Minder opvoeding is beter

Het basismateriaal is: kind

Helikopterouders dreigen hun kroost te smoren in hun tomeloze ambitie en beschermingsdrang. De hulpverlening én de overheid hanteren verschillende ‘types’ kinderen om ze weerbaar te kunnen maken. Het idee dat het kind maakbaar is, ondervindt steeds meer weerstand.

Medium groene mannetjes

HYPEROUDERS, ÜBEROPVOEDERS of helikopterouders worden ze genoemd: ouders die hun kinderen overmatig aandacht geven, angstvallig beschermen tegen beren op de weg en aan alle kanten hun cognitieve prestaties en sociaal-emotionele ontwikkeling proberen te sturen.

Deze ouders gaan mee naar de verjaardagspartijtjes die hun kind bezoekt, staan langs de kant bij iedere voetbaltraining en evalueren na afloop met de trainer de vorderingen. Ze bestoken de leerkrachten in het basisonderwijs met informatie over het wel en wee van hun kind en instrueren ze hoe ze ermee moeten omgaan. Hun kinderen fietsen met een valhelm op, mogen niet in bomen klimmen, kuilen graven, met modder kliederen vanwege enge beestjes, zonder jas naar buiten, op de stoep rennen of bij andere ouders in de auto zitten.

Als de prinsjes en prinsesjes eenmaal op de middelbare school zitten (wat ook al een heel zoekproces kost), hangt het huiswerkschema prominent in de keuken en wordt dat op zondagavond stapsgewijs doorgenomen. Gaan ze een opleiding volgen, studeren of een baan zoeken, dan stippelen ouders het hele traject uit. In deze fase cirkelen de ouders als het ware boven hun kinderen om de vorderingen en sociale activiteiten geen seconde uit het oog te verliezen.

Wie iets van deze ouderliefde zegt of de geplande kindercarrière op een of andere manier dwarsboomt, kan rekenen op een assertieve reactie van de helikopterouders: hún bijzondere geval wordt niet begrepen en verdient erkenning. Hun inzet is bovendien gericht op wat ‘het beste’ is voor het kind. En dat betekent vooral: prestaties, zodat hun nageslacht straks goed terechtkomt in de harde maatschappij.

Tegen het fenomeen van de maakbaarheid van het kind komt steeds meer weerstand. Niet alleen van andere ouders; ook pedagogen en psychologen plaatsen kanttekeningen bij de al langer waarneembare tendens dat ouders hun kinderen categoriseren en monitoren.

Steven Pont, oud-onderwijzer, ontwikkelingspsycholoog en jeugdtherapeut, stelt dat dit hyperouderschap niet zonder gevaar is. Bij alledaagse prestaties, zoals een schooltoets of een zwemdiploma, lijden de kinderen aan faalangst – wat weer een reden is voor de ouders om een speciale behandeling te eisen. Uit onderzoek van Pont onder leidsters en managers in de kinderopvang blijkt dat negentien procent valt onder het type overbeschermende ouders. Zij constateren dat hun kinderen zich vaak ‘onzeker, onzelfstandig en nerveus gedragen en zich sneller heel schuldig voelen’. Ook wordt gemeld dat de kinderen soms een verminderde motorische ontwikkeling hebben.

Pont schreef in een artikel in de Volkskrant begin vorig jaar: ‘Doordat ze in hun jeugd geen blauwe plekken hebben opgelopen, noch op hun lijf, noch op hun ziel, hebben ze een verstoord zelfbeeld. Hun ouders hebben de fout gemaakt zich niet in te zetten voor het begeleiden van de moeilijkheden van het leven, maar vooral op het vermijden van de moeilijkheden. Hyperouders redden hun kind nog voordat het in problemen is. En dat is precies het probleem. De gevolgen zijn tweeledig. Veel kinderen van hyperouders gaan ofwel geloven dat ze niets zelf kunnen, of juist dat ze onoverwinnelijk zijn.’

Volgens Pont maakt het vermijden van kwetsbaarheid in de opvoeding kinderen juist eerder kwetsbaar. Zo kweken opvoeders uiteindelijk wat ze het meest vrezen: doetjes, die het in hun volwassen jaren moeilijk zullen hebben.

Uit een onderzoek van Columbia University blijkt dat overbeschermde kinderen later last kunnen krijgen van paniekstoornissen. Ze zijn rijp voor de psychiater. Universitaire docenten, opleiders van professionals in spe en werkgevers klagen: veel jongvolwassenen hebben een gebrek aan doorzettingsvermogen en kunnen niet ‘afzien’. Ze willen wel iets bereiken, maar dat moet snel, zonder al te veel moeite (want ze zijn moe en willen naar huis) en ze worden het liefst aan het handje genomen.

INMIDDELS is er een stroom boeken waarin wordt gepleit voor ‘slow ouderschap’. Dat komt neer op een opvoeding waarbij kinderen binnen heldere kaders zo veel mogelijk vrij worden gelaten zodat ze zich lekker kunnen vervelen of vanuit hun eigen verbeelding kunnen aanrommelen. Veel van zulke boeken komen uit de Angelsaksische wereld.

In 2006 verscheen The Dangerous Book for Boys van de Britse broers Hal en Conn Iggulden, dat in 2007 in Nederland verscheen als Het Jongensboek en in allerlei varianten navolging kreeg voor jongens én meisjes. Het kernidee achter het boek is dat kinderen wordt geleerd om zich ouderwets te vermaken met spoorzoeken, touwknopen, vuurtje stoken of kennis vergaren over sterren en schepen. Het is een statement tégen hyperouders: laat kinderen kind zijn in hun eigen wereld vol fantasie én gevaar.

De Canadese journalist Carl Honoré schreef vorig jaar de internationale bestseller Under Pressure: Rescuing Our Children from the Culture of Hyper-Parenting, waarin hij als ambitieuze vader van twee kinderen de hand in eigen boezem steekt. Honoré concludeert dat ‘wij met al onze goede bedoelingen de neiging hebben om onze kinderen te overladen met bezigheden. We zetten hen onbedoeld klem en nemen het van hen over.’ Ouderschap, stelt hij, lijkt verworden tot een project in competitie met andere ouders. Kinderen moeten het beste krijgen en de beste in alles zijn.

In het net verschenen The Idle Parent pleit Tom Hodgkinson voor een vrije opvoeding, waarin ouders hun kinderen zo weinig mogelijk in de gaten houden (zie de volgende pagina’s).

De Hongaars-Britse socioloog Frank Furedi stelt in zijn klassieker Paranoid Parenting dat ouders laconieker moeten worden en niet zo bangelijk moeten opvoeden. Furedi hield vorige maand in Amsterdam de jaarlijkse Kohnstammlezing, onder de titel ‘Het spoor bijster’, waarin hij behalve naar de ouders ook wijst naar het onderwijs als krampachtige opvoeder. De school verandert volgens hem in een therapeutische werkplaats, waar ouders en leerkrachten ‘een contract’ sluiten om (probleem)gedrag van kinderen te sturen en beheersen. Furedi heeft kritiek op de dogmatische manier waarop kinderen wordt geleerd hun emoties te bedwingen en relaties met anderen te onderhouden. Scholen moeten volgens hem in de eerste plaats gewoon goed onderwijs verschaffen.

Want zijn het niet de ouders die hun kinderen categoriseren en monitoren, dan doen inderdaad scholen dat wel. Het Nederlandse onderwijs is vanaf eind jaren zeventig doortrokken geraakt van sociaal-emotionele sturingsmechanismen. Een nieuw voorbeeld daarvan is de ‘Kanjercursus’, die door speciale teams in groep 5 tot en met 8 wordt gegeven. De ‘kanjermethode’ is er voor kinderen ‘die de moed hebben te erkennen dat ze er niet bij horen’, aldus de uitleg van het basisboek, dat is ontwikkeld door het Instituut voor Kanjertrainingen in Almere. Honderden scholen zijn de laatste jaren in de ban geraakt van de Kanjertraining. Ouders worden tijdens een introductieavond op zeer infantiele wijze aangemoedigd om mee te doen aan het rollenspel dat hun kinderen in tien sessies te wachten staat.

De methode is erop gericht het groepsgedrag in een klas bloot te leggen en stille kinderen ‘sterk’ en pesterijslachtoffers ‘weerbaar’ te maken. Kinderen worden ingedeeld in types: het konijn (angstig en komt niet voor zichzelf op), de pestvogel (speelt de baas en pest anderen), het aapje (maakt grappen) en de tijger (gedraagt zich als een kanjer). Het groepsproces wordt door een trainer gestuurd met een ‘pettensysteem’ om het gedrag te sturen. Met een zwarte pet op speelt een kind de baas, met een gele pet handelt het uit angst, een rode-petdrager hangt de lolbroek uit en iemand met een witte pet is de kanjer: ik doe gewoon en durf alleen te zijn en voel me helemaal op mijn gemak in een groep en doe daarom niet raar, en ik ben niet bazig of bitcherig.

Bij de start van deze serie lessen maakt de klas ‘afspraken’: we vertrouwen elkaar, we helpen elkaar, niemand speelt de baas, we lachen elkaar niet uit en we doen niet zielig. Hoewel wordt gestreefd naar ‘normaal doen’ en het uitgangspunt is dat ‘iedereen gelijkwaardig is’ geldt tevens als motto: ‘Niemand is zoals jij, want jij bent bijzonder.’ De uitkomst is dat notoire klieren die de klas terroriseren niet worden gecorrigeerd, maar dat de kinderen die daaronder lijden moeten leren zich weerbaar op te stellen. Tevens geldt ‘de kanjer’ als de norm, wat natuurlijk een bedenkelijk uitgangspunt is.

De Kanjercursus is bij uitstek een projectie van een volwassen maakbaarheidsideaal. De hermetische type-indeling gaat voorbij aan een rijke schakering van individuele eigenheid. En vooral ook: aan verschillen tussen jongens en meisjes. Elk gedrag wordt uit een volwassen perspectief geduid en aangepakt. Ben je stil, dan ben je eigenlijk bang. Ben je van nature grappig, dan verschuil je je achter een façade van humor. Word je boos omdat je denkt: waar gaat deze onzin over, dan word je met een witte pet gedwongen je als een ‘kanjer’ te gedragen. De ‘groepsafspraken’ zijn verzinsels van een gewenste volwassen werkelijkheid en niet die van een kinderwereld. Precies wat hyperopvoeders ook doen: een kind wordt benoemd en gepusht maar niet in zijn wezen gerespecteerd. Kinderen wordt afgeleerd zichzelf te zijn.

HET MANIFEST VAN DE LUIE OUDER

We zijn tegen het idee dat het ouderschap een inspannende bezigheid is.
We beloven plechtig dat we onze kinderen hun gang zullen laten gaan.
We zijn tegen het buitensporige consumentisme waarmee de levens van kinderen vanaf de geboorte zijn doortrokken.
We lezen hun poëzie voor en fantastische verhalen zonder moraal.
We drinken alcohol zonder dat we ons daarover schuldig voelen.
We zijn tegen de puritein in ons.
We verkwisten geen geld aan gezinsuitjes en vakanties.
Een luie ouder is een zuinige ouder.
Een luie ouder is een creatieve ouder.
We blijven zo lang mogelijk in bed liggen.
We proberen ons nergens mee te bemoeien.
We spelen in het veld en de bossen.
We zetten de kinderen in de tuin en doen de deur op slot zodat wij het huis kunnen schoonmaken.
We werken beiden zo weinig mogelijk, vooral als de kinderen klein zijn.
Tijd is belangrijker dan geld.
Een vrolijke chaos is beter dan verschrikkelijk netjes.
Weg met school.
Ons huis is vol muziek en vrolijkheid.
We zijn tegen gezondheids- en veiligheidsinstructies.
We verwelkomen verantwoordelijkheid.
Er zijn vele oplossingen.

TOM HODGKINSON