Het beest heeft een menselijke geschiedenis

De nieuwe, schitterende, editie van de brieven van Vincent van Gogh geeft een indringend beeld van een ‘hond met een menschenziel’ die zijn ‘regten weg’ zoekt en toont de worsteling van de man die elk obstakel overwinnen wil, om kunstenaar te zijn.

LEO JANSEN, HANS LUIJTEN, NIENKE BAKKER
VINCENT VAN GOGH – DE BRIEVEN
Thames&Hudson, Amsterdam University Press, € 395,- (tot 3 januari 2010 € 325,-) www.vangoghletters.org

Vincent van Gogh, De Brieven. De volledige, geïllustreerde uitgave. € 325,-

Medium downloadedfile

Het lijkt raar, misschien, maar er is geen goede recente biografie van Vincent van Gogh (1853-1890). Dat voelt niet als een gemis: kennelijk is de geschiedenis van Van Gogh zodanig levend, zodanig actief in het bewustzijn, door een gestage stroom van publicaties en tentoonstellingen, dat we wel zonder kunnen. Tegelijkertijd zijn al bijna honderd jaar Van Goghs brieven in druk beschikbaar. Zij bieden een radicaal inzicht in zijn leven en opvattingen, ze documenteren zijn voortgang en productie, en ze fungeren als lopend commentaar op zijn werk bij elke documentaire, bij elk nieuw boek en elke nieuwe tentoonstelling. De eerste editie verscheen in 1914, door toedoen van Jo van Gogh-Bonger, Theo’s weduwe; in de jaren vijftig verscheen een vierdelige publicatie en in de jaren negentig werd alles opnieuw in vier delen uitgegeven. Toen pas begon het werk aan een wetenschappelijke editie in het Van Gogh Letters Project, een gedeelde inspanning van het museum en het Huygens Instituut, die nu, na vijftien jaar, leidt tot een nieuwe uitgave in zes delen, een tentoonstelling en een website.
Ik kan niet genoeg de loftrompet steken over de kwaliteit van deze editie. Die omvat 902 brieven, 819 ván, 83 áán Vincent, verzonden tussen 1872 en 1890. 902 brieven is veel, maar niet buitengewoon veel. Van de brieven van Theo is maar een klein deel bewaard. De onderzoekers postuleren dat de complete correspondentie zo’n tweeduizend stuks heeft omvat. Dan nog is dat niet bijzonder: de bewaarde correspondentie van Delacroix omvat 1500 brieven, die van Monet drieduizend, van Whistler meer dan dertienduizend. Alle brieven zijn nieuw getranscribeerd en vertaald, alle brieven worden facsimile afgebeeld, alle verwijzingen naar literatuur en bijbel zijn nageplozen, alle genoemde personen worden geïdentificeerd, alle kunstwerken die worden genoemd – 4300 stuks – worden getoond. Dat is bij Van Goghs eigen werk al fijn, maar zeker als hij het heeft over schilders die hem dierbaar waren en ons nog maar weinig zeggen (‘… de Groux, de Braekeleer Jr., Feyen-Perrin, Eugène Feyen, Brion, Jundt, George Saal, Anker, Knaus, Jourdan, Jalabert…’).
De boeken zijn prachtig, maar de rijkdom aan informatie en vergelijkingsmateriaal komt in de online versie pas echt tot haar recht. Daar wordt elke verwijzing, hoe terloops ook, direct geïllustreerd, precies zoals de schrijver zelf, pen in de hand, zo’n prent of zo’n boek voor ogen zal hebben gehad. Beter nog, zelfs, omdat Van Gogh vaak niet meer dan zwart-witreproducties voorhanden had. Dat is een bijzondere gewaarwording. Je ziet wat hij zag; de wereld die in de brieven vervat ligt wordt navoelbaar zoals dat zelfs in de beste biografie niet kan. Je kijkt direct in het reactorvat van de persoonlijke gevoelens, en je krijgt tegelijkertijd toegang tot een netwerk van ervaring en eruditie dat duizenden verbindingen heeft met andere kunstenaars, kunstwerken, boeken, reizen, instellingen, handelaren, enzovoort. Als andere correspondenties – ik noem maar wat: Whistler, Toorop, Mondriaan, Bilders, Kneppelhout – op een vergelijkbare manier zouden worden ontsloten, en aan elkaar gekoppeld, dan zou het hele universum van de late negentiende eeuw opnieuw tot leven komen.
Neem deze nieuwe publicatie van de correspondentie dan als de vooralsnog beste biografie die er is. De reconstructie van Vincent van Goghs netwerk van relaties laat dan eerst en vooral zien dat Van Gogh niet geïsoleerd was, dat hij uitgebreid reflecteerde op zijn omgeving, de kunsten, de literatuur. De publicatie bestrijdt ook nog maar eens het idee dat zijn drang tot expressie, zijn verlangen naar de beheersing van dat ambacht waarmee hij schoonheid, troost, liefde kon bieden, een verlangen dat in het nastreven van het predikantschap was gefrustreerd, op zich genoeg splijtstof bood om hem tot een kunstenaar te maken. De drang was niet genoeg; hoezeer hij ook voelde dat het ‘zoeken naar een nadrukkelijke stijl ging ten koste van “het echte sentiment van de dingen”’, dat wil zeggen dat formele scholing ook niet alles was, zag hij toch dat hij een leerling was, en dat de weg lang was. Die vangt aan rond 1881; pas in Arles, in 1887-1888, is er sprake van echt vertrouwen in zijn kunstenaarschap.
De eerste publicaties van de brieven zetten de persoonlijkheid van Vincent in een psychologisch, om niet te zeggen freudiaans kader. De inleiding bij de Amerikaanse editie, Van Gogh, a Self-portrait: Letters Revealing His Life as a Painter (1961), een selectie gemaakt door W.H. Auden, veronderstelt dat Vincents jeugd werd overschaduwd door de dood van zijn oudere broertje, dat ook Vincent heette en dat voor zijn geboorte stierf. Vincent II zou zich daarover altijd onbewust schuldig hebben gevoeld, en dat schuldgevoel verklaarde de innigheid van zijn band met Theo.
Hoewel Theo’s stem maar mondjesmaat te horen is, is die broederlijke relatie een van de meest intrigerende lijnen in de correspondentie, en zeker de meest ontroerende. De verhouding wisselt van karakter, en als Vincent in de Borinage zit stokt het contact, maar de grondtoon – trouw – is altijd dezelfde, en ook de dominant: familie.
Het gezin Van Gogh was zeer hecht. Vincents jeugd was onbezorgd, ook al bracht de positie van domineeszoon te midden van ruw katholiek boerenvolk wat sociale ongemakkelijkheden met zich mee. Het was een typisch hogere-middenklasse bestaan, veilig, gerespecteerd, maar niet rijk; Vincents ouders en ooms hadden het oog omhoog gericht, altijd kijkend naar mogelijkheden voor standsverbetering. Vincent belandde in 1873 door toedoen van zijn ooms bij de kunsthandel Goupil in Londen, waar hij reproducties verkocht. Aanvankelijk was dat een gelukkige tijd; ook de briefwisseling met Theo ging monter van start: ‘Nu kerel, heb het goed & schrijf mij spoedig, ik heb je in dezen geschreven juist wat mij in de pen kwam, ik hoop dat je er uit wijs zult kunnen worden.’
En dan begint het gedonder. Hij wordt verliefd op de dochter van zijn hospita en loopt een blauwtje. Door toedoen van zijn familie wordt hij overgeplaatst naar Parijs. Daar is hij boos over; hij mokt, zit op zijn kamer, leest de bijbel, maakt ruzie, wordt ontslagen. Vanaf 1876 zet hij koers naar het ongeluk. De familie steunt hem in zijn verlangen predikant te worden, maar hij mislukt, en raakt in de Borinage aan lager wal. Steeds blijft er geen andere optie dan met hangende poten naar huis te gaan.
Een constante in die vrije val is dat Vincent herhaaldelijk door vrouwen wordt afgewezen, iets waarvoor hij de schuld graag bij anderen legt – zijn ouders, in de eerste plaats, die hij benepenheid verwijt. Hij gaat uit nijd niet meer met ze naar de kerk. Het dieptepunt wordt bereikt als hij in Den Haag gaat samenwonen met Sien Hoornik, een ongetrouwde moeder met een bedenkelijke reputatie.
Alleen Theo onderhoudt nog contact met hem; alleen aan Theo kan hij uitleggen wat de relatie met Sien betekent: hij wil zijn eigen gezin, een uitvalsbasis voor de moeilijke weg die voor hem ligt: ‘Ik heb een gevoel van ’t huis te zijn als ik met haar ben (…). Dat is een innig diep gevoel, ernstig en niet zonder een donkere schaduw van haar en mijn tamelijk somber verleden.’ Het leven zal, ook met haar, ‘een gestadige worsteling’ zijn, maar Van Gogh is niet bang: ‘Tegelijk echter een groote kalmte en helderheid en opgewektheid voel ik bij de gedachte aan haar en aan den regten weg die voor mij ligt.’
Dat hij dat uitgerekend aan Theo vertellen kan heeft een reden: ook Theo heeft gedoe gehad met een vrouw uit de lagere stand: ‘Theo ik moet misschien bij U eens een pijnlijk punt aanroeren dat U begrijpelijk misschien zal maken wat ik bedoel. Gij hebt vroeger wat Pa en Moe ook een “illusie” noemen gehad voor een vrouw uit het volk. Uw mislukking was toen ge twintig jaar waart, de mijne verleden jaar maar [die] neemt noch voor U noch voor mij iets meer réeels weg. Want ik meen zeer zeker dat noch gij noch ik voor celibataires in den wieg zijn gelegd.’
Uit de passage blijkt dat Vincent het gevoel had dat Theo zijn gevoelens en opvattingen, bijvoorbeeld over de beperkingen van standsbewustzijn, op een fundamenteel niveau deelde – wat niet zo was. In Vincents ogen zou ook Theo kunstenaar worden, en zij zouden dan als broederpaar – net als de Goncourts, de Bretons, de Marissen – de wereld tegemoet treden. Hij krijgt Theo niet mee. Het spijt Vincent zeer – hij verwijt hem ‘te willen zijn als Pa’, te kiezen voor ‘weelde’. De basis van hun relatie blijft echter onverwoestbaar: ‘Gij weet toch wel dat ik het beschouw als dat gij mij het leven hebt gered, dat vergeet ik NOOIT, ik ben (…) Uw broer, Uw vriend niet alleen, maar tevens heb ik verpligting tot in het oneindige van trouw voor die daad van U in der tijd om mij de hand te reiken en het vol te houden mij te helpen.’
Uit de passage blijkt ook dat zijn brieven altijd een middel-tot zijn. Weliswaar worden ze gemotiveerd door zijn persoonlijke ervaring, en zijn drang eerlijk te zijn, maar Vincent gebruikt ze ook retorisch en strategisch. Hij is egocentrisch, maar niet wereldvreemd; hij kan flemen en zeuren, drammen en slijmen. Hij haalt zijn gelijk al moet hij er zes velletjes voor volpennen. De correspondentie moet dan ook niet zomaar worden gelezen als een dagboek. Vincent van Gogh was een negentiende-eeuwse burgermanszoon. Hij zette niet zomaar alles ‘wat hem in de pen kwam’ op papier. Dagelijkse beslommeringen, gedonder met vrouwen, zelfs de omstandigheden van zijn ziekte laat Van Gogh goeddeels ongenoemd. In de kolossale ruzie met zijn ouders van 1883 laat hij onvermeld dat hij een van de buurvrouwen van dominee Van Gogh zodanig het hof heeft gemaakt dat ze een zenuwinstorting heeft gekregen en (mogelijk) een zelfmoordpoging heeft gedaan.
Het verlies van de gemeenschap van zijn familie gaat Vincent meer aan het hart dan hij wil toegeven. In een prachtige brief, 15 december 1883, schetst hij zijn ongelukkige positie:
‘Beste broer, Ik gevoel hoe Pa en Moe instinktmatig (ik zeg niet verstandig) denken over mij. Er is een soortgelijk opzien tegen mij in huis te nemen als er zou wezen om een grooten ruigen hond in huis te hebben. Hij zal met natte pooten in de kamer komen – en dan, hij is zoo ruig. Hij zal iedereen in den weg loopen. – En hij blaft zoo hard. – Het is een vuil beest – kortom. Goed – maar het beest heeft eene menschelijke geschiedenis en ofschoon een hond zijnde, eene menschenziel, en nog wel een fijngevoelige, om zelf te voelen hoe men over hem denkt, ’t geen een gewone hond niet kan.’
Het beeld van de hond, de trouwe, onbegrepene, vastberadene, gebruikt hij daarna vaker: ‘ik word minder & minder als Pa – ik word een hond, ik voel dat de toekomst mij leelijker en ruwer zal maken waarschijnlijk en ik zie “een zekere armoede” als mijn lot – maar – maar – IK ZAL SCHILDER ZIJN en mensch of hond, enfin wezen met gevoel’.
En zo gaat het. Van Gogh maakt de Aardappeleters, zijn vader sterft, hij vertrekt naar Antwerpen, Parijs, dan naar Arles. Zijn brieven in die laatste jaren zijn schitterend. Ze zijn de getuigenis van ‘de hond met menschenziel’, die zijn ‘regten weg’ zoekt, ze tonen de worsteling van de man die elk obstakel overwinnen wil, om kunstenaar te zijn. Hij ziet zijn persoonlijke teleurstellingen, zijn melancholie en de onrust over zijn ziekte als brandstof voor zijn werk. Daarom zijn die brieven anders dan die van, zeg, Goltzius, of Michelangelo: ze zijn verbonden met de ontwikkeling van een kunst die volledige persoonlijke expressie mogelijk moest maken. De pen is daarbij altijd binnen handbereik, ook al weet Van Gogh dat het uiteindelijk om de kunst gaat: ‘Schrijven is eigentlijk maar een beroerd middel om elkaar dingen begrijpelijk te maken.’

Van Goghs brieven. De kunstenaar aan het woord. Van Gogh Museum Amsterdam, 9 oktober – 3 januari. W.H. Auden (ed.), Van Gogh, a Self-portrait: Letters Revealing His Life as a Painter New York and Greenwich 1961