SOMS LIJKEN gebeurtenissen toevallig op elkaar te rijmen. Afgelopen zondagavond zond de VPRO een paar uur na de uitreiking van de Generale Bank Literatuurprijs bij Hanneke Groenteman Scenes behind the scenes uit, een herhaling van een van de docudrama’s van Arjan Ederveen. Ederveen speelt daarin een artiest die, zo lijkt het, direct van de pagina’s van Story of Privé op je af komt wandelen. Zo'n typische Bekende Nederlander die middelmatig mooi is, middelmatig zingt, een middelmatige smaak heeft en veel meer dan middelmatig verdient. Zo'n typisch specimen van het soort dat handig zijn roem in geld weet om te zetten en tegelijk met een snik in de stem vertelt over zijn steun aan de minderbedeelden.

Uiterst zelfverzekerd en met een air van diepzinnigheid - want zo gaat dat bij zulke types - vertrouwt hij de kijker de grootste bêtises toe. ‘Iedereen krijgt een keer een kans in het leven en die moet je grijpen’, zegt hij peinzend, terwijl hij net heeft uitgeweid over zijn verblijf in Rwanda. Alleen de bezwering die hij onnadenkend door het programma strooit, is waar. 'Ik heb de bladen nodig en de bladen hebben mij nodig!’ roept hij steeds.
Ziedaar het rijm: de Generale Bank Literatuurprijs - en alle andere Grote Geld Literatuurprijzen - wil niets liever dan zo'n Bekende Nederlander zijn. Hij heeft de bladen, of ruimer: televisie- en krantenaandacht nodig en de bladen hebben hem nodig voor een smeuïg stukkie. Groenteman gaf het zondag ruiterlijk toe: 'Als er geen televisieprogramma is dat de prijs wil uitreiken, zou de prijs weg zijn.’ 'Dit is één grote reclamespot voor de Generale Bank’, voegde genomineerde Möring eraan toe. Maar de innige omstrengeling van wederzijdse belangen gaat verder: de prijzensponsor heeft schrijvers nodig die beleefd op de televisie applaudisseren als de prijs aan hun neus voorbijgaat, en schrijvers kunnen de geldbuidel die hij hun voorhangt goed gebruiken. De vraag is natuurlijk wie de werkelijke winnaars zijn in de rondedans van afhankelijkheid.
Het is dit jaar precies tien jaar geleden dat de eerste Akoprijs werd uitgereikt. Een nieuw soort literaire prijs deed zijn intrede in Nederland: er werd niet meer zo maar één boek bekroond, nee, eerst werden zes boeken zes weken voor de bekendmaking van de uiteindelijke 'winnaar’ genomineerd; de 'winnaar’ werd live op de televisie aangewezen. Een literaire prijs werd voor het eerst een wedstrijd, met een winnaar én verliezers. Nieuw was ook dat de wedstrijd werd gesponsord door een commerciële instelling.
DE AKOPRIJS is inmiddels G-prijs gaan heten (naar de nieuwe sponsor de Generale Bank) en heeft gezelschap gekregen van de Librisprijs (de oude Akoprijs, want in 1993 heeft het bestuur van de prijs na een ruzie een andere sponsor gezocht) en de Belgische Gouden Uil-prijzen. Het is kortom allemaal knap ingewikkeld geworden, maar de Grote Geldprijzen zijn in die tien jaar vanzelfsprekend geworden. In ieder geval is het Nederlands met 'genomineerde’, 'longlist’ en 'shortlist’ een aantal begrippen rijker. Vergeten lijkt het gekrakeel rond de instelling van de eerste Grote Geldprijs. Critici, uitgevers en serieuze boekverkopers buitelden in 1987 over elkaar heen in hun afkeer. Hij zou alleen al een vieze smaak in zijn mond krijgen bij het uitspreken van de naam van de prijs, riep Carel Peeters. Het is een schande dat een concern dat handelt in schandaalblaadjes en porno sier probeert te maken met een serieuze literaire onderscheiding, foeterden de boekhandelaren. Het wordt een literaire loterij, een literaire tombola, schamperden de uitgevers.
De Grote Geldprijzen zijn zogezegd een eigen leven gaan leiden. Maar bij het tweede lustrum van de commerciële prijzen kan het geen kwaad een aantal misverstanden nader te bekijken.

  1. HET wedstrijdelement van de Grote Geldprijzen zorgt voor televisieaandacht en de televisie is een zegen voor het boek. Jazeker, de schrijver is een welkome gast in menig praatprogramma - als hij het maar niet te veel over zijn boek heeft. Het is al vaak gezegd: literatuur en televisie gaan zelden een gelukkig huwelijk aan. Hebben de Grote Geldprijzen daar verandering in gebracht? De geschiedenis van de prijsuitreikingen levert nogal wat kolderieke taferelen op. Veel is geprobeerd, weinig is gelukt als het gaat om aandacht voor de literaire aspecten van de genomineerde boeken. Je ziet schrijvers braaf in de buitenlucht voorlezen uit hun boek en hebt vooral oog voor de o zo passend gekozen achtergronden. Speelt het boek zich in een hoerenbuurt af, dan beelden van de wallen. Of je ziet dat de organisatie heeft bedacht dat het leuk is om schrijvers uit te nodigen een laudatio voor hun genomineerde collega’s te houden. Maar omdat ze na het copieuze diner dat nu eenmaal bij een geldprijs hoort wat al te lallend loftrompetteren, zijn ze het jaar daarop alweer vervangen door boekhandelaren die onder leiding van Maartje van Weegen een onhandig gesprek over de meedingende boeken voeren. Een jaar later mogen een leraar Nederlands en een studente Neerlandistiek proberen of ze meer over een boek te zeggen hebben dan dat het hier en daar wat 'saai’ is. Want het liefst moet de 'gewone’ lezer bij het prijzencircus worden betrokken - wat bij Sonja leidde tot de beschamende vertoning van een panel van doorsneelezers met cijferbordjes op de knie. Afgelopen zondag werden de genomineerde boeken in droge filmpjes voorgesteld. Er was geen stemmig decor gekozen. De schrijvers mochten gewoon voorlezen op hun werkplek. Maar dan nog ben je geneigd de camera te volgen die vrijmoedig zoekend de vertrekken aftast en wijd je je voor je het weet aan allerlei sociologische bespiegelingen. Schrijvers zijn ordelijke mensen die hun materiaal in overzichtelijke mappen opbergen; nietmachine, paperclips en kaartsysteem hebben ze binnen handbereik, en de computer staat de hele dag aan. Een gelouterd auteur als Van der Heijden heeft een ruim vertrek en verscheidene kasten nodig om zijn notities en probeersels in onder te brengen; Möring, die pas een paar romans heeft gepubliceerd, kan het af op een zolderkamer. Aan de werkkamer van Elsbeth Etty kun je zien dat ze schrijfster is van één boek: de stoffige boeken van Henriëtte Roland-Holst staan in het gelid in de kast; op tafel liggen gloednieuwe recensie-exemplaren die verraden dat ze critica is. En schrijvers zijn huismensen, daarom hebben ze aanminnige poezen. Het rondetafelgesprek tussen de genomineerden hoefde tijdens De Plantage niet over literatuur te gaan: de stoel van nominé Van der Heijden was leeg, als dat geen prachtig onderwerp was van gesprek! De rest van het gesprek ging over het humeur tijdens het schrijven, want de boeken waren 'te dik’ om daar in zo'n korte tijd over te praten.
  2. DE GROTE Geldprijzen zijn de Nederlandse Booker Prize. Doordat ze werken met nominaties zijn ze goed voor het literaire debat. De Akoprijs volgde inderdaad het stramien van de prestigieuze Britse Booker Prize, met nominaties en al. Maar in Nederland lijkt iets wat prestigieus is bedoeld automatisch te verworden tot een klucht. Net toen literair Nederland wat begon te wennen aan het systeem van nominaties, en de kribbige stukken in de krant over de missers van de jury’s plaats begonnen te maken voor meer serieuze beschouwingen over de literaire oogst van een jaar, ontstond er ruzie en waren er opeens twee Grote Geldprijzen. Met de later opgerichte Gouden Uil-prijs kan het gebeuren dat een schrijver drie keer in een jaar wordt genomineerd en welgeteld achttien maanden (!) als genomineerde door het leven moet. Omdat de Akoprijs in 1992 behalve de shortlist ook de bekendmaking van een longlist instelde, en de andere Grote Geldprijzen dat hebben overgenomen, houdt het bal der nominés nooit op. Krantenredacties weten ook niet meer wanneer ze aan welke prijs aandacht moeten besteden, dus is het literaire debat verstomd. Laat staan dat 'gewone’ lezers nog iets van het curieuze prijzenbombardement snappen.
  3. DE GELDPRIJZEN zijn grote literaire prijzen. Dat is een typisch voorbeeld van devaluatie van termen. Al in 1987 werd de Akoprijs in de kranten tot de 'grootste’ literaire prijs gebombardeerd. Groot is in dit geval domweg synoniem met veel geld, 'that clinging clanging sound, that makes the world go round’. Al bij de oprichting werd er een genereus prijskaartje aan de prijs gehangen: de 'winnaar’ zou worden beloond met vijftigduizend gulden. In 1993, bij de splitsing in twee prijzen, werd dat bedrag nog eens verhoogd tot een ton. Van der Heijden mag die bom duiten dan wel 'pokon voor de fiscus’ noemen, veel schrijvers kunnen er een jaar lang ongestoord van schrijven. Eigenlijk zou G-prijs een mooie naam voor alle commerciële prijzen zijn: G staat voor gulden en geld. Of de Grote Geldprijzen behalve commercieel interessante ook belangrijke literaire prijzen zijn, is maar de vraag. 'Het is een rondedans, en met literaire erkenning heeft het niets te maken’, zei voormalig Ako-jurylid Maarten ’t Hart terecht: 'Ooit is de Ako Literatuurprijs gewonnen door een Belgische mevrouw met heel grote oorbellen.’ Hij doelt op Brigitte Raskin, van wie na het winnen van de prijs nooit meer iets is vernomen. Er is wel vaker geconstateerd dat de jury’s van de geldprijzen vooral de literaire communis opinio willen tarten. Elke lijst van genomineerden moet immers een verrassingspakket zijn en liefst een of twee boeken bevatten van beginnende schrijvers die door de kritiek volledig over het hoofd zijn gezien. Dat levert soms aardige ontdekkingen op, maar het is zeer twijfelachtig of die verrassingen beter zijn dan de boeken van gerenommeerde schrijvers.
  4. DE GROTE Geldprijzen hebben elk jaar een terechte winnaar. 'Van de kwalificatie “beste boek van het jaar” wil de jury zich distantiëren’, zei Hans van Mierlo, voorzitter van de eerste Ako-jury. 'De prijs mag nooit meer dan een leesteken zijn, een puntkomma, geen uitroepteken.’ Marcel van Dam, voorzitter van de jury van de G-prijs, zegt het hem tien jaar later na als hij het criterium van de shortlist onthult: 'Als je daarop komt, moet je de prijs kunnen krijgen.’ Het zijn nu eens geen beleefde leugens. Het wedstrijdelement van de geldprijzen ten spijt: een literaire uitreiking is geen hardloopwedstrijd, een onbetwiste winnaar bestaat niet. Waarom werd Bernlefs Publiek geheim in 1987 bekroond en niet Kellendonks Mystiek lichaam? Waarom was Advocaat van de hanen van Van der Heijden in 1991 niet eens genomineerd? Alleen omdat juryvoorzitter Bolkestein het 'te wijdlopig’ vond? Van der Heijden sprak later van een 'vies spelletje’: Bolkestein had hem op politieke gronden de prijs afhandig gemaakt, omdat diens partijgenoot Korthals Altes in het boek een hak wordt gezet. Waarom kreeg Möring in 1993 de prijs en niet Mulisch voor zijn magnum opus De ontdekking van de hemel? Je kunt er lang en breed over speculeren; het enige wat zeker is, is dat de willekeur regeert. Misschien is het niet collegiaal dat Van der Heijden afgelopen zondag verstek liet gaan - als de andere genomineerden ook waren weggebleven, was de innige omstrengeling verbroken en de uitreiking niet doorgegaan. Door zijn afwezigheid zaten zij er extra lullig bij. Maar Van der Heijden heeft wel gelijk als hij stelt dat hij een hekel heeft aan het woord 'winnaar’. 'Als schrijver’, zei hij, 'ben je al winnaar over de stof. Je kunt niet nog een keer winnen, maar alleen beloond worden voor gedane arbeid.’
  5. HET IS GOED voor schrijvers als er veel prijzen zijn. Hoe meer prijzen er zijn, hoe minder ze waard zijn. Dat is een redenering waar geen speld tussen te krijgen is. Er bestaan in Nederland een stuk of vijftig literaire prijzen, daar kunnen nog zo'n tien Vlaamse en vier Nederlands-Vlaamse prijzen bij worden opgeteld. Bij elkaar zijn dat er meer dan zestig. Elke week kan er een literaire prijs worden uitgereikt. Je kunt je dan ook afvragen of er nog Nederlandse schrijvers zonder prijs bestaan. Is het dan goed voor een schrijver als hij een Grote Geldprijs krijgt? Van schrijven alleen word je - meestal - niet rijk. Bij Hanneke Groenteman was de vorige winnaar van de (toen nog Ako)prijs te gast. Frits van Oostrom vertelde dat hij een kekke cabriolet van het prijzengeld heeft gekocht en dat er soms wel eens een dag voorbijgaat dat hij niet aan de prijs denkt, 'maar niet een week’. Stel eens voor hoeveel literaire energie er verloren gaat met het winnen van de prijs en het genomineerd zijn! Alle verzoeken tot interviews, tv-optredens, bezoeken aan de belastingconsulent, feesten van de uitgever en feesten voor je vrienden - je hebt net een ton gewonnen, nietwaar.
  6. DE commercialisering is slecht voor de literatuur. Gelukkig niet. Het is een godswonder dat al die genomineerde en te nomineren schrijvers zich toch telkens weer tussen hun keurige mappen met aantekeningen verschansen en een nieuw boek schrijven. En dat ze onder het geweld van de Grote Geldprijzen, tv-optredens en toptienen geen berekenende boekenfabrikanten worden, maar met koppige volharding hun eigenzinnige weg volgen.