Argentinie 1978

Het banket van ’78

Uit protest tegen de dictatuur ontbrak het Nederlands elftal tijdens het afsluitende banket van het Wereldkampioenschap Voetbal van 1978 in Argentinië. Frits Barend ging wel, en dist herinneringen op aan het Argentinië van die dagen.

Máxima schonk ons de gevleugelde woorden: «Hij was een beetje dom.» De PvdA wil niet achterblijven en schenkt ons nu de overweging dat we «niet zo moeten zeuren».

Woensdag 23 januari ontving ik het tweewekelijkse blad van mijn voetbalclub SC Bui tenveldert. Tegen wie moeten we zaterdag 2 februari? Tegen niemand, want «op zaterdag 02 februari 2002 is er geen programma in verband met het huwelijk van Willem-Alexander & Máxima», schrijft de wedstrijdsecretaris.

Wat zullen we nou hebben? Waarom mag ik niet voetballen als zij en hij ja en sí tegen elkaar zeggen? Beperkt als ik ben, is de wekelijkse voetbalwedstrijd op zaterdagmiddag in het tweede van SC Buitenveldert mijn enige hobby, mijn grote passie, mijn allesoverheersende liefde, mijn reden van bestaan, mijn bevestiging als man, mijn alibi niet te hoeven winkelen op zaterdagmiddag, mijn rechtvaardiging zaterdagavond uitgeteld op de bank televisie te kijken.

De winterstop is eindelijk voorbij, de velden zijn groen, de regen schuurt over de bomen, het vriest niet, dus wat let ons? We hebben wel onder slechtere omstandigheden gespeeld. Er is geen enkele aanleiding dat we niet zouden kunnen spelen omdat hemelsbreed twee kilometer van ons vandaan de Mobiele Eenheid, marechaussee en alles wat orde en tucht vertegenwoordigt let op die ene verstoring van de orde. Wij spelen wekelijks, ook uit, zonder ME. Zelfs toen Nederland op het Museumplein massaal demonstreerde tegen kruisraketten, moesten wij voetballen. Ik was het daar overigens mee eens, maar velen in mijn team vergezelden voor een keer hun echtgenote en vriendin op de heilige zaterdagmiddag naar die potsierlijke schijndemonstratie.

Toen Nederland rond de jaarwisseling 1980/1981 deelnam aan een officieus mini-WK in het toen ook dictatoriaal geregeerde Uruguay, kregen we twee punten in mindering en een boete van 250 gulden omdat we als team een wedstrijd demonstratief weigerden te spelen onder een KNVB die collaboreerde met de machthebbers in Montevideo. En nu zal ik niet mogen voetballen? Daar kan ik niet genoeg over zeuren. Ik heb nog slechts een hoop voor de heilige zaterdag 02-02-2002: dat de regen met bakken uit de hemel komt. Dan was mijn zaterdag in verband met algehele afgelasting toch verpest.

Ik had dit artikel met herinneringen aan het Argentinië van 1978 heel anders willen beginnen, maar de oproep van notabelen binnen de PvdA dat we moeten ophouden met zeuren, dwingt je haast tot zeuren tot in den treure. Maak de tweede februari tot nationale zeurdag. Toen ik Van Nieuwenhoven en Kok hoorde zeuren over het ophouden over zeuren over papa Jorge, dacht ik eerst even dat ze de spreekbuis waren van onze vorstin. Maar na het televisie-interview met Máxima en Willem-Alexander weet ik het zeker. Ze zijn niet de spreekbuis, maar de zeurbuis van Beatrix.

Zelfs nu nog zegt Willem-Alexander dat het Wereldkampioenschap van 1978 vooral het Wereldkampioenschap van die bal op de paal was. Ach, denk ik weleens, wat kun je gelukkig zijn als je van niets weet en van niets wilt weten. Die opmerking van de troonopvolger zegt iets over het huishouden van de Oranjes. Zouden papa en mama nooit tegen hun oudste zoon hebben gezegd dat het in 1978 in Argentinië om meer ging dan een bal op de paal van Rob Rensenbrink? Nee dus, of was de veel geroemde Prins Claus toen nog niet ziek?

Na de verloren finale verdween het Nederlands elftal snel naar zijn hotel in Buenos Aires en negeerde bij wijze van protest het verplichte banket. Omdat ik heel, heel ver in de verte iets weg had van Wim Rijsbergen, kregen fotograaf Bert Nienhuis en ik toegang tot dat zwaar bewaakte banket. «Ha, kijk eens, toch nog een speler van Oranje», zei de ceremoniemeester toen hij om mijn nek de accreditatie van een speler van het Nederlands elftal ontdekte. «Waar zijn je ploeggenoten? Wat flauw dat zij niet komen, maar klasse dat u bent gekomen.»

Aan een tafeltje in een zeer verre uithoek zaten scheidsrechter Charles Corver, KNVB-bondsvoorzitter Meuleman en zijn collega van de amateurs Van Marle, met tussen hen in NOS-producer George Tor, te glunderen. Zij keken terug op een geslaagd toernooi van onze nationale scheidsrechter en nationale ploeg. Aan een officiële Fifa-tafel zaten Rinus Michels en zijn vrouw.

Het was kwart voor negen. De president (van Argentinië) nam het woord en sprak de historische woorden «dat de republiek Argen tinië, ons prachtige, rustige en vreedzame land vijfentwintig dagen lang middelpunt van de hele wereld is geweest». Hij reikt de trofee voor het sportiefste team uit aan de Argentijnse aanvoerder Daniel Passarella en bidt tegelijk tot god dat deze trofee een waar symbool voor vrede op aarde mag worden. Kortom, aan retoriek geen gebrek.

Na een hapje en een drankje schuifelen we richting hoofdtafel, zodat we ineens achter de grote baas zelf, generaal Jorge Videla, staan. We feliciteren hem in het Spaans met de behaalde wereldtitel. «Dank u», spreekt hij fideel. Ook hij is blij dat er een speler is gekomen. Ik maak hem duidelijk dat hij een Nederlandse journalist voor zich heeft en vraag hem naar zijn mening over de niet verschenen spelers van het Nederlands elftal. De president wil zich niet laten verleiden tot een opmerking over het wegblijven der verliezers van de finale. «Houdt u er toch over op. Ik was uitgenodigd en ben keurig aanwezig, zoals het fatsoenshalve hoort. Zij zijn vrij om niet te komen. Vraag het hen, zij moeten daar een mening over hebben.»

De soep wordt opgediend. Videla vraagt of we hem in staat willen stellen zijn soep te lepelen. Natuurlijk, smakelijk eten, maar nog één vraag: op de dag van de feestelijke opening van het Wereldkampioenschap was ik niet in het stadion, maar op het Plaza de Mayo en heb daar gesproken met de dwaze moeders.

«Mag ik u vragen», waag ik, «naar het lot van al die verdwenen kinderen en ouders van ouders en kinderen die we in Mendoza en Buenos Aires persoonlijk hebben gesproken?»

De woede van Videla is hoorbaar en zichtbaar.

«Dat lijkt me geen vraag die u stelt aan een diner en zeker niet aan het slot van een sportieve krachtmeting zoals we hier in de afgelopen weken hebben gehad, en die we op het punt staan feestelijk af te sluiten.»

Denkend aan papa Jorge, tot wie pas in 1983 doordrong dat er mensen waren verdwenen onder het bewind waarvan hij lid was, en de dochter en haar Alexander die hun papa geloven, lees ik nog eens na wat «die andere bron», om Willem-Alexander te parafraseren, op 25 juni 1978 rond negen uur letterlijk zei.

«Ik zal u dit zeggen: zoals in alle oorlogen zijn hier doden gevallen, mensen verdwenen en gevangen gezet. Zoals u weet zal Holland wel dezelfde ervaring hebben uit zijn oorlog en Frankrijk en Duitsland uit de hunne. Argen tinië, en dat zal ik niet ontkennen, heeft een oorlog gevoerd met een agressor die door het buitenland werd gevoed en geïnspireerd en die onze stijl van leven wilde veranderen. Daar tegen moest Argentinië zich verdedigen en daarom moest dit land een oorlog voeren. De consequentie daarvan is dat het land heeft moeten lijden onder de consequenties van een oorlog. En nu vind ik het wel genoeg, ik wil mijn soep eten.»

Ik stel nog een vraag, maar die wordt genegeerd. De fotograaf en ik maken hardhandig kennis met wat tegenwoordig veiligheids beambten heten. Tot onze verbazing worden we alleen verwijderd van de hoofdtafel. Tot half een blijven we gast van Videla, de voorzitter van het organisatiecomité generaal Merlo — die ons wil doen geloven dat Nederland ook verstek had laten gaan bij het slotbanket in 1974 in München — en de juntaleden Massera en Agosti.

Eenmaal gezeten aan een eigen tafel maakt de opwinding zich van de journalist in ons meester, het bandrecordertje in mijn binnenzak had het gedaan.

Tegen half een ’s nachts meldden we ons aan de bar van het hotel van het Nederlands elftal, dat de volgende ochtend vroeg via Curaçao zou terugvliegen. Daar kwam de domper. Fotograaf Nienhuis was zijn paspoort, zijn portefeuille en al zijn geld en waardevolle spullen kwijt. De veiligheidsbeambten hadden voor alle zekerheid in de officiële garderobe zijn jas gerold. Daar stonden we, midden in de nacht. Wij konden zonder paspoort het land niet uit. De daarop volgende ellende van een tegenwerkende ambassadeur bij het verkrijgen van een nieuw paspoort, toevallige telefoontjes midden in de nacht, de gedwongen en niet geplande tussenstop van een etmaal op de luchthaven van Mendoza tijdens onze vlucht met Aerolinas Argen tinas naar Santiago de Chili na het geleverde tijdelijke paspoort, doen nu even niet ter zake. Zij waren het logische gevolg van zes weken Mundial.

Tijdens de opening op donderdag 1 juni 1978 hadden we kennisgemaakt met de zogenoemde Dwaze Moeders die ons dwingend vroegen aandacht te schenken aan hun verdwenen kinderen. De opening was niet toevallig gepland op de tot nationale feestdag gepromoveerde donderdag. Door de opening van het Wereldkampioenschap te laten samenvallen met de wekelijkse aandacht die de dwaze moeders vroegen voor de «desaparecidos», werd voorkomen dat de sportpers massaal naar het Plaza de Mayo uitrukte. Zo stond ik om vier uur precies circa vijf minuten op een geheel verlaten Plaza de Mayo omringd door een groepje van vijftien vrouwen van middelbare leeftijd. Zij legden beheerst uit dat het ging om hun eigen kinderen en kleinkinderen, ze smeekten om aandacht van de aanwezige voetballers en sportpers en bedankten me voor mijn komst in die surrealistische omgeving, op dat verlaten plein, dat normaal op donderdag zo druk is als de Munt in Amsterdam, maar toen zo verlaten en stil was als een gemiddelde woonwijk om drie uur ’s nachts in Almere. Ik kreeg een roos en een briefje met namen. Helaas ben ik die reli kwieën kwijt.

Net zo plotseling als ze het geheel verlaten plein hadden betreden, verdwenen ze, nageroepen door ook ineens gearriveerde provocateurs die mij probeerden duidelijk te maken dat de vrouwen hoeren waren op zoek naar klanten. Ja, ja, om vier uur ’s middags op een verlaten plein, maar dat zei ik niet, dat realiseerde ik me pas na terugkeer in mijn hotel.

In Buenos Aires zwierven we ook uren door de joodse wijk, mede omdat we in Nederland hadden begrepen dat de junta ook nog eens antisemitisch was. Rond 1978 woonden er ruwweg vijfhonderdduizend joden in Buenos Aires, waarmee de Argentijnse hoofdstad qua joodse populatie de derde stad van de wereld zou zijn na New York en Tel Aviv. Ik waande me in het Amsterdam van voor de oorlog, met veel rumoer, zuurstalletjes, jiddisch sprekenden en vooral veel zogenaamde stinkeltjes. Daar ook werd me duidelijk dat er veel joodse studenten waren verdwenen, maar niet omdat ze jood waren, maar omdat de joden in Argentinië blijkbaar onevenredig waren vertegenwoordigd in mensenrechtenorganisaties. Onder Perón zou het antisemitisme virulenter zijn geweest. Toch voelde je ook daar de angst voor het onbekende en de vrees openlijk thuis met ons te spreken over de wijdverspreide arm van de junta, zoals we die voelden in gesprekken met mensen in Mendoza en Córdoba, de plaatsen waar Nederland speelde en waar wij verbleven.

We leefden nog in het pre-computertijdperk, en Vrij Nederland, het weekblad waaraan ik toen verbonden was, had in tegenstelling tot de dagbladen geen stenotypistes die je kon bellen. Zo ontstond in Mendoza al snel een bijzondere band met de typiste die onze artikelen naar Nederland zou telexen. Van dagbladcollegae hadden we begrepen dat zoiets twee uur in beslag nam en dat je daarna je getelexte versie kon ophalen. Het telexen van ons stuk duurde kennelijk een etmaal. De typiste trachtte ons duidelijk te maken dat ons stuk was «gelezen», dat er te veel namen als Videla en Massaro in voorkwamen. Ze bracht ons in contact met ouders van een verdwenen dochter en verzocht ons tegelijk dringend geen adressen en telefoonnummers op onze kamers achter te laten. We zagen haar op haar werk, waar ze deed alsof ze ons nauwelijks kende. Na tien dagen was ze opeens verdwenen.

Toen wij paspoortloos door Buenos Aires zwierven, dook ze ineens op. Ze was door waargenomen contacten met die Hollandse verslaggevers op staande voet ontslagen, ondergedoken en via vrienden in de hoofdstad terecht gekomen. Ze gaf een nummer dat we, zoals we gewend waren, uit ons hoofd leerden. Of we haar alsjeblieft mee wilden nemen. Haar leven was ze niet meer zeker. ’s Avonds zouden we haar ontmoeten. Die middag, vier dagen na de finale, kreeg Bert zijn paspoort en het dringende advies Argentinië meteen te verlaten. Kunnen we niet nog een dag blijven? Of we het advies niet hadden begrepen.

Het Wereldkampioenschap was voorbij, er waren bijna geen buitenlandse journalisten meer in Argentinië en een journalist kon ook verdwijnen. Bovendien wilde ambassadeur Van den Brandeler niets met ons te maken hebben. In Nederland was het nacht, alles en iedereen was dicht. Twee dagen later belden we vanuit Chili naar het opgegeven nummer. Een oude man nam op. Wij lieten voorzichtig een aanwijzing naar de naam vallen. Meneer wist van niets, hij woonde al jaren op dit nummer. Zei hij. We hebben haar nooit meer gesproken en nooit meer iets van haar vernomen. Als ze leeft, is ze rond de vijftig.

Áls ze nog leeft.