Kunst: Erik Mattijssen

Het bed van m’n tante

Tekenaar Erik Mattijssen houdt van spullen. Van zoveel mogelijk spullen. En zo min mogelijk mensen. Toch vertellen die spullen alles over de mensen.

Erik Mattijssen, Pacifico, 2009. Gouache, potlood, pastel op papier, 150 x 274 cm © Henni van Beek / NOG Collectie

Hoe mensen, overal ter wereld, een eigen wijze van ordenen hebben, is een van de grote fascinaties van tekenaar Erik Mattijssen (1957). De manier waarop fruit wordt uitgestald in een marktkraam, hoe vazen en planten op een vensterbank naast elkaar staan, hoe souvenirs op een televisietoestel bij elkaar zijn gezet – toen dat nog kon. Zoals vroeger thuis bij zijn tante Corrie, die op haar televisietoestel kleine stillevens creëerde, met bijvoorbeeld een ingelijste foto, een pindapotje en een porseleinen vogel. Mattijssen koestert dit soort vrijwel uitgestorven vormen van folklore. Hij portretteert het eenvoudige leven, met name daar waar het gekoppeld is aan exotische uitbundigheid.

Toen de kunstenaar voorjaar 2018 in een gastatelier in Parijs verbleef, trof hij om de hoek een ouderwetse kruidenier genaamd Izraël, verkoper van produits exotiques. De winkel was van boven tot onder volgestouwd met levensmiddelen afkomstig uit alle windstreken. Meteen besloot hij de zaak te portretteren. Een deel van het veelluik aan tekeningen dat dit opleverde, tref je nu bij binnenkomst in Kermisvrijer, de ezel en andere zaken in het Stedelijk Museum in Schiedam, een overzicht van bijna 25 jaar werk.

Op twaalf losse vellen papier die tezamen een wandvullend mozaïek vormen knalt het hele assortiment van Izraël je in felle, heldere kleuren tegemoet: flessen drank, azijn en siroop, gestapelde potjes boontjes, augurken, koffie en sinaasappeljam, ingemaakte rode pepers, tabasco, blikjes zalm, makreel en ansjovis, zakken maïsmeel en basmatirijst, een ton aardappelen en nog veel meer – met zoveel detail weergegeven dat je de merknamen kunt herkennen.

De winkeleigenaar versierde zijn zaak blijkbaar met Mexicaanse knipselkunst en her en der staan enkele Zuid-Amerikaanse maskers en Afrikaanse beeldjes tussen de gepelde tomaten en Sakari-saus. De worsten, tot slot, hangen er apart bij: Mattijssen knipte hun vormen uit en laat ze aan spijkers los van de tekening naar beneden bungelen, heerlijk onorthodox. Deze eigenzinnige, vrije omgang met het medium tekenen is de reden waarom Mattijssen, nauwelijks bekend bij het grote publiek, op geen enkel overzicht van de Nederlandse tekenkunst ontbreekt.

Mattijssen houdt van spullen en van stapelen en helemaal van spullen stapelen. Op TheSecret (2014) beeldde hij een houten stoel af, omringd door een mand, een emmer en een pan. Op beide armleuningen van de stoel balanceert iets geks: twee smalle torens van vers geschilde aardappels. De stoel is de stoel waarin Mattijssens grootvader altijd zat om aardappelen te schillen voor het kosthuis dat hij en zijn vrouw runden. Als kind mocht Mattijssen van hem altijd de aardappels stapelen, en daar hadden ze een geheime truc voor: van houten lucifers sneed zijn opa prikkers die Mattijssen tussen de aardappels stak, waardoor hij wel tien stuks boven op elkaar kreeg en de torens nooit omvielen.

Het assortiment van de winkel knalt je in felle, heldere kleuren tegemoet

Mattijssens werk is anekdotisch, sentimenteel en melancholisch – alles wat hedendaagse kunst doorgaans niet is. Hij vertelt verhalen aan de hand van scènes, zijn tekeningen zijn kleine theatertjes met rekwisieten die allemaal van karton lijken te zijn gemaakt. Mensen komen praktisch niet voor, of ze verschijnen als gemaskerde, of als pop. Het gaat de kunstenaar om wat achterblijft na een gebeurtenis, nadat de mensen het vertrek hebben verlaten, sporen van het leven.

Soms ook letterlijk: Obdachlos (2014) is een tekening van een Mondriaan-achtig grid, waarvan de vierkanten door schaduwwerking diepte hebben en lege ruimtes blijken te zijn. Op de voorgrond tekende Mattijssen een poppenhuis – ook leeg; geen poppen, geen meubels, geen spullen. Het is een leeggemaakt huis, de bewoner is overleden. Die hangt aan touwtjes voor de tekening, als een trekpop van God. Van een enorme triestheid is ook Geschiedenis (2006), een kleine tekening van een bed in een hoek van een kale kamer, dat lichtjes doorbuigt onder het gewicht van een stapel dozen. Bij het ontruimen van een huis van een tante, schrijft Mattijssen in de publicatie bij Kermisvrijer, werden voor het gemak de verhuisdozen op het bed geplaatst, wat hij eigenlijk ongepast vond.

En zo zit Mattijssens werk vol herinneringen, veel inspiratie put hij uit zijn persoonlijke leven. Zijn eerste ervaring met kunst, schrijft hij, was geen kunstwerk, maar de confrontatie met kleur. Toen hij een jaar of acht was kwam hij thuis van school en bleek zijn moeder de woonkamer een opknapbeurt te hebben gegeven. Zonder iemand vooraf te hebben ingelicht had ze de wanden van de woonkamer stralend turquoise geschilderd. Tot grote schrik van vader – en tot grote verrukking van Mattijssen en zijn zus. Het waren de vroege jaren zestig en zoiets was nog nooit vertoond in het dorp waar ze opgroeiden.

Voorbestemd om kunstenaar te worden was Mattijssen niet. Wel was hij al jong geïnteresseerd in grafisch ontwerp, wat je terugziet in zijn voorkeur voor stralende, stevige kleuren. Zijn tekeningen van Izraël zou je kunnen zien als een hommage aan vooroorlogse productreclames, van Franse ontwerpers als Charles Loupot, A.M. Cassandre, en bijvoorbeeld de Zwitserse schilder en Plakatkünstler Emil Cardinaux – artistieke helden van Mattijssen. Zijn manier van tekenen doet denken aan gelithografeerde affiches, het heeft dezelfde platheid. Mattijssen gebruikt potlood, voornamelijk voor de details, pastelkrijt waar de kleuren zacht en fluweelachtig moeten zijn, en gouache voor de meer stralende, heldere kleuren – door dat laatste wordt zijn werk nogal eens met schilderkunst verward.

Wat ook weer niet zo gek is, want de schilderkunst is nooit ver weg bij Mattijssen, in zijn knetterende kleurgebruik herken je echo’s van het expressionisme en fauvisme, van Kirchner, Matisse en natuurlijk David Hockney. Vanuit een terugkerend verlangen naar de afzondering van het platteland trok hij halverwege de jaren negentig naar de Spaanse provincie Extremadura. Daar liet hij zich inspireren door het dorre landschap, de slagerij waarboven hij een appartement huurde, maar ook door de Spaanse schilders die hij in het Museo del Prado ontdekte. Met name Francisco de Zurbarán, die voornamelijk ascetische religieuze plechtigheden schilderde en ook wel de Spaanse Caravaggio wordt genoemd.

In Ierland jutte hij jerrycans, wrakhout, boeien en soms een schedel bij elkaar

In de serie tekeningen die Mattijssen in Spanje en korte tijd daarna maakte, ging hij voor het eerst gouacheverf als ondergrond gebruiken, waardoor zijn pastelkrijtkleuren nog meer gingen stralen. Heel mooi is dat te zien in de vroege tekeningen van enorme hammen en andere hompen vlees; bijna abstracte werken die zich op de grens van stilleven en landschap bevinden.

Sindsdien ontstaat veel van zijn werk tijdens verblijven in het buitenland; Mattijssen bezoekt een aantal landen regelmatig, met name India, Suriname en Ierland. Met spullen die hij daar tegenkomt, of bijvoorbeeld bloemen die hij nog niet eerder zag, zo spectaculair dat hij ze nooit zelf had kunnen verzinnen, maakt hij dan interieurs of stillevens. Waar in het Ierse kustdorp Ballycastle een rivier op het strand uitkomt, jutte hij bijvoorbeeld jerrycans, wrakhout, boeien en soms zelfs een schoongespoelde schedel bij elkaar. Daarvan bouwde hij in zijn atelier wankele stillevens, die hij vervolgens vastlegde in tekeningen – hedendaagse varianten op zeventiende-eeuwse vanitasschilderijen.

Recent realiseerde hij een doorlopende serie ‘conserven’, waarbij planten in kleurrijke verpakkingen staan als alternatief voor een vaas of bloempot, iets wat Mattijssen de eerste keer zag op de Russische markt van Tallin, Estland. Daar voorzien vrouwen in een aanvulling op hun inkomen door grote mayonaise- en tomatensausemmers vol veldbloemen te koop aan te bieden. Later trof hij in Paramaribo iets soortgelijks aan. Op een grote tekening in Schiedam groeien aubergineplanten uit conservenblikken en lege potten pindakaas die op een houten tafel staan opgesteld, geïnspireerd door reclameschilderingen van de Surinaamse voedingsmiddelendistributeur Pacifico.

Ook dichter bij huis zijn voor Mattijssen nog voldoende restjes folklore te vinden, die tot een feestelijke tekening kunnen leiden. Zoals het klapstuk in Schiedam, de Kermisvrijer uit de tentoonstellingstitel, een figuur uit de Belgische folklore, net als Knaptand, Sponske en de onlangs in opspraak geraakte Sauvage. Ze zijn vrijwel uit het straatbeeld verdwenen en mede daardoor voor Mattijssen interessant om te tekenen.

Al zal hun surreële uiterlijk daar ook iets mee te maken hebben: het kostuum van de Kermisvrijer bestaat uit een mintgroen paard dat met een gestreept kleed is bedekt, een roodoranje hoodie en een roze, plastic neus, terwijl hij op schoot een soort kleine pierrot vasthoudt. Mattijssen laat hem poseren op een berg oosterse kussens, voor een tekening van vogels die alle kanten op fladderen, die als achtergronddoek dient. Om de eclectiek nog wat af te toppen hangen links en rechts twee met potlood getekende Marokkaanse lampen aan een koord.

Op verzoek van het museum in Schiedam maakte Mattijssen ook een portret van de Hoogstraat, de centrale winkelstraat van Schiedam met precies tweehonderd huisnummers, waar het museum er een van is. Het museum wijdde een tentoonstelling aan de straat, waar je ooit ‘over de hoofden kon lopen’, vis en friet kon halen bij Fillekes en een film kon pakken bij Theater Pandora, later De Monopole, maar die tegenwoordig zoals veel van dit soort straten geteisterd wordt door leegstand. Een kolfje naar Mattijssens hand, de straat bood hem zelfs voldoende aanleiding om er een vrolijk geheel van te maken: een drieluik op reuzenformaat, bestaande uit de delen Brazilian Wax, Suncentre en Adultshop, wat het huidige allooi wel een beetje schetst.

Mattijssen tekende en assembleerde op zijn geheel eigen wijze etalages met hondenstickers, handtassen, stofzuigers, emmers en bezems, klokken, armbanden en horloges, tweedehands kleding, dildo’s en kinderspeelgoed, een parkiet in een kooi, reclame voor kabouterbier en zeer oude Schiedamse jenever, en veel meer. Boven de adultshop hangt een neushoorn aan twee spijkers, voor de deur houdt een flinke hond de wacht en daarnaast staat een pinguïn op een omgekeerd blik gepelde tomaten van het merk Utopia. Geen toeval waarschijnlijk, maar utopisch zal niemand de Hoogstraat noemen. Wel te mooi om waar te zijn misschien, in Mattijssens versie althans.


Erik Mattijssen, Kermisvrijer, de ezel en andere zaken, t/m 27 oktober, Stedelijk Museum Schiedam, stedelijkmuseumschiedam.nl