Werknemers van de Joodse Raad in een kledingdepot, circa 1943 © Joh. de Haas / NIOD

Dat was wel even een onthulling vorige week. Volgens het wereldwijd gelanceerde boek Het verraad van Anne Frank, geschreven door Rosemary Sullivan en gebaseerd op een jarenlange speurtocht van tientallen onderzoekers onder leiding van een oud-fbi-agent, is Anne Frank verraden door een rijke joodse notaris, Arnold van den Bergh. Hoe wist hij waar ze zat? Dat wist hij, aldus het boek, omdat hij een van de negentien leden was van de Joodse Raad. Die Raad zou lijsten bijhouden van onderduikers, om door te geven aan de Duitsers. Uit die lijsten had Van den Bergh geput.

De Joodse Raad was een in februari 1941 op last van de bezetter gevormde mini-regering van de joden in Nederland. Onder voorzitterschap van classicus David Cohen en diamantair Bram Asscher, twee in joodse kring overbekende en gezaghebbende bestuurders, bestierde hij een tot duizenden uitgroeiend ambtelijk apparaat in Amsterdam en lokale commissies in ruim 120 plaatsen in het land. Alle taken die de Nederlandse overheid nu niet meer voor joden mocht verzorgen nam de Joodse Raad over: ziekenzorg, onderwijs, sociaal werk, armenzorg, voorlichting. Hij gaf zelfs een krant uit en verzorgde een eigen cultureel aanbod in de paar theaters die in Amsterdam voor joden werden gereserveerd.

Daarnaast nam de Joodse Raad taken op zich die de bezetter hem oplegde: het verstrekken van reis- en verhuisvergunningen, verdelen van de jodensterren, het vervoer en de huisvesting van de joden die uit de provincie moesten verhuizen naar Amsterdam. En hij ging daarmee door toen de deportaties begonnen: de Joodse Raad haalde zieken thuis op, verschafte eten en medische zorg aan de joden die in de Hollandsche Schouwburg wachtten op doorzending, legde gigantische magazijnen aan met rugzakken, oorwarmers, petten, werkschoenen en winterjassen om het leven in ‘het Oosten’ draaglijker te maken. Wie in Amsterdam een zogenaamde proviandbon kocht, kon die in Westerbork inwisselen voor een voedselpakket voor de treinreis. Dat die reis naar de gaskamers voerde, daarvan had men geen idee.

Nu wij dat wel weten, lijkt die samenwerking met de vervolger absurd. Maar destijds dachten velen dat samenwerking het kleinste kwaad was. Verzet, zo was de veronderstelling, zou duizendvoudig op de joden worden gewroken, terwijl een vinger in de pap de mogelijkheid gaf om de verder weerloze joden te beschermen en te verzorgen. Die schijnbare logica verklaart ook dat vrijwel iedereen die iets betekende in joods Nederland aan de Joodse Raad meewerkte. Die keuze maakten zij niet omdat het werk voor de Joodse Raad een voorlopige vrijstelling van deportatie opleverde: bijna alle leidende functionarissen traden toe lang voordat er van deportaties sprake was, laat staan van vrijstellingen.

Als het waar is dat de Joodse Raad lijsten van onderduikers bijhield en aan de Duitsers doorgaf, zoals Het verraad van Anne Frank beweert, dan zou dat een spectaculaire en buitengewoon pijnlijke onthulling zijn. Maar het is niet waar. De onderzoekers baseren zich op een Duitse vertaler die in 1947 tegen justitie verklaarde dat hij een niet nader geïdentificeerde officier van de Feldgendarmerie had horen zeggen dat de Joodse Raad hem van dergelijke lijsten voorzag. De onderduikadressen zou de Joodse Raad ontlenen aan onvoorzichtige mededelingen in brieven uit doorgangskamp Westerbork, die via de Joodse Raad zouden lopen. De onderzoekers zien een bevestiging van dit verhaal in de bewering van enkele joodse functionarissen in het kamp dat ze opdracht van de kampcommandant kregen om vermogende joden uit hun onderduik te lokken. Blijkbaar hadden zij dus lijsten, menen de onderzoekers. Bovendien was de door het verzet geliquideerde verrader Rudolf Pollak lid van de Joodse Raad.

Dat is het hele bewijs, en het lijkt nergens op. Duitse verdachten, zoals die vertaler, schoven na de oorlog graag hun schuld af op de Joodse Raad en logen dat het een lieve lust had. De Feld­gendarmerie ging helemaal niet over het opsporen van joodse onderduikers. De post uit Westerbork liep niet via de Joodse Raad maar ging direct naar de geadresseerden. Er is geen bewijs dat er vanuit Westerbork joden uit de onderduik zijn gelokt, laat staan dat er daar lijsten van onderduikers waren, laat staan dat men die in Amsterdam had. Pollak was geen lid van de Joodse Raad, maar een eenvoudige werknemer.

Ook het bewijs voor Van den Berghs rol is flinterdun: niet meer dan een afschrift van een briefje dat Otto Frank, Anne’s vader, kort na de oorlog in de brievenbus van zijn pand aan de Prinsengracht vond, en waarin stond dat Van den Bergh de verrader was. Dat bewijst natuurlijk alleen maar dat iemand dat destijds geloofde, of wilde dat Otto Frank het geloofde.

Op Twitter is ‘Joodse Raad’ een geliefd scheldwoord, synoniem met het ergste soort verraad

Nu is niet verrassend dat onderzoekers die met een hoop poeha op zoek gaan naar de verrader van Anne Frank aan het einde van de rit graag geloven dat ze hem hebben. Wel verrassend is dat de Volkskrant, Het Parool en de NRC deze zware beschuldigingen klakkeloos overnamen en als groot nieuws brachten, terwijl zij het boek in handen hadden en dus konden zien hoe dun het bewijs was. Hoe kan dat?

Hijgerigheid is misschien de belangrijkste reden: uit angst voor de concurrentie wachtten deze kwaliteitskranten niet op het oordeel van deskundigen, die geen enkele rol in het onderzoek hadden gespeeld en met draconische embargobepalingen zorgvuldig op afstand waren gehouden. Daarbij zal de buiten iedere redelijke proportie gegroeide roem van Anne Frank, wereldwijd een van de best herkende namen en gezichten, het ook moeilijk maken om het hoofd koel te houden. Maar als historicus denk ik dat er ook nog een andere factor in het spel is: een even zwartgallig als onrealistisch beeld van de Joodse Raad, dat aan deze aantijgingen een zweem van plausibiliteit verschafte.

De Joodse Raad wordt namelijk al decennia afgeschilderd als een verderfelijke groep regenten die de massa uitleverde om het eigen hachje te redden. Neem Ondergang, Jacques Pressers beroemde geschiedenis van de jodenvervolging uit 1965. Presser zelf vond de belangrijkste pagina zijn aanklacht, namens de vermoorde Nederlandse joden nota bene, tegen de leiders van de Joodse Raad. Die hadden, schreef Presser, de joden ‘misleid, gekrenkt en vernederd, soms zelfs mishandeld’ en ‘met dreigementen gedwongen om naar de slachtbank te gaan’. En waarom? Uit eigenbelang: ‘Gij dankt uw eigen leven aan deze onzedelijke activiteit.’ Loe de Jong was niet minder genadeloos. De Joodse Raad, schreef hij, had ‘in zijn angst, in zijn doodsnood’ de vijand, het roofdier, ‘brokken jodendom’ toegeworpen ‘in de hoop dat andere brokken, in laatste instantie het brok waartoe men zelf behoorde, gespaard zouden blijven’.

Deze interpretatie van platte zelfzucht werd de communis opinio. De joden waren tijdens de oorlog ‘verkocht en verraden’ door hun eigen leiders, zei Ischa Meijer in 1987. Hans Knoop schreef een zeer kritisch boek over de voorzitters van de Joodse Raad om te laten zien dat ‘nette mensen’ tot ‘vreselijke dingen’ in staat waren. In een recente documentaire vraagt Knoop aan Leon de Winter om een toneelstuk over de Joodse Raad te maken. De Winter wil er niet aan: deze ‘duivelse duisternis’ is hem ‘te erg’. Ze laat namelijk zien ‘hoe wij ons tot het allerlaagste niveau kunnen reduceren’: ‘Je geeft menselijkheid op, je geeft je moraal op… en je wordt een monster.’ Op Twitter is ‘Joodse Raad’ een geliefd scheldwoord, synoniem met het ergste soort verraad, verraad van je eigen mensen. Lodewijk Asscher, achterkleinzoon van Bram, wordt er permanent mee om de oren geslagen.

De veronderstelling achter dit gitzwarte oordeel over de Joodse Raad is dat medewerking aan de deportaties zo evident verkeerd was dat die alleen verklaard kan worden uit eigenbelang. Wie zich terug verplaatst in de tijd ziet echter dat het beleid van de Joodse Raad heel wel verdedigbaar was – wat natuurlijk niet betekent dat eigenbelang geen rol speelde. Wie ziet hoeveel moeite al die bestuurders zich bovendien getroostten om te verzachten, te helpen, iets van beschaving in stand te houden, realiseert zich hoe absurd de in Het verraad van Anne Frank geponeerde theorie is. Dat een in het nauw gedreven jood in het geheim verraad zou plegen om zijn huid te redden is voorstelbaar – het is voorgekomen. Dat de Joodse Raad als organisatie, bij wijze van beleid, met goedkeuring dus van al die bestuurders, systematisch honderden of zelfs duizenden aan een zekere dood in Mauthausen zou prijsgeven, is volkomen ongeloofwaardig.

Het feit dat zowel de onderzoekers als de betrokken journalisten dat blijkbaar wel geloofwaardig vonden, lijkt mij een symptoom van een onrealistisch cynische collectieve herinnering. En die gaat verder dan de Joodse Raad. De herinnering aan de bezetting in het algemeen is sinds de jaren zestig onherkenbaar veranderd. Waar bezet Nederland vroeger het land was van koppige Oranjeklanten, is het nu het land van opportunistische wegkijkers – zelfs de premier en de koning zeggen het. Waar in het oude beeld iedereen goed was, behalve de weinigen die collaboreerden, is in het nieuwe beeld iedereen fout, of op zijn best ‘grijs’, behalve de weinigen die zich verzetten.

Dat beeld is nog steeds het best geschetst in Chris van der Heijdens meeslepende en invloedrijke Grijs verleden uit 2001. Zijn oorlog, zo suggereert Ewoud Kieft in zijn prachtige Oorlogsmythen, is de oorlog van Willem Frederik Hermans: een betekenisloos universum waarin niemand een moreel kompas heeft en iedereen boter op het hoofd. Het is ook de oorlog van Paul Verhoevens film Zwartboek, of van Rudolph van den Bergs film Süskind, die nota bene voor een groot deel op de burelen van de Joodse Raad speelt. Al vroeg in die film loopt de titelheld een vergadering van de Joodse Raad binnen. Daar ontrolt zich de volgende geheel verzonnen scène: voorzitter Cohen zegt dat de Duitsers hem hebben gevraagd hoeveel mensen de Joodse Raad nodig heeft ‘om in een jaar tijd iedereen op de trein te zetten’. ‘Twintigduizend, en zo kreeg ik er veertienduizend’, roept zijn medevoorzitter Asscher vervolgens uit tot hilariteit van het gezelschap: ‘Je bent zakenman of je bent het niet.’

Als dit het beeld is van de oorlog, heb je inderdaad niet veel bewijs nodig om op het oog keurige mensen de vreselijkste misdaden in de schoenen te schuiven. Misschien moeten we dat beeld herzien. Misschien moeten we na de zelffelicitatie van de eerste decennia na de oorlog, en de zelfkastijding die daarop volgde, de volgende stap zetten. Misschien moeten we de bezetting niet langer behandelen als een morele vertelling waarin bijna iedereen tekortschiet, maar gewoon als geschiedenis, die we met feitenkennis, empathie en nieuwsgierigheid proberen te begrijpen.

Bart van der Boom is als historicus verbonden aan de Universiteit Leiden. Half april verschijnt zijn boek De politiek van het kleinste kwaad: Een geschiedenis van de Joodse Raad voor Amsterdam, 1941-1943