Het beestje heeft een naam

Ze had het zelf kunnen verzinnen, als niet de werkelijkheid haar een stap vóór was geweest: ouders die hun kinderen vermoorden om ze voor erger lijden te behoeden. De nieuwe roman van Renate Dorrestein, Een hart van steen, is geïnspireerd op kranteberichten over het Hoofddorpse echtpaar dat enige tijd geleden zijn kinderen doodde. Een drama naar Dorresteins hart, dat haar de gelegenheid biedt haar obsessie met schuld en boete uit de kast te halen.

Voor het eerst is het Dorrestein gelukt een roman te schrijven waarin het hoofdpersonage gewoon Ellen heet, en niet Akelei, Topaas, Godelieve of Maryemma. Het is symbolisch voor de manier waarop de schrijfster zich blijkbaar zo min mogelijk heeft willen laten afleiden bij het vertellen van haar verhaal. Dit keer geen bizarre zijpaden, surrealistische wendingen of kwaaiige monologen over scheve verhoudingen, maar een strak gecomponeerde roman. Daardoor kon ze haar doel dicht naderen: het onvoorstelbare voorstelbaar maken. Haar schrijfstijl, het jolig-bittere register dat zij bij voorkeur opentrekt, blijft echter wringen met haar onderwerp. Echt dráma wordt Een hart van steen daarom toch ook weer net niet. Of dat nu opzet of onvermogen is, het resultaat heeft iets halfhartigs: niet grappig genoeg om leuk te zijn, niet erg genoeg om spannend te zijn, niet mooi genoeg om goed te zijn.
Door een stom toeval heeft Ellen haar gezinsleden overleefd en kon ze haar kleine broertje Carlos net van de dood redden. Over haar worsteling om met de schuld van de overlevende verder te leven, gaat Een hart van steen. Door middel van flashbacks en innerlijke gesprekken die Ellen voert met haar overleden oudere broer en zus, krijgt de lezer langzaam zicht op wat zich precies heeft afgespeeld op de Lijsterlaan, in het huis dat Ellen vijfentwintig jaar na dato opnieuw betrekt. Als was het een detective, zo zorgvuldig bouwt Dorrestein de spanning op en doseert zij haar gegevens. Omdat Ellen uiteindelijk tot een bevrijdend inzicht komt, leert ze het verleden los te laten. De schimmen verdwijnen en maken plaats voor nieuw leven.
Het heeft iets flauws om te constateren dat de schrijfster milder is geworden met de jaren, maar Een hart van steen is duidelijk een boek van mededogen. Van nederigheid misschien zelfs. De lezer krijgt met de geschiedenis van Ellen een levensles voorgespiegeld: je hebt niet alles zelf in de hand. Soms zijn er nu eenmaal omstandigheden die grenzen stellen aan iemands vermogen om in te grijpen. Om deze les juist aan de hand van de ouder-kindrelatie, van nature de meest lotsverbonden relatie die er bestaat, te illustreren, is even dramatisch als ingewikkeld. Dramatisch, omdat kinderen kwaad doen in plaats van ze te koesteren het ergste is wat er bestaat. Ingewikkeld, omdat het verbeelden van heel erge dingen vaak ontaardt in smartlapperij. Van dat laatste kan Dorrestein niet worden beticht, waarschijnlijk omdat ze inmiddels al een behoorlijke geschiedenis heeft met het verbeelden van heel erge dingen. Ooit formuleerde ze het als haar doel: verhalen schrijven waarin bizarre dingen gebeuren, maar nog net zo dat mensen er iets van zichzelf in herkennen. Zo schreef ze met Het perpetuum mobile van de liefde (1988) een krachtig en aanstekelijk agressief relaas over de zelfmoord van haar zusje. Jammer genoeg echter verpakte ze dat in een soort stripverhaal over ene Godelieve Morgenster die zich laat ombouwen tot Barbiepop. Het persoonlijke drama van de twee zussen werd daarmee ontkracht, omdat het werd teruggebracht tot de proporties van universeel vrouwenleed.
Een van haar bekendste romans, Ontaarde moeders (1992), kende een vergelijkbaar probleem. Een op zich interessante vader-dochterverhouding werd dichtgemetseld met uitvergrote typen en absurde gebeurtenissen. Apothekersvrouw Meyken bijvoorbeeld is niet zomaar dik en heeft niet zomaar last van pleinvrees, nee, ze weegt meer dan tweehonderdvijftig kilo en komt al 37 jaar de deur niet meer uit. Dat de werkelijkheid over het algemeen te gek voor woorden is, is voor Dorrestein altijd aanleiding geweest om die werkelijkheid dan nog maar wat gekker te maken.
Met Een hart van steen koos ze een andere koers. Over een ongelooflijk gegeven, een moeder die haar eigen kinderen ombrengt, schreef Dorrestein een psychologisch-realistische roman. De geschiedenis van een gelukkig gezin, met een vader en moeder die samen een persbureau runnen en van pure vreugdevolle wellust kinderen op de wereld blijven zetten. Met de vijfde neemt het lot een andere wending. De moeder is overmatig bezorgd om haar jongste en gaat steeds vreemder doen omdat ze denkt dat het door de duivel is bezeten. Met alle gevolgen vandien voor de andere kinderen. De middelste, Ellen, neemt alles waar, zoekt naar verklaringen en vindt die jaren later tijdens haar studie medicijnen.
In dat vinden van een verklaring schuilt een probleem. Zo vaardig als Dorrestein het verhaal zich laat ontrollen en zo soepel als ze zelfs in het bewustzijn van de ouders treedt, zo onbevredigend is toch het geheel. Hoe kan het dat een boek over het beschamen van het diepste vertrouwen, de aanname van een kind dat het veilig is bij zijn ouders, nergens ontroert? Dat de bezoekjes van de overleden broer en zus geen kippevel opleveren? Dat Ellen in al haar misère niet iemand wordt om medelijden mee te krijgen? Omdat het Dorrestein aan iedere poëzie ontbreekt. In haar montere woordkeus en haar voorliefde voor pointes is ze meer een columnist dan een romanschrijver. Haar analytische geest wenst voor ieder verschijnsel een verklaring te vinden, om die met scherpe pen in klinkende zinnen uit te schrijven. De krochten van de menselijke geest verkent zij bij het licht van tl-balken.
‘Noem mij bij mijn diepste naam’, citeert de schrijfster in haar motto bij dit boek uit het bekende gedicht van Neeltje Maria Min. Het is een opdracht die Dorrestein op het lijf geschreven is en die haar bij dit boek wederom tot leidraad heeft gediend. Het lijden moet worden benoemd, het beestje krijgt een naam. Daarmee is het raadsel opgelost en het boek uit. Klaar, over.