Het baritonale

Echt beroemd werd hij nooit, maar voor kenners hoort hij bij de top. Niet alleen vanwege zijn stem. Ook omdat hij ‘zo prachtig kan zitten’. Interview met Jan Derksen, een Hollandse operazanger.
`ER ZULLEN VAST mensen zijn die denken: laat hij nou maar eens opdonderen, zodat we eindelijk van die etterbak af zijn.‘ Een hartelijke lach buldert door de Amsterdamse woonboot, die op peddelafstand van de Stopera is gelegen. 'Maar ik ga ermee door tot ik erbij neerval. Zolang ik maar het gevoel heb dat ik de mensen nog kan pakken en overtuigen.’

Operazanger Jan Derksen is op zijn drieenzestigste nog goed op dreef en minstens zo goed bij stem. Zijn zangleraar Hermann Schey ging door tot zijn tachtigste, dus daar kan hij een voorbeeld aan nemen, zegt Derksen met een optimistische grijns. ‘Ik vind het nog steeds zalig, ik heb eigenlijk het gevoel dat ik mijn leven lang vakantie heb. Iedere repetitie is een soort verjaardagsfeestje. Het repeteren is vaak nog leuker dan de voorstellingen, omdat je dan van alles kunt proberen en creeren, zonder die zenuwen erbij.’
Nadat de meester van de lagere school vader Derksen per brief had geattendeerd op Jans fraaie stem, belandde Derksen jr. via het kinderkoor en het amateurcabaret op het conservatorium. Na zijn eindexamen week hij voor de nodige buhne-ervaring uit naar Duitsland. Hij debuteerde in Trier als Rodrigo in Don Carlos. Later zong hij onder meer de titelrollen in Macbeth en Rigoletto, was hij Renato in Un ballo in Maschera, en vertolkte hij een alom geprezen Scarpia in Tosca.
Een leven dat al veertig jaar in dienst van zijn stem staat en waarin een bacil of tochtvlaag een ramp kan betekenen. Maar Derksen heeft niet het gevoel dat hij ook maar een offer voor zijn zangcarriere heeft moeten brengen. 'Je moet alleen zorgen dat je in goede conditie bent. Opera zingen is topsport. Maar ik houd van sport en van lichamelijk werk, van timmeren en werken aan mijn boot. Deze stoelen heb ik zelf gemaakt, en die tafel en die werkbank ook.’
JAN DERKSEN IS in alle opzichten wars van uiterlijk vertoon. Hij ontvangt ons in vrijetijdskleding met daarboven een warrige bos haar, zich verontschuldigend dat hij niets te drinken kan aanbieden - hij heeft alleen nog een bodempje rode wijn staan. In de stad kom je hem tegen op zijn fiets, onderweg van de supermarkt naar zijn woonboot. Dat is niet zo'n popperig bakstenen huisje op het water, maar een echte boot, die zelfs nog kan varen. Zacht deint het schip mee op de grachtengolfjes en kraakt en knarst het voortdurend door het gesprek heen. Zijn eigenaar heeft meer weg van een verweerde schipper dan van een gevierd operazanger.
Is dat misschien ook de oorzaak van het feit dat Derksen, ondanks alle lof voor zijn zangprestaties, nooit echt wereldberoemd is geworden? Derksen: 'Mwah, wat heet wereldberoemd - dat zijn er misschien vijf of zes. En dat ben ik niet, nee, zeker niet. Ik ben wel de hele wereld over geweest, maar wereldberoemd ben ik niet geworden. Dat is ook niet zo eenvoudig hoor, daarvoor had ik waarschijnlijk veel meer publiciteit moeten maken. Maar ik ben eigenlijk altijd een beetje kopschuw geweest en vond het al gauw goed. Ik heb dan ook rollen gedaan in prachtige, grote opera’s die me minder voldoening gaven dan een rolletje in een klein Duits theater dat artistiek tien keer beter was.
Maar ik heb ook wel echte kansen gemist. Ik werd eens gevraagd om vijf keer Wilhelm Tell van Rossini te doen, terwijl ik in diezelfde periode al 27 avonden in Lucia di Lammermoor zou staan. Die laatste opera leverde volgens mijn agent meer geld op en hij zei dat ik Wilhelm Tell daarom moest laten lopen. Dat is een geweldige inschattingsfout geweest. De man die de rol toen kreeg, een Fin, is met die voorstelling de hele wereld over gegaan en heeft allerlei platen gemaakt. En ik heb geweigerd! Die agent heb ik ogenblikkelijk de laan uitgestuurd.
Misschien had ik ook niet de beste contacten en relaties met agenten en theaters, die me toch al lastig vonden. Ja, ik ben altijd vrij lastig geweest. Op momenten dat ik meende niet tot ontplooiing te kunnen komen, kreeg ik weleens ruzie met de regisseur, vooral als ik dingen moest doen die volgens mij nergens op sloegen. Kijk, ik ben in 1952 begonnen met de studie van Othello. Twintig jaar later heb ik die rol voor het eerst op de buhne gezongen. Dat is twintig jaar van intensieve studie, van diep ingaan op de materie. Later heb ik in Dresden nog eens in de Othello gestaan. Kwam er zo'n Oostduitse regisseur die geen woord Italiaans sprak en die mij dingen wilde laten doen die er volgens mij helemaal niet stonden. Op zo'n moment denk ik gewoon: man, ik weet er veel meer van af dan jij. Ik heb over die stukken nagedacht en ik heb altijd mijn eigen persoonlijkheid in mijn rollen willen brengen. Dat is aan de ene kant mijn kracht, maar aan de andere kant levert dat nog weleens botsingen op. Maar dat is toch niet zo erg? Er komen soms ook jonge dirigenten bij me langs met vragen over een stuk dat ik in het verleden heb gedaan. Dat vind ik erkenning. En ik vind het een erkenning dat ik al veertig jaar dit beroep kan uitoefenen en nog steeds word gevraagd.’
Veel opzien baarde Derksen begin jaren tachtig met zijn mededeling dat hij het baritonvak zou verruilen voor dat van tenor. Om die beslissing in 1990 weer terug te draaien.
Derksen: 'Ik had altijd de neiging om de hoogte in te gaan - als bariton zocht ik steeds partijen in de hogere ligging. Nu is er tussen een hoge bariton en een lage tenor maar weinig verschil, maar toch had ik altijd het idee dat ik ertussenin zat. Want in het tenorzingen trok juist de baritonale, menselijke kant mij weer aan. Ik ben tenor geworden voor Othello en voor Tannhauser: dat zijn exceptionele, dramatische tenorpartijen. Ik moest het gewoon doen, het was een artistieke drang. Terwijl je in feite een goedlopende winkel opgeeft om je in het diepe te storten.’
EEN SUCCES IS zijn ommezwaai niet geworden. 'Ik denk dat het daarvoor te kort heeft geduurd. Ik heb in het Concertgebouw een paar keer de Negende van Beethoven gedaan, en het Requiem van Verdi. Dat ging best goed, maar het Nederlandse publiek is zo behoudend. Je wordt een beetje hun eigendom en een heleboel mensen namen me die overstap niet in dank af. Ik had een redelijk groot publiek omdat ik hier als bariton schitterende rollen heb gedaan in Macbeth, Aida, Falstaff, noem maar op. Dus werd ik soms op straat aangesproken: “Wat maak je me nou?” Het heeft mij wel teleurgesteld dat de meeste mensen niet de artistieke moed hebben gewaardeerd, maar dachten: die man is niet goed bij zijn hoofd, die verspeelt al zijn goodwill.
Ik heb het vijf, zes jaar geprobeerd en ik heb er heel veel plezier en voldoening van gehad, maar op een gegeven moment heb ik eieren voor mijn geld gekozen. Er bleven steeds maar aanvragen komen voor baritonpartijen, meer dan voor tenor. Ik dacht toen: ik blijf niet tegen de stroom inzwemmen. Ik heb bovendien een enorm reservoir aan baritonpartijen die ik zo uit de la kan trekken, terwijl ik iedere tenorpartij nieuw moest instuderen.
Maar het is een intermezzo geweest waarvan ik vermoed dat het mijn stem gered heeft, omdat ik gedwongen werd weer echt serieus te studeren. Ik studeer nu ook de baritonpartijen opnieuw in op dezelfde, grondige manier. Vroeger ging dat allemaal heel vlotjes en omdat ik een zekere naam had, vond men alles mooi, maar vaak was het helemaal niet zo denderend. Door dat tenor zingen in die hogere ligging moest ik mijn kop er weer goed bij houden. Tenoren moeten vaak de hele avond op hun tenen lopen. Ze zingen altijd aan de grens van hun stembereik. Ik denk dat het daarom vaak van die zenuwlijders zijn.
Eigenlijk is iedere zanger een zenuwlijder. Dat is ook nodig voor de spanning op het toneel en de intensiteit van een rol. Al zie ik vaak operavoorstellingen waarvan ik denk: het zou mij niet achter de kachel vandaan lokken. Dan is het allemaal wel netjes en keurig maar niet zo dat het publiek het trijp van de stoelen gaat plukken. En dat is wel de bedoeling, vind ik. Maar sommige zangers zijn veel te bang om hun emoties op het toneel te tonen.’
Derksen zelf kent die angst niet; hij 'kan zich op sleeptouw laten nemen door zijn pathos’, kan 'zingen en acteren in ene!’ en is 'het tegendeel van een zingende klerenkast’ volgens Wilhelm Schon, alias de critici Elmer Schonberger en Willem Jan Otten. In hun bundel Ik lach bij het zien noemen zij Derksen 'een witte raaf in operaland’ en prijzen ze zijn inzicht in opera en vooral zijn acteerwerk. 'Ook kan hij prachtig zitten, iets wat op de operaplanken nauwelijks voorkomt.’
'Ik vond het heel leuk dat ze dat schreven’, zegt Derksen. 'Goed kunnen zitten of iemand doodmaken op de buhne is een hele kunst. Ik ben heel wat doden gestorven op het toneel en dat zou ik jonge operazangers graag willen leren. Maar er is zo weinig belangstelling voor de jarenlange kennis die je hebt opgebouwd. Zelf ging ik vroeger altijd kijken en praten met oudere collega’s, en nu zou ik best dramatische les willen geven. Niet alleen het la-la-la, mij boeit het hele pakket. Ik ben eigenlijk voor zestig procent acteur en voor veertig procent zanger. Nou…’ - aarzelend zwakt hij zijn bewering af - 'zeg maar fifty-fifty. Ja, ik vind dat je in je rol de mensen eigenlijk moet doen vergeten of je nou ook nog mooi aan het zingen bent.’
'EN DAN KOM ik vanzelf op de regie.’ Derksen praat gedreven door en heeft de leiding van het gesprek stevig in handen. Als je zijn betoog onderbreekt, kijkt hij een beetje verstoord op.
'Ik vind dat sommige zangers nog steeds als houten klazen op de buhne staan. De huidige vernieuwing strekt zich niet uit tot de personenregie. Het is vaak zo uiterlijk. Je ziet een prachtige nieuwe enscenering met allemaal nieuwe ideeen: Don Giovanni staat op de snelweg van Haarlem naar Amersfoort, Cosi fan tutte speelt in de gaarkeuken. Maar al die poespas die erbij wordt gehaald, die rook en die enorme decors: het is vaak niet nodig. Ik vind het zelfs een beetje burgerlijk, het lijkt allemaal met de meetlat gemaakt. Ik ben sterk voor vernieuwing maar ik vind dit geen vernieuwing, ik vind dit vervreemding. Het is veel belangrijker dat je het achterste van je tong durft laten zien, dat de mensen flauwvallen als je iemand iets aandoet op de buhne. Als ik als Scarpia opkom, wil ik dat er een siddering door het publiek gaat. Callas hoefde maar haar wenkbrauwen op te trekken en de koude rillingen liepen je over de rug.
In de Stopera worden zeker prachtige voorstellingen gegeven, maar een stuk uit de renaissance kun je toch niet situeren op een vliegveld in de Peel! Componeer dan een nieuw stuk en geef niet al dat belastinggeld uit aan experimenten. Die horen erbij, want anders is de opera binnen tien jaar een fossiel, maar je moet ook een conservator zijn. En het echte, Amsterdamse operapubliek moet je af en toe een lepeltje slagroom geven door weer eens een voorstelling te brengen met prachtige historische kostuums en een mooie belichting. Dan is het maar een keer “ouderwets” - daar zitten duizenden mensen op te wachten. Als ik over de Albert Cuyp loop, word ik weleens aangesproken: “He, wanneer komt er weer eens iets voor ons?” ’
En dan het gebouw waar zich dat allemaal afspeelt: de Stopera. Dat vindt Derksen een onpersoonlijk en sfeerloos ding, net een fabriek, of nee, net een kangoeroe: 'Grote sprongen, niets in de zak.’ Een enorm toneel, maar een akoestiek van niks. Het orkest klinkt niet goed, en dus moet er weer voor miljoenen verbouwd worden. Alsof de facade niet al lelijk genoeg is. En dan moest er zonodig nog een stadhuis aan vastgeplakt worden, geheel in de geest van de Hollandse koopman.
'Wat ook heel erg is’, moppert hij verder, 'is dat er geen opleiding is. Aan dit theater moet een opleidingsinstituut verbonden zijn; je kunt het conservatorium ook wel schudden als afgestudeerde zangers niet in een vloeiende beweging in de opera terecht kunnen. Hoe moeten ze dan ervaring opdoen? Laatst hoorde ik op een auditie een jonge bas die fantastisch was, maar toen ik hem vroeg wat hij deed, zei hij: niks, ik krijg geen rollen. Natuurlijk moet je voor de hoofdrollen topzangers uit het buitenland halen als die in Nederland niet te vinden zijn, maar dat gebeurt ook met de kleine rollen. Dan wordt er iemand uit Engeland geengageerd en zes weken in een hotel gestopt. Dat kost een kapitaal en ondertussen zitten onze eigen jonge zangers in zak en as. Er zijn hier zangers bij de vleet - je kunt er de grachten mee dempen. Maar Pierre Audi weet niet eens wat er op de Nederlandse markt te koop is, die werkt met buitenlandse agenten. En dat mag van het arbeidsbureau - dat is toch idioot! In Amerika mag je nog geen spijker in een tafel slaan op het toneel vanwege de protectie.’
Hij haalt eens diep adem. De achtergrond van zijn opwinding ligt ongetwijfeld in zijn verleden: ook hij moest naar Duitsland uitwijken om zijn curriculum vitae te vullen. In Nederland was er na zijn conservatoriumopleiding niets meer te doen. Via een middelgroot gezelschap en later grotere Duitse theaters kreeg hij pas na jaren in Nederland de erkenning en de rollen die hij verdiende. 'Zolang er geen opleiding is, staat het Nederlandse operabedrijf stil en valt er een groot hiaat. Dat probeer ik nu met een aantal andere mensen op te vullen in de Parkkerk in Amsterdam. We hopen daar een soort tweede fase van de grond te krijgen, waar jonge zangers, repetitoren en regisseurs kunnen gaan werken en stage lopen. We willen er een studio maken en kleinere opera’s opvoeren. Alleen moet daar nog subsidie voor komen. Terwijl er bij de opera geld genoeg zit. Het is onvoorstelbaar.’
'IK VIND HET wel leuk dat opera zo populair is geworden. Als ik vroeger vertelde dat ik operazanger was, begonnen de mensen een beetje te ginnegappen. Dat vonden ze maar gek.’
Nu is opera de hit van het kunstbedrijf. Stromen de theaters soms vol waar de kerken leegstromen?
'Ik denk het. Sinds de katholieke kerk de mystiek eruit heeft gehaald, wil men mystiek op de buhne. Er is toch geen mooier toneelspel dan een hoogmis in een Italiaanse kerk? Maar het Latijn is uit de kerk verdwenen, en de lithurgie en het gregoriaans - er zit kraak noch smaak meer aan.’
Jammer alleen, zegt Derksen, dat opera tevens zo'n snob-appeal heeft gekregen. 'Dat vind ik wel een beetje genant. En de zogenaamde kenners zijn het allerergste. Die weten het allemaal zo goed, maar ik denk weleens dat ze alles mooi vinden. Het echte Amsterdamse operapubliek dat op zondagmiddag de Stadsschouwburg bevolkte, dat was een gevreesd publiek. Dat hoorde ieder foutje, en strafte het prompt af. Die respons uit de zaal mis ik nu weleens.’
De echte operaliefhebbers vind je toch nog altijd in Duitsland: 'Ieder stadje ter grootte van Haarlem heeft daar zijn eigen opera. Allemaal goed functionerende theaters, met goede opleidingsinstituten en iedere avond opera, het hele jaar door. Het leeft daar veel meer. In Berlijn proberen ze nu heel voorzichtig twee van de drie opera’s te laten fuseren, maar het publiek accepteert het niet. Hier ligt de schouwburg toch volledig op zijn kont! Dat is een cateringbedrijf geworden waar zelfs meneer Rijnders niet meer wil spelen. En als de opera hier morgen bedreigd zou worden, gaat er heus niemand de straat op, dan gaat hij geluidloos ten onder.’