Het bedorven voer van leugen

Waarom bleef Lucebert zwijgen? Laat nu de tijd zijn werk maar doen. Kunst put ook uit het smerige, het verdrongene, het weggestopte. Soms begint juist daar de verlossing.

Medium hh 13643777

Donderdag 1 februari. De biografie is vandaag verschenen, verbijstering alom. Ook bij mij, ik weet van niets. Dat Lucebert in de oorlog stiekem een beetje pro-Duits is, voor insiders is het geen nieuws. Maar een overtuigde hitleriaan? Anderhalf jaar lang? Erger nog: een overtuigde antisemiet? Toch is het zo, de aangehaalde citaten spreken klare taal. Dagen loop ik met tranen achter de ogen, ook al springt de ene na de andere autoriteit voor Lucebert in de bres. De snelle bijval overtuigt me niet, ik zoek naar tegenargumenten en terwijl die opdoemen, begrijp ik hoezeer bewonderaars hun best doen de schrik eronder te houden. Dat het eigenlijke besef nog moet komen.

Vreemd, al die auteurs die meteen hun mening paraat hebben. Alsof de betekenis van dit nieuws in één keer valt te overzien. En tegelijk herken ik een patroon. Zeg Lucebert en voor je het weet komen er blinde ideologische machten vrij, met een kracht die me elke keer weer verbaast. De mate van identificatie is adembenemend, passend bij de seculiere heilige die hij van meet af aan is. Ieder zijn Lucebert, kom er niet aan. ‘En nu gaan zeker allerlei mensen zich afvragen of “we” zijn gedichten nog wel met goed fatsoen kunnen lezen. Nou, de tyfus voor u allen!’

Twitter-taal van Jamal Ouarachi – de jongste generatie Lucebert-fans meldt zich. Overigens zijn er geen allerlei mensen, Ouarachi fabuleert een vijand die er niet is.

Laat Luceberts voorgeschiedenis het werk onaangetast? Biograaf Wim Hazeu in een interview in Trouw: ‘Aan zijn kunstenaarschap is geen afbreuk gedaan.’ Een sympathieke stelling, in de hand gewerkt door een autonomie-opvatting die het betrekkelijk makkelijk maakt kunst en maker uit elkaar te trekken. Maar die moderne opvatting past maar zeer gedeeltelijk bij Lucebert en dat archaïsche, profeet-achtige dichterschap van hem. Hij heeft altijd ingestaan voor de eenheid van kunst en leven, hij eist van zichzelf dat zijn werk persoonlijk is, een existentieel getuigenis. Al in een brief uit 1942 houdt hij een vriendinnetje voor: ‘Zoek in de kunst niet de kunst maar het leven, zoek in de wetenschap niet de kennis maar het levende vrije begrijpen.’

Elf jaar later is er de beruchte open brief aan dichter Bertus Aafjes, die geschrokken door Luceberts soms rauwe regels hem beticht van een nazi-mentaliteit. De beschuldigde reageert als gestoken en pakt breed uit over de offers die hij heeft moeten brengen en de crises die hij heeft moeten doorstaan. ‘Heeft u zich reeds gezuiverd tot Orpheus’, klinkt het bezwerend richting Aafjes, ‘spreekt U reeds het woord dat de stenen doet vliegen en de dieren laat spreken?’ Daarmee uiteraard suggererend dat hij de verlangde zuiverheid wél bezit, trouw aan het spirituele credo dat hij even daarvoor presenteert: ‘de persoonlijke geboorte, de persoonlijke dood’.

Nu kun je uit Luceberts werk vele poëtica’s destilleren, je kunt er verrassend veel kanten mee op. Maar die persoonlijke geboorte en dood: die formule geldt voor héél zijn werk, bijna geen gedicht daarin of het bevat verwijzingen naar de purificaties en transformaties die aan het schrijven ervan vooraf gaan. Schrijven=zuiveren, schrijven=eenvouds verlichte waters: Luceberts ontstaanspoëtica in een notendop. Ik geloof in die poëtica, sterker, ik ben ervan overtuigd dat we het bezielende vitalisme van Lucebert juist dááraan te danken hebben.

Voor Lucebert moet niet alleen het werk kloppen, ook de maker ervan. Die, gemeten naar eigen maatstaven, geen onberispelijkheid aan de dag hoeft te leggen, wel een absolute oprechtheid.

Een andere spontane opinie die eerste dagen is dat Lucebert zich met zijn werk voorbeeldig heeft gerevancheerd. Dat klopt, denk ik. Neem je als lakmoesproef zijn opvatting over joden, dan moet je vaststellen dat zijn werk geen enkele verdachte opmerking of toespeling bevat. Integendeel: het is opvallend pro-semitisch. Na de oorlog verdiept hij zich grondig in de joodse mystiek, onthutst als hij is na het lezen van een studie van Eugen Kogon uit 1948 over de organisatie van de Duitse concentratiekampen. Dat onthutst-zijn is nooit meer verdwenen, sinds 1948 is Auschwitz samen met Hiroshima zijn afschuwwoord, reden waarom hij in 1971 van harte meedoet aan het protest tegen de voorgenomen volkstelling en een tekst levert voor een affiche van Willem Sandberg: ‘voor dat je ’t weet is ’t weer zo ver/ dan draagt de een een zweep een ander een jodenster’.

Met zinnen als deze wordt Lucebert in de decennia na de oorlog hét geweten van kunstminnend Nederland, bij hem hoef je nooit te twijfelen aan welke kant hij staat. Altijd aan de kant van de slachtoffers, onderdrukten, misdeelden. Altijd fel gekant tegen onrecht en machtsmisbruik, eigenlijk tegen machtsuitoefening zonder meer. En dat meestal zonder het vingertje te heffen, hij laat je altijd voelen dat het kwaad ook in hem schuilt. Getuige die meteen al gedenkwaardige zin uit zijn debuutbundel: ‘mijn mystiek is het bedorven voer/ van leugen waarmee de deugd zich uitziekt’.

Dat is introspectieve moraliteit, een die vertrekt vanuit de onvoorspelbaarheid van het eigen ik. Een vorm van moraliteit waarin Lucebert een van mijn belangrijke leermeesters is.

Lucebert zweeg en nu wil ik ook zwijgen. Ik stel me een bijeenkomst voor waarin een uur lang wordt gezwegen

Ja, tegenwoordige tijd: is. Hoewel niet meer helemaal van harte, want vooral dat levenslange zwijgen – ik kan er slecht aan wennen. Anders dan wel is geopperd heeft Lucebert wel degelijk een keus, een bekentenis kost hem heus niet zijn carrière. Hans Andreus, Hugo Claus, Karel Appel: ze hebben alle drie een meer of minder grijs verleden. Andreus vecht aan Duitse zijde bij Leningrad, Appel staat ingeschreven bij de Cultuurkamer, Claus is lid van een fascistische jeugdclub. De andere experimentelen weten het en toch doen ze volop mee.

Lucebert op zijn beurt verkiest de schone schijn en laat zich graag op het schild hijsen als artistieke en morele redder des vaderlands. Eerst door zijn kompanen van Cobra en Vijftig, later door een onoverzienbare stoet jongere auteurs. Anneke Brassinga is een van hen, bij Luceberts overlijden in 1994 schrijft ze een gedicht waarin ze puntig samenvat wat dit verlies voor verschillende generaties bewonderaars betekent: ‘Van tedere woede zijn wij beroofd.’

Nu ik Brassinga’s gedicht teruglees, voel ik me beschaamd. Zo veel mensen bedrogen, collega’s, lezers, vertalers, kunstkopers. En zeker, voor Lucebert zelf moet het bij vlagen eenzaam zijn geweest, leven met zo’n bijtend geheim. Hoewel je daar in zijn werk betrekkelijk weinig van merkt, slechts af en toe flakkert er mogelijk iets als schuldgevoel op, bijvoorbeeld in de brief aan Aafjes of in die regels over de leugen die zich uitziekt in mystiek. Blijkbaar weet hij uitstekend om zijn leugen heen te leven, per slot heeft hij zijn leven gebeterd en krijgen de nieuwe versies van zijn ik almaar meer bijval en eerbewijzen. Toch blijft er het ongemakkelijke gegeven dat hij zich ten minste in één opzicht gedraagt als de machthebbers die hij categorisch wantrouwt, namelijk door het categorisch manipuleren van feiten. Komt de oorlog ter sprake bij de circa honderd interviewers die hij over de vloer krijgt, dan leidt hij ze behendig om de tuin. Hij bedwelmt ze, zoals Max Pam treffend zegt.

Na de biografie stuit ik op een boek over vergeving en lees daarin dat de filosoof Paul Ricoeur waarschuwt tegen haast. Vergeven, zegt hij, heeft herinnering als voorwaarde, letterlijk te begrijpen als her-inneren, een bij herhaling te binnen brengen. Wie zich verzoent zonder door een pijnfase te gaan, doet dit volgens Ricoeur uit pure zelfingenomenheid. Die wil zichzelf slechts de plicht besparen zich te herinneren. Overhaaste verzoening is weinig meer dan een slim verdringen, een kunstig arrangeren van feiten om het heden schoon te houden.

Nu beticht ik niemand van vooringenomenheid, over het algemeen vind ik de reacties tot nu toe bijzonder genuanceerd. Lucebert is per slot niet de eerste twintigste-eeuwse kunstenaar met verdachte sympathieën. ‘Als we alleen nog boeken, films, gebouwen en schilderijen mogen bewonderen van mensen die volgens huidige maatstaven moreel en politiek zuiver op de graat zijn, houden we er bitter weinig over’, aldus Aleid Truijens in een recensie van de biografie. Helemaal waar. Inderdaad, kunst put ook uit het smerige, het verdrongene, het weggestopte. Soms begint juist daar de verlossing, de redding, de ommekeer.

Maar zo’n algemeenheid toelaten bij iemand van wie je houdt, dat gaat niet vanzelf. Niet bij mij althans. Waarom dat zwijgen? Waarom niet in 1991 de kans gegrepen voor een coming out, het jaar waarin Adriaan Venema komt met zijn onthullingen over het oorlogsverleden van Hans Andreus, ook een Duitsland-adept en destijds Luceberts dikke boezemvriend? Waarom toen niet gezegd: me too? Zijn kostje was gekocht, de prijzen binnen, de good will overstelpend, hij had het rumoer heus overleefd.

Meer nog, hij was er sterker uit te voorschijn gekomen, het berouw had zijn werk nieuwe urgentie verschaft. Werkelijk, hij had vele, vele mensen kunnen helpen die last hebben van de grijsheid in hún verledens en families. Lucebert had met snel herwonnen gezag een ander gesprek over de oorlog mogelijk kunnen maken. Juist hij.

Het is niet gebeurd, helaas. Lucebert zweeg en nu wil ik ook zwijgen, samen met anderen. Ik stel me een bijeenkomst voor waarin een uur lang wordt gezwegen. Een korte uitleg aan het begin, slechts één gedicht aan het eind. Daarna uit elkaar, zonder gesprek of nagesprek, zonder koffie of borrel. Een happeningachtig ritueel bedoeld om de tijd te helpen zijn werk te doen. Ieder alleen met zijn gedachten. Dat alles zonder camera’s en verslaggevers.

En het gedicht op het eind? Laat dat van Lucebert zijn, zijn poëzie is immers de reden voor de collectieve liefde en de nu op z’n minst halfslachtige rouw. Mijn keuze valt op het gedicht nazomer, met die beginregels die elke Lucebert-minnaar op het hart draagt:

ik heb in het gras mijn wapens gelegd
en mijn wapens gaan geuren als gras

Voor mij een gedicht van overgave… en nu ook van verlies. Ik ben mijn Lucebert kwijt, ik zal hem moeten achterlaten tot ik hem op een dag ongetwijfeld weer tegenkom. Een dag waarop niet hij naar gras zal geuren maar ik hopelijk wel.


Jan Oegema is uitgever en publicist. In 1999 promoveerde hij op de poëzie van Lucebert