Het beatrixisme zolang beatrix de pvda aan haar zijde weet te houden, is er voor oranje weinig kou in de lucht

De meeste Europese landen begonnen als monarchie en werden later een republiek. Nederland is een uitzondering: eerst een republiek en pas sinds de vorige eeuw een monarchie. En dank zij de socialisten heeft het Oranjehuis weinig te duchten van enig republikeins verzet.
IN DE NAZOMER van 1840 wisten de Groninger samenzweerders wat zij wilden: ‘De Republiek wordt hersteld, Oranje verbannen, de adel afgeschaft, de werkende klasse geëmancipeerd.’

Die eisen kwamen voort uit frustraties; in de woorden van hun leider Eillert Meeter: ‘Ons land was nu - in miniatuur-tirannieke gedaante - een onbetekenend plekje op de kaart, waar buitenlanders zelden over spraken; Oranje-Nassau, het regerende Huis, was steeds de oorzaak geweest van dat verval, vooral vanaf de tijd dat de leden van dat Huis erfelijke stadhouders (…) waren geworden.’
Deze republikeinen verging het slecht: verbanning of celstraf en uiteindelijk politiek asiel in het buitenland. Eillert Meeter schreef in 1857 in Londen een geruchtmakend boek: Holland: Its Institutions, Its Press, Kings and Prisons. Het werd pas na 109 jaar in het Nederlands vertaald, omstreeks de huwelijksdag van Beatrix en Claus von Amsberg, toen de republikeinse gedachte hier een hausse beleefde, zoals ook bleek toen de kroonprinses zelf vertelde 'hoe zeer zij altijd discussies over het nut van de monarchie op prijs stelde’.
Haar voorgangers op de troon dachten daar anders over. Willem II liet republikeinse verhalen afkopen, zodat zogenaamde journalisten een goed belegde boterham verwierven zonder een letter op papier te zetten. Willem III liet zulke schrijvers, hun hoofdredacteuren en hun drukkers en uitgevers vervolgen, socialisten of geen socialisten. Daar werd weinig ruchtbaarheid aan gegeven; wellicht uitgaande van de regel der slapende honden. Er werden wel wat namen en wandaden van 'notoire roervinken’ bekend (met de hun opgelegde correcties). De Amsterdamse schrijver-journalist Jan de Vries kreeg kerkerstraf en stierf in Antwerpse ballingschap in 1855. Zijn collega A. van Bevervoorde (zij stichtten met de huisonderwijzer G.W. van der Voo de Democratische Vereniging, die spoedig ter ziele ging) verdween eveneens achter de tralies, evenals hun drukker N.W. van Nifterick.
Het volk verachtte hen; zij verachtten het volk. Republikeinen richtten zich in de vorige eeuw vaak tegen het (door jeneveruitdelingen Oranjegezinde) 'Janhagel’ of 'canaille’, en beleden hun voorliefde voor fatsoenlijke burgers. Wie het volk wèl achter zich kreeg, werd gevaarlijker geacht. Dat ondervond de Rotterdamse onderwijzer Jacob de Vletter. Nadat het grauw in oktober 1868 het Rotterdamse raadhuis bestormd had, greep de overheid krachtig in: De Vletter kreeg tien jaar, waarvan de eerste twee in Leeuwarden, tussen de zwaarste criminelen. Dat brak hem. Kort na zijn vervroegde vrijlating stierf hij onopgemerkt in een achterstraatje bij de Rotterdamse veemarkt.
Het 'De Vletter-oproer’ was een uitzondering. De republikeinse gedachte leefde - àls die gedachte leefde - onder de gegoede burgerij, toen aangeduid (het eerst door Thorbecke) als 'het denkend deel der natie’. Met de komst van het socialisme veranderde dat beeld. Links was toen nog anti-monarchaal, dus anti-Oranje. De liberale burgers zagen in deze stroming een bedreiging. Dus schaarden zij zich eendrachtig om de Oranje-troon, aan de poten waarvan zij via de grondwetswijziging van 1848 nog zo ijverig hadden gezaagd.
FERDINAND DOMELA Nieuwenhuis was de eerste apostel der arbeiders in Nederland, van huis uit predikant (in 1879 uitgetreden); niet vreemd in onze domineecratie. Hij verspreidde de republikeinse gedachte via zijn weekblad Recht voor Allen. Kort voor het jaarlijkse bezoek van Willem III aan Amsterdam, in april 1886, verscheen in dit blad een artikel onder de titel 'De Koning komt!’ Daarin werd de vermeende liefde tussen vorst en volk bespot. Domela Nieuwenhuis werd tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens 'boosaardigheid en openbaar smaden, honen en lasteren van de persoon des Konings’. Kort daarvoor had de veroordeelde nog een artikel gepubliceerd onder de titel 'Het leven van Koning Willem III, de Grote, in al deszelfs hooge beteekenis geschetst’. De kolommen onder deze kop bleven geheel leeg…
Domela kreeg op 31 augustus 1887 gratie vanwege de verjaardag van kroonprinses Wilhelmina, al zong het volk: 'Hop, hop, hop, hang alle socialisten op!’ Van het verblijf van een half jaar in de Utrechtse Bastille herstelde de aangeslagen anarchist bij zijn vriend Sicco Roorda van Eysinga, een in Indië rijk geworden Friese domineeszoon, die een villa bewoonde aan het Meer van Genève, niet ver van het vakantieverblijf van Willem III. ’s Konings potloodventerij aldaar inspireerde hem tot de venijnige brochure 'Koning Gorilla’. Die leidde niet tot zijn veroordeling, want nergens stond dat deze vorstelijke aap Willem III moest voorstellen.
De schrijver Alexander Cohen vermeldde dat wel. Dat kostte hem zes maanden gevangenis, veel ellende en ballingschap. Sindsdien werd hij rechtser. Na een halve eeuw verscheen zijn autobiografie 'Van anarchist tot monarchist’. Wellicht was die titel geïnspireerd op die van Domela’s memoires: 'Van christen tot anarchist’.
DE AMSTERDAMSE journalist Louis Hermans, een republikein, diende in 1896 zes maanden cel uit wegens majesteitsschennis. De intieme Oranje-geschiedenissen in zijn weekblad De Roode Duivel ademden de geest van Story, Privé en Weekend, maar waren satirischer en minder vrijblijvend, getuige het Roode Duivelse motto 'tegen troon, beurs en altaar’. Dat klonk links-republikeins, maar de lezers lieten zich niet afschrikken. Elke zaterdagavond werd De Roode Duivel uit de handen der verkopers gerukt, vooral toen het vaderschap van prinses Wilhelmina aan de orde werd gesteld. Het waren echter niet de arbeiders die dit blad verslonden, maar de burgers.
Toen Wilhelmina’s huwelijk met Hendrik van Mecklenburg-Schwerin (1901) miskraam na miskraam kinderloos bleef, klonken rechts-republikeinse geluiden. Zowel de antirevolutionair ds. Abraham Kuyper als de liberaal Samuel van Houten, gerenommeerde politici, bepleitten (tot aan Juliana’s geboorte) in de Tweede Kamer herstel van de republiek als het Oranjehuis uitstierf.
In november 1918 verzamelden de middengroepen, met inbegrip van de rooms-katholieken, zich echter weer eendrachtig rond de troon, want de val van de monarchie leek nabij. Mr. P. J. Troelstra (SDAP), zelf geen arbeider, raakte zo onder de indruk van de vallende tronen in Europa, dat hij de revolutie ook hier onvermijdelijk achtte. Nederland zou een socialistische republiek worden. Veel niet-socialisten zagen dat ook zo, zij het ongaarne. Onder deze onvrijwillige republikeinen was de rechts-autoritaire burgemeester van Rotterdam, mr. A.R. Zimmerman. Hij nam contact op met de plaatselijke revolutionairen om de omwenteling ordelijk en zonder bloedvergieten te laten verlopen. Troelstra gelastte de revolutie echter af. In de Tweede Kamer verklaarde hij 'dat hij zich vergist had’.
Die overtuiging kan zijn bevorderd door de pro-Oranjedemonstratie op het Haagse Malieveld. Betogers spanden de koninklijke koetspaarden uit en trokken Wilhelmina, Hendrik en Juliana enige honderden meters voort, wat de toegestroomde massa tot tomeloos enthousiasme bracht. Deze voorstelling was zo'n succes dat ze in Amsterdam, Rotterdam, Haarlem, ’s Hertogenbosch, Utrecht, Delft en Rijswijk werd geprolongeerd, met dezelfde hoofdrolspelers. Toen drong het tot de Oranjegezinden door dat men zo van het staatshoofd een partijhoofd maakte. En dan was men weer even ver als in de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1795).
Vergeelde documenten uit het Haagse politiebureau tonen aan dat het uitspannen der paarden langdurig was geoefend in de Koninklijke Stallen aan de Haagse Hogewal. Behalve in Rotterdam waren bij alle vervolgdemonstraties dezelfde huzaren in burger gebruikt. Tegen veler verwachting werd Troelstra niet vervolgd en bleef Zimmerman in functie, tot hem een hoge post bij de Volkenbond werd geboden. Maar toen Zimmermans appartement, met uitzicht op de Kralingse Plas, een halve eeuw later werd gerestaureerd, bleek de woning nog vol afluisterapparatuur te zitten…
NA TROELSTRA’S grote vergissing bleven de meeste socialisten (georganiseerd in de SDAP) republikeins. Op Koninginnedag hielden zij hun kinderen binnen, ze stonden niet op als het Wilhelmus werd gespeeld en bij officiële Oranjegelegenheden bleven hun volksvertegenwoordigers thuis. Maar met het aantreden van Koos Vorrink als partijleider in 1934 bleek de niet-republikeinse vleugel van de sociaal-democraten aan de winnende hand. De grote ommezwaai kwam op 5 augustus 1939, toen prinses Irene werd geboren. Vorrink sprak: 'Voor de overweldigende meerderheid van het Nederlandse volk zijn de nationale eenheid en onze nationale traditie in de personen van het Huis Oranje-Nassau gesymboliseerd. Dat feit is door de sociaal-democratische arbeiderspartij nu zonder reserve aanvaard.’ Drie dagen later traden voor het eerst in Nederland socialistische ministers aan. Een maand daarna begon de Tweede Wereldoorlog.
NA DE OORLOG spookte de republikeinse gedachte met tussenpozen rond, beurtelings gericht tegen de Oranjes en tegen het instituut monarchie; gesimplificeerd: links van de PvdA (zoals bij de PSP) was men republikeins, rechts ervan hield men vast aan de (Oranje)monarchie. De laatste journalist die wegens majesteitsschennis werd veroordeeld, was echter uitgesproken rechts: de Hagenaar J. Fabius die in zijn eenmansblad De Nieuwsbrief al in 1952 en 1954 berichtte over de Soestdijkse hofcrisis, en werd beloond met tien dagen cel en verbanning uit sociëteit De Witte.
Zolang Beatrix de PvdA aan haar zijde weet te houden, is er voor Oranje weinig kou in de lucht. Juliana wist dat ook al en handelde daarnaar, maar dat behoorde tot 'het Geheim van Soestdijk’. Binnen de PvdA heerste verdeeldheid over zin en onzin van de monarchie. Maar intussen had Oranje veel te danken aan socialistische premiers. Drees hield de monarchie overeind tijdens de Soestdijkse crisis van de jaren vijftig; Den Uyl deed dat bij het Lockheed-schandaal. En in de incidentrijke periode 1995-96 (homohuwelijk, ongetrouwde partners, de jacht, de ambassade in Amman, het ontslag van Röell, Beatrix’ redevoeringen in Indonesië en Israel, Beatrix’ invloed op de inhoud van de troonrede) hield premier Kok de majesteit, ondanks haar beatrixisme, volgens de regels van het spel uit de wind.
Ook in 1965-66, bij Beatrix’ huwelijk, was Oranje dank verschuldigd aan de Partij van de Arbeid, al schreef fractievoorzitter G.M. Nederhorst aan 34 partijgenoten: 'De monarchie begint in Nederland een betwiste zaak te worden.’ Maar het was ook in deze donkere dagen dat veel sociaal-democraten zich voor de monarchie uitspraken 'omdat je bij een republiek onherroepelijk een De Quay of een Luns als president kon verwachten’. Ook elders heerste die overtuiging. De communist Marcus Bakker vertelde: 'Als in mijn tijd een president gekozen had moeten worden, was dat zeker Luns geworden. Nou, dan kies ik blindelings voor Juliana.’
NADAT BEATRIX enige jaren de scepter had gezwaaid, was de republikeinse stroming van de jaren zestig en zeventig opgedroogd tot een kabbelend beekje; vanwege het bevredigend functioneren van de koningin, doordat zij de Oranjekoorden strakker liet aanhalen, maar vooral door het wegebben van de democratiseringsgolf en daarmee van het republikanisme. Al vóór het aantreden van Beatrix diende deze omslag zich aan. Toen de ledenvergadering van de PvdA zich in 1977 (een jaar na Lockheed) voor de republiek dreigde uit te spreken, greep bestuursvoorzitter Ien van den Heuvel (bekend om haar sympathie voor de Berlijnse Muur) in: 'Koningin Juliana verdient ons aller achting en we hopen haar nog lang te houden.’
Toen de Amsterdamse kraakbeweging en enkele kleinere groepen een puinhoop aanrichtten rond Beatrix’ inhuldiging, zaten de oprechte republikeinen thuis met de televisie uit. Ze lieten zich niet horen. De nieuwe koningin kon ongestoord haar invloed uitbreiden; net zo lang tot iedereen aan deze toestand gewend was en het beatrixisme als vanzelfsprekend beschouwde.
NOG ALTIJD EN opnieuw vormen de republikeinen een Gideonsbende uit het denkend deel der natie. De meest recente georganiseerden uit deze zelfgekozen republikeinse elite tooiden zich niet voor niets met een deftig epitaaf (hun doel is voorlopig gedoemd een natuurlijke dood te sterven): 'Republikeins Genootschap’.
De term 'Gideonsbende’ is hier bruikbaar. De meerderheid van de clubleden komt uit de confessionele hoek. Van het kerncomité van drie personen zijn er twee uit het CDA. In Den Haag en omgeving verluidt in kleine kring 'dat Beatrix voor haar staatsgreep in 1994, toen bij de kabinetsformatie de wil van de kiezers voor haar wil moest wijken, nu haar trekken thuis krijgt’. Kennelijk bestaat onder prominente CDA'ers wrok, vergroot door de verdergaande teloorgang van hun partij, die van het ene historische dieptepunt naar het andere snelt. Even opmerkelijk is dat het grote geld (Rabo, Rodamco, Roparco, ABP, De Nederlandsche Bank) in dit genootschap is oververtegenwoordigd. Tenslotte valt op dat de meeste leden meer dan oppervlakkig met de majesteit persoonlijk in aanraking zijn geweest (onder wie twee ex-commissarissen van de koningin), of nog zijn. Ook Beatrix beweegt zich frequent in de wereld van het grote geld; of er wordt namens haar bewogen.
Toen het bestaan van het Republikeins Genootschap bekend werd, reageerden de meeste leden betrapt, alsof er nog steeds kerkerstraf viel te vrezen. Er volgde desertie, waarbij een aantal leden zich haastte te verklaren dat het allemaal niet zo serieus moest worden genomen en dat er slechts sprake was (geweest?) van een herenclubje dat maar éénmaal gezamenlijk de lunch had gebruikt, zij het in de Delftse Prinsenhof, waar Willem van Oranje werd vermoord. Eén lid verloochende daarbij zijn eigen jeugdherinnering: 'Mijn vader, gepokt en gemazeld in de politiek, waarschuwde me al jong me nooit openlijk tegen de monarchie uit te spreken, want dat kon mijn carrière alleen maar schaden.’
Toen premier Kok werd gevraagd hoe hij op een uitnodiging van het Genootschap gereageerd zou hebben, viel hij stelliger uit dan gewoonlijk: hij zou deze 'met een rotvaart in de prullenbak smijten’. Koks woede was het opvallendste detail uit deze kleine geschiedenis. Zou hij, in navolging van Lubbers (CDA), 'beatrixist’ zijn geworden? De koningin en Lubbers regeerden in de pre-paarse periode het liefst samen het land: Beatrix steunend op de expertise van haar braintrust, Lubbers steunend op zijn ministers en hun ambtenaren; samen in de koninklijke werkkamer van Huis ten Bosch, iedere maandagmiddag en soms eens een keer extra. Voor een rechtgeaarde republikein onduldbaar. Hoe dit zat, was misschien duidelijker geworden als de memoires van Lubbers waren verschenen…
MAAR MONARCHIEEN vallen niet door genootschappen; zeker niet in Nederland, ook niet indien ze geheim zijn en zelfs niet als de deelnemers deels natuurlijke bondgenoten van de Oranjes zijn. Monarchieën gaan van binnenuit ten onder aan de strapatsen van de leden van de dynastie, de zijtakken inbegrepen; ook in Nederland, en zelfs als deze strapatsen aanvankelijk geheim zijn. Dan verliezen de getergde onderdanen uit het oog dat de koning(in) er is bij de gratie Gods en verwerpen zij een triviaal instituut dat 237.973 gulden per dag kost. Als dat taboe is doorbroken, kunnen ook namen als Meeter, De Vries, De Vletter, Domela Nieuwenhuis, Troelstra en misschien Fred van der Spek (PSP) uit de Oranjemist van het vaderlands verleden te voorschijn treden.
Een (voorlopig) compromis, waar ook de meeste leden van het Republikeins Genootschap mee zouden kunnen leven, is de 'uitgeklede’ monarchie, naar Zweeds model, waarin het Oranje-staatshoofd bevoegdheden bij de kabinetsformatie en de samenstelling van de troonrede heeft opgegeven. Het andere compromis, reeds onder Juliana geopperd en niet alleen door de communisten, is een republiek onder Oranje; een even onzinnig als reactionair verzinsel.