Het bal van van der ploeg

Staatssecretaris Rick van der Ploeg is voor een promiscue cultuurbeleid. Dansend van de ene blind date met een kunstminnende ondernemer naar de volgende met een kwaliteitsdeskundige dient de overheid soepel te bewegen op de verschillende ritmes van de tijd. Dat is niet nix! En heel postmodern. De vraag is wat het precies betekent.

In zijn toespraak bij de opening van het onmiskenbaar elitaire Theaterfestival hield Van der Ploeg een pleidooi voor cultureel ondernemerschap en voor een andere rol van de overheid. Dat eerste, een grotere betrokkenheid bij en inzet voor de kunsten van ondernemers, is alleen maar toe te juichen, en het is een goede zaak dat het ministerie zo nu en dan een dansje doet met een grootinvesteerder om die op zijn culturele taak te wijzen. Maar meer dan dat kan Van der Ploeg niet. Het succes zal afhangen van de ondernemers zelf.
Die andere rol van de overheid moeten we dus elders zoeken. Afgezien van het blind date-gedrag vinden we die nieuwe rol in een meer democratische opvatting van cultuur en in het voornemen meer ruimte voor innovatie en voor jonge kunstenaars te maken. Van der Ploegs aanval op de elitekunst en zijn pleidooi voor een democracy of culture, overgenomen van New Labour-goeroe Geoff Mulgan, heeft de discussie over kunstbeleid volgens het hoofdcommentaar van NRC Handelsblad in één klap teruggesmeten naar het niveau van twintig jaar geleden. De NRC herinnerde zich vermoedelijk met afgrijzen de sociaal-democratische neiging in de jaren zeventig om cultuurpolitiek te verwarren met, erger: te reduceren tot vormingswerk en buurt- en clubhuiswerk. Maar Van der Ploeg doet iets heel anders. In plaats van kunst en cultuur op traditionele wijze gelijk te stellen met volksopvoeding vanuit een elitair perspectief keert hij de zaken om. Simpel gezegd stelt hij de massa ten voorbeeld aan de elite, de braderie en BZN aan de vernissage en het zondagmiddagconcert. Hij vergelijkt het ene behoudende en oppervlakkige culturele gebeuren met het andere, om vervolgens vast te stellen dat ze verdacht veel op elkaar lijken. Op één punt verschillen ze echter radicaal: BZN verdient haar geld zelf, het zondagmiddagconcert is zwaar gesubsidieerd; de braderie is een initiatief van de winkeliersvereniging, de vernissage onderdeel van een gesubsidieerde expositie.
Voorts constateert Van der Ploeg dat er relatief veel subsidie naar het conserveren van bestaand cultuurgoed gaat (de orkesten met hun vaste repertoire, de grote musea etcetera) en relatief weinig naar innovatie en naar jongere kunstenaars en kunstvormen. Van der Ploeg smijt het kunstdebat daarmee niet twintig jaar terug, maar hij verwoordt voor het eerst gevoelens die al veel langer leven bij het ministerie van OC&W en vooral ook in de kunstwereld zelf. Van der Ploeg wijst terecht op de snelle en eindeloze proliferatie van nieuwe media en genres, van video-art tot Internet-design en van digitale architectuur tot de enorme mengelmoes van stijlen en stromingen in de popmuziek. Veel van die vernieuwing voltrok zich zonder een duidelijk voorwaardescheppend beleid van de kant van de overheid, en in veel gevallen is het aantoonbaar dat dat het belang en de kracht van zulke vernieuwingen heeft beperkt of gefrustreerd. Met name de Nederlandse popwereld roept al jarenlang om meer en betere podia, opleidingen en studiovoorzieningen. En dat is heel wat anders dan de Rolling Stones of BZN subsidiëren!
Van der Ploegs toespraak is niet het laatste, eerder het eerste woord in een nog te voeren debat over de rol en de betekenis van kunst en cultuur. Dat eerste woord was in zoverre raak dat het niet alleen de nog altijd sluimerende tegenstelling tussen hoge en lage cultuur opnieuw aanvalt, maar vooral de identificatie van kunst met gevestigde waarden, met traditie en vooral met dodelijke serieusheid en zwaarte. Zorgelijk is echter de eenzijdige nadruk op commercieel succes en de gemakkelijke frivoliteit van een dansende overheid. Kunst die niet snel is, kunst die pijn doet, vind je niet terug in de speech van Van der Ploeg. Het is overigens allereerst aan de kunstenaars zelf om te bewijzen dat de kunsten nog een dergelijke rol kunnen spelen.