Een filosofische aardbeving

Het begin van een nieuw hoofdstuk

De catastrofale aardbeving van Lissabon in 1755 leidde tot alomvattende twijfel aan de goddelijke ordening van de wereld. Kan de coronacrisis op dezelfde manier ons blinde geloof in het voortrazende hyperkapitalisme doen kantelen?

João Glama Ströbele, The Earthquake of 1755, tussen 1756 en 1792, olieverf op doek © The Picture Art Collection / Alamy Stock Photo

Dit wordt een lang antwoord op een korte vraag. De vraag is simpel, een vriend van mij stelde hem: ‘Jij hebt onderzoek verricht naar de Verlichting’, zei hij. ‘Vind je niet dat de coronacrisis ons equivalent van de aardbeving van Lissabon is?’

Ik moet toegeven dat ik nog niet vanuit die invalshoek naar de pandemie gekeken had, maar de vergelijking liet me niet meer los, en ik ging nadenken over de overeenkomsten en verschillen tussen de aardbeving van Lissabon in 1755 en onze situatie nu.

Maar voor ik een antwoord probeer te vinden op die bedrieglijk eenvoudige kwestie zal ik eerst enige context geven. We gaan terug naar het midden van de achttiende eeuw, een tijd van levendige intellectuele discussies – en van een vinnige strijd over de juiste beschrijving van de wereld. Is de wereld een schepping van God en heerst de Voorzienigheid over alles, of is ze zuiver stoffelijk en gehoorzaamt ze aan blinde wetten? Is er een schepper, een godheid, en, breder, is er een bedoeling, een zin en een objectieve ethiek? Welk verhaal moet er verteld worden en wie mag het vertellen?

De mensheid heeft zich dat soort vragen altijd gesteld, maar de sociale en culturele veranderingen in de zeventiende eeuw en het begin van wat we de Verlichting zijn gaan noemen heeft er een nieuw en indringend licht op geworpen. Van René Descartes’ vasthouden aan het bestaan van de menselijke ziel en de goddelijke sturing ervan tot en met Pierre Gassendi’s materialisme en Blaise Pascals getourmenteerde gok met God, van Spinoza’s alomvattende deus sive natura, die God gewoon aan de natuur gelijkstelde en de goddelijke wil dus koppelde aan de wetten van de natuur, van Hobbes’ pessimistische visie van de Leviathan tot en met Leibniz en zijn idee dat we in de beste van alle mogelijke werelden leven – er was een scala aan argumenten en standpunten. Het debat woedde ruim een eeuw. Het was niet zomaar een meningsverschil tussen filosofen. In een wereld waarin werkelijke politieke macht met een beroep op de goddelijke genade werd gerechtvaardigd en de sociale ordening was gebaseerd op een hiërarchie die geschraagd werd door de religie, was elke twijfel aan de goddelijke orde automatisch een bedreiging van de politieke status quo.

En toen begon de aarde te schudden en te beven.

Op zaterdagochtend 1 november 1755 zaten veel mensen in de Portugese hoofdstad Lissabon in overvolle kerken her en der in de drukke stad. Het was Allerheiligen, een belangrijke feestdag in het kerkelijke jaar. Rond 09.40 uur werd de stad getroffen door een zware aardbeving. Seismologen schatten dat die een kracht had van meer dan 8,0 op de schaal van Richter – een enorme ramp. De kerkdaken, die grote ruimtes moesten overspannen maar nogal zwak geconstrueerd waren, stortten als eerste in. Duizenden mensen werden, al biddend, bedolven onder het puin. De aardbeving duurde enkele minuten. Er ontstonden enorme scheuren in de aarde, er dreigden nog meer slachtoffers in de gapende gaten van vijf meter diep te verdwijnen, rechtstreeks de hel in.

De overlevenden vluchtten voor de instortende gebouwen en de vallende stenen en dakpannen naar de haven, die enige veiligheid bood. Duizenden mensen dromden er samen. Tot hun verbazing zagen ze dat de zee zich had teruggetrokken en dat de bodem van de rivier te zien was, waar ouwe troep en zelfs scheepswrakken lagen. Toen kwam er een tsunami, die delen van de stad overspoelde en nogmaals duizenden mensen doodde. Wie ook dat had overleefd, was nog steeds niet in veiligheid. Het was de gewoonte om met Allerheiligen in de huizen kaarsen te branden. Ze werden door de aardbeving omgestoten en zetten een aantal huizen in vuur en vlam, waarna grote delen van de stad tot de grond toe afbrandden. Bij de ramp kwamen naar schatting tussen de tien- en dertigduizend mensen om het leven.

Het duurde een maand voor het nieuws overal in Europa bekend was. De Hamburgische unparteyische Correspondenten en de Berlinische Nachrichten von Staats- und Gelehrten Sachen behoorden tot de eerste kranten die het nieuws brachten. Binnen een jaar werden er zo’n drieduizend artikelen over de aardbeving gepubliceerd. Ze lokten meteen een debat uit. Hoe kon een barmhartige God zoiets toestaan, of erger nog, dit voltrekken, op een dag en juist op plekken waar mensen bijeengekomen waren om Hem te loven.

—————

De aardbeving van Lissabon confronteerde de achttiende eeuw met de paradox van de theodicee: hoe kan een almachtige, alwetende en barmhartige God het kwaad en het lijden toestaan?

Rechtzinnige schrijvers namen het standpunt in dat de aardbeving een straf van God was voor pogingen om tot politieke hervormingen te komen en voor de zonden van de stad in het algemeen; ze wezen erop dat vooral de wijk waarin de meeste prostituees hun beroep uitoefenden – dicht bij de haven – extra zwaar getroffen was. Maar anderen vonden zo’n uitleg niet aanvaardbaar. Als onschuldige kinderen en vrome christenen op een geheiligde dag door de aardbodem en de golven werden verzwolgen, was het misschien tijd om de dingen eens grondig te overdenken.

De belangrijkste criticus was Voltaire, voor wie de ramp een welkome gelegenheid was om de gevaarlijke naïviteit van mensen die de idee van een goddelijke gerechtigheid aanhingen te ontmaskeren. In zijn roman Candide drijft hij de spot met de leibniziaan doctor Pangloss, die het geloof niet zal opgeven dat hij in de beste van alle werelden leeft, ondanks de toenemende bewijzen van het tegendeel. Maar de ramp was voor de ouder wordende auteur ook aanleiding om een werk te schrijven op een ongebruikelijk ernstige toon. In zijn Poème sur le désastre de Lisbonne (1756) lijkt hij wel een existentialist. Het kwaad, schreef hij, bestaat, en het leven is een oorlog van allen tegen allen: ‘De mens, een vreemde voor zichzelf, ziet de mens niet./ Wie ben ik, waar ben ik, waar ga ik heen, en waar kom ik vandaan?/ Geplaagde atomen op deze modderkluit/ verzwolgen door de dood en speelbal van het lot…/ Het nu is verschrikkelijk, en een toekomst is er niet.’

Zeker voor een ontwikkelde elite werd de aardbeving van Lissabon een geestbeving op het moment dat een mooie droom werd verpletterd door een naargeestige werkelijkheid. De politieke en filosofische gevolgen waren tweeërlei. In Lissabon zelf leidde ze tot de opkomst van de hervormingsgezinde markies van Pombal, die Portugal, of althans de hoofdstad, veranderde in een van de meest moderne en verlichte plaatsen van Europa. Op ruimere schaal betekende ze een uitdaging voor denkers om nieuwe ideeën te ontwikkelen over de werking van de natuur en over het geloof.

—————

Is de aardbeving van Lissabon enigszins vergelijkbaar met wat we op dit moment meemaken? Of om het anders te zeggen: is corona onze geestbeving?

Samuel Moyn heeft onlangs betoogd dat historische vergelijkingen geen zin hebben als ze overeenkomsten opsommen zonder ook de duidelijke verschillen te zien. Moyn waarschuwt tegen zelfgenoegzaamheid: ‘Zelfs als contrasten een tegenwicht bieden, is een vergelijking een politieke daad, waarover al dan niet positief geoordeeld kan worden (…) Analogie en het ontbreken van analogie kunnen behulpzaam zijn bij de analyse van het heden, maar niet als ze leiden tot zwelgen in melodramatische deugdzaamheid of tot een zich verliezen in angsten, en dat alles dan om ons te wapenen tegen een akelig normale toekomst.’

Ook na de verwoestende jaren 1914-1945 was een oude manier om de wereld te begrijpen ten onder gegaan

Laten we dan eens naar de verschillen kijken. Hoewel de gevolgen tot in de beide Amerika’s voelbaar waren, was de aardbeving van Lissabon een plaatsgebonden ramp. Anders dan de meer voor de hand liggende vergelijkbare gebeurtenissen als pandemieën (de Zwarte Dood rond 1350 of de Spaanse griep in 1918 en 1919) trof het de bevolking in de meeste Europese landen slechts indirect.

Maar het gaat niet om geografische omvang en dodental. De aardbeving van Lissabon was belangrijk omdat die eraan bijdroeg dat de mensen de wereld in een ander licht gingen zien. Ze veroorzaakte in de algemeen aanvaarde visies scheuren die op den duur dwongen de kijk op de dingen te veranderen. En hier wordt de vergelijking met Covid-19 interessant.

—————
De aardbeving van Lissabon in 1755

Als je ooit een keramiekschaal wil kopen, is er een makkelijke manier om erachter te komen of er onder het glazuur een onzichtbare barst zit. Zet de schaal op de vingertoppen van je ene hand en tik met je andere hand tegen de rand. Als er een welluidende ‘ping’ te horen is, is de schaal intact, maar een doffe ‘tok’ geeft aan dat er een barst in zit en dat de schaal onherroepelijk zal breken.

Het verhaal over 1755 gaat niet over een aardbeving, maar over de crisis van een collectief verhaal, over het probleem van een algemeen aanvaarde wijsheid. Een mal die eeuwenlang vorm had gegeven aan kennis was gebarsten, in de oren van veel tijdgenoten was zijn resonantie verstoord. De doffe ‘tok’ die afkomstig was vanonder het oorspronkelijke oppervlak was een teken dat een oude orde aan zijn eind gekomen was en dat er een nieuwe moest worden gevonden.

Het begrip resonantie, geïntroduceerd door de Duitse socioloog Hartmut Rosa, kan hier van pas komen. Een samenleving berust op gedeelde ervaringen en verhalen, een gemeenschappelijke resonantieruimte die verschillende levens samenbrengt binnen een interpretatief raamwerk, dat een gemeenschappelijke bodem creëert voor gedrag, waarden, de rechtvaardiging van macht en politieke actie.

Er is niets wat zo effectief is voor het creëren van zo’n resonantieruimte als een gedeeld trauma. De laatste keer dat Europa zo’n historisch moment heeft meegemaakt was wat wel Europa’s ‘tweede Dertigjarige Oorlog’ is genoemd, van 1914 tot 1945. Miljoenen mensen kwamen om het leven, steden en hele economieën lagen in puin en talloze levens waren verwoest. Maar even belangrijk was dat een oude manier om de wereld te begrijpen ten onder was gegaan en dat een krachtige gedeelde ervaring een nieuwe denk- en handelingshorizon had geopend.

—————

Achtervolgd door de herinnering aan massamoord begon Europa duidelijk te veranderen in een continent waar een dergelijke tragedie nooit meer zou kunnen plaatsvinden. Een grootschalige herverdeling via belastingen was bedoeld om de sociale nachtmerrie en de radicalisering van de Weimarrepubliek voortaan te voorkomen; door internationale samenwerking en de stichting van de Europese Unie zouden nationale belangen zo innig met elkaar verstrengeld raken dat een oorlog in Europa onmogelijk zou worden. Er werden zeer verschillende lessen getrokken, maar allemaal uit dezelfde ervaring.

Die gedeelde resonantie, gebaseerd op een collectief trauma, lijkt bijna hetzelfde te werken als een persoonlijk trauma. Ze geeft vorm aan houdingen en handelingen en zorgt voor een krachtige impuls om wat gebeurd is niet nog eens te laten gebeuren. Het is niet zozeer een les die geleerd is als wel een reactie, een poging om een traumatische herhaling te vermijden; en net als bij trauma’s van individuen en families is het niet een les die voor altijd geleerd wordt. Ze is toereikend voor twee of drie generaties. Als de laatste getuigen en de mensen die hen persoonlijk kenden zijn heengegaan verdwijnt het trauma ook, en dus ook de plichten die eruit zijn voortgevloeid. Kijk naar de huidige EU en het wordt zonneklaar. Het is niet langer een existentieel vredesproject, maar een economische unie waar iedereen het zijne haalt. In geval van een crisis worden de grenzen gesloten, medische voorraden worden gebunkerd en de financiële solidariteit vervluchtigt.

Keren we terug naar de geestbeving. Wat de vergelijking tussen corona en de aardbeving van Lissabon zo intrigerend maakt, is het feit dat in beide gevallen een ideologisch en breed gedeeld concept van de wereld meteen in een crisis werd gestort toen het met de werkelijkheid in botsing kwam. In 1755 was het het christendom en, algemener, het concept van een rationele en morele wereldorde, van een barmhartige godheid.

In onze tijd raakt de intellectuele crisis die door Covid-19 veroorzaakt is ook het hart van een gedeelde culturele visie. Het zet zelfs fundamentelere concepten binnen de westerse cultuur op losse schroeven. Menselijke wezens, zo wordt duidelijk, zijn lang niet zo bijzonder en machtig als ze zelf graag denken.

Een suffe dna-streng afkomstig van een Chinese markt met levende dieren kan de meest ontwikkelde samenlevingen en economieën in één keer lamleggen. Niets functioneert meer, al het normale leven is tot stilstand gekomen, fundamentele vrijheden gelden even niet. Sterker nog: er is geen duidelijke wetenschappelijke of technologische oplossing voor dat probleem. Zelfs als er snel een vaccin gevonden wordt (en na meer dan dertig jaar grootschalig onderzoek bestaat er nog steeds geen vaccin tegen aids), is het niet zeker of de immuniteit die het zal opleveren permanent is, om maar te zwijgen van het gevaar van nieuwe mutaties of van andere virussen die van dieren op mensen overgaan. Dat kan niet worden opgelost. Het beste wat we kunnen doen is onze manier van leven veranderen en met de nieuwe situatie leren omgaan.

Dat is slecht nieuws voor ‘de mens’ als kroon op de schepping, voor het idee van voortdurende vooruitgang, voor het menselijk streven om de natuur te onderwerpen en te beheersen. Het trekt het hele, door de Verlichting uitgedragen beeld in twijfel dat de mens een rationeel wezen is, gescheiden van de rest van de natuur, bevoorrecht en vrij. Het zet ons in één keer terug in de natuur: een organisme gevoelig voor milieufactoren, veranderd door uiterlijke omstandigheden, totaal afhankelijk van en onlosmakelijk verbonden met het grote netwerk van de natuur. Covid-19 blijkt slecht nieuws te zijn voor de menselijke ijdelheid.

—————

Op kortere termijn roept de geestbeving van Covid-19 de vraag op naar de almacht van de markt. Decennialang is mensen die een alternatief zochten voor het suïcidale hyperkapitalisme dat de ontwikkelde wereld erop nahoudt verteld dat zo’n alternatief niet bestaat, dat er geen betere manier is om de dingen te regelen, dat ze al in de beste van alle mogelijke werelden leven en dat het zowel gerechtvaardigd als noodzakelijk is om de markt alle vrijheid te geven, zelfs in die mate dat vitale diensten als onderwijs, gezondheidszorg, culturele gebeurtenissen en het justitieapparaat dienen te worden gezien als commerciële activiteiten waarmee winst moet worden gemaakt.

Vele heilige dogma’s van de politieke markteconomie zijn de laatste drie maanden bij het oud vuil gezet

De weigering om zich in te laten met welk idee ook over een echte economische of maatschappelijke verandering was categorisch. Het systeem is het systeem, het heeft heel veel succes en is heel traag, het mag en kan niet worden veranderd. Economische groei moet de topprioriteit blijven waarvan alles afhankelijk is. De klimaatcrisis mag al dan niet reëel zijn, maar helaas is er weinig aan te doen, of, zoals een voormalige kanselier van een middelgroot Europees land eens tegen me zei: ‘Natuurlijk moeten we de klimaatverandering aanpakken – als die maatregelen maar geen sociale impact hebben en de economie niet schaden.’

Het is de moeite waard na te denken over wat er sinds corona veranderd is. Het onmogelijke is gebeurd, binnen enkele dagen, en met verbazingwekkend veel discipline en solidariteit. Regeringen die verstandig genoeg waren om naar experts te luisteren en om snel drastische maatregelen te nemen wisten het dodental te beperken en te zorgen voor economische buffers ten behoeve van mensen die het hardst getroffen waren. Regeringen die te amateuristisch, te eigenwijs, te onwetend of te chauvinistisch waren om het gevaar serieus te nemen zijn nu verantwoordelijk voor de enorme ellende van hun bevolking, met sterftecijfers die tien maal hoger liggen dan elders en met veel sociale en economische nadelen op de lange termijn.

De gevolgen van de coronacrisis en de mogelijke economische nachtmerrie zullen ons decennialang blijven vergezellen, en het debat erover ook. Ze zullen woekeren op de ruïnes van de liberale visie die een samenleving ziet als een markt, en van de onstuitbare ontwikkeling naar een liberale, democratische markteconomie (die in 2008 al averij opliep, maar nu compleet ingestort is. Tik ertegen en je hoort niets anders dan een doffe ‘tok’).

—————

In de debatten die zich zullen ontwikkelen zal het niet langer mogelijk zijn te zeggen dat er geen alternatief bestaat voor de wereld en het economische systeem zoals ze nu zijn, dat we niet zouden kunnen kiezen voor verandering en niet zouden kunnen hopen op samenwerking vanuit de samenleving zelf. Het onmogelijke is gebeurd, en de meeste mensen leven nog en hebben een toekomst.

Het is verbazingwekkend hoeveel belangrijke en vroeger heilige dogma’s van de politieke markteconomie in de laatste drie maanden bij het oud vuil zijn gezet. Hele samenlevingen hebben besloten dat het belangrijk is kwetsbare mensen te beschermen, ook al kosten ze meestal geld en zijn ze economisch niet productief. Om dat te bereiken zijn markten stilgelegd, is de handel stopgezet, is er geld in schijnbaar onbeperkte hoeveelheden gecreëerd en krijgen mensen gratis geld. Het is ook goed om op te merken dat de markten weinig gedaan hebben om het vertrouwen in hen te versterken. In tegenstelling tot wat er in de economische wetenschap verkondigd wordt waren markten niet in staat om prompt te reageren op een vraag. Voorraden met medische uitrusting waren in veel landen rampzalig beperkt, artsen werden gereduceerd tot kopers van essentiële voorraden op de zwarte markt, met eigen geld.

Tezelfdertijd hebben mensen echte verandering kunnen waarnemen. Ze hebben met eigen ogen de scheuren in het sociale web van hun gemeenschap kunnen zien, toen ze de grote ongelijkheid tijdens de lockdown zagen, de social distancing, de precaire werkomstandigheden, de toegang tot de gezondheidszorg, scholen. Maar ze hebben ook gezien hoe snel de natuur de leegte vult die was ontstaan toen de inbreuk van de mens op de natuur werd gestaakt, een drastische teruggang van de luchtverontreiniging, een hemel die niet vergeven is van de vliegtuigen, de terugkeer van vogels en dieren, en van de stilte. Ook dat zal in de herinnering blijven hangen. Dingen, zo blijkt nu, kunnen anders, als we dat willen en als we ons ertoe zetten.

Vóór de coronacrisis ervoeren de West-Europese samenlevingen de ambivalentie van de vooruitgang. 75 jaar lang is er geen oorlog gevoerd tussen grote Europese landen, een eeuw lang heeft er zich geen pandemie voorgedaan. Het leven in het naoorlogse Europa leek inderdaad een ongekend succesverhaal van economische groei en toenemende democratisering, onderwijs, liberalisering, groeiende welvaart en sociale rechtvaardigheid. Paradoxaal genoeg leek dat de samenleving niet altijd te versterken.

Misschien is het iets te speculatief, maar het lijkt op z’n minst mogelijk dat de toenemende scheidslijnen en ongelijkheden in Europa iets te maken hebben met het ontbreken van een sterke gedeelde ervaring, een gemeenschappelijke resonantieruimte, die meer mogelijkheden openlaat voor andere en uiteenlopende identiteiten, of die nu gebaseerd zijn op klasse of leeftijd, culturele achtergrond, religie of seksuele oriëntatie. Omdat we niet langer verbonden waren door een gedeelde ervaring, werden we gekenmerkt door onze verdraagzaamheid jegens verschillen.

—————

Zal de ervaring met Covid-19, met zijn lockdown, zijn solidariteit, zijn recessie en zijn vrees voor besmetting, een nieuwe, gedeelde ervaringshorizon scheppen? Dat zal het zeker, en dat is ook al gebeurd. Maar dat is op zichzelf nog geen goed nieuws. Een gedeelde ervaring is zinloos zonder gedeelde interpretatie; zonder een verhaal is er ook geen moraal van het verhaal. Die verhalen worden nu al aarzelend verteld, en de moraal die in de huidige situatie wordt gevonden neigt ertoe zeer divers te zijn.

Op grond van dezelfde crisis pleiten mensen voor meer of minder markt, meer globalisering of een sterkere onafhankelijkheid, voor meer toezicht, meer economische groei, meer solidariteit, een basisinkomen voor iedereen of het drinken van bleekwater. Dat laatste zal niet erg aanslaan, maar het is goed om voor ogen te houden dat verhalen niet gebaseerd hoeven te zijn op feiten om aantrekkelijk te worden gevonden. Welk van die verhalen zal worden omgezet in beleid hangt af van de vraag welk verhaal het beste verteld wordt en de meeste resonantie vindt bij het publiek. De geestbeving door Covid-19 stelt ons voor de enorme uitdaging om tot verandering te komen, vooral pijnlijk omdat die diep in ons culturele verleden reikt. Zowel de corona- als de klimaatcrisis is het gevolg van de snelle en massale inbreuk van de mens op natuurlijke systemen en habitats. De prijs die we betalen voor een snelle vooruitgang is nu juist de ondermijning van de omstandigheden waarvan de mensheid (en andere soorten) afhankelijk is om te overleven.

Beide crises hebben dezelfde oorzaak – de mens – en beide ontwerpen eenzelfde uitweg, namelijk de systematische reductie van de destructieve en roofzuchtige impact van de mensheid op de planeet. Alleen als samenlevingen leren zich aan te passen aan het virus, en niet méér middelen inzetten dan ze duurzaam kunnen verbruiken, kan er een constructief antwoord op deze ramp worden gevonden. Maar dat vraagt om een verandering van denkgewoonten die veel ouder zijn dan de Verlichting.

—————

De bijbel beveelt Adam en Eva de aarde te onderwerpen en erover te heersen. Ze zijn per slot van rekening de kroon op de schepping, begiftigd met een onsterfelijke ziel en daarom verschillend van de rest van de natuur. De mensheid zit nu tegen de existentiële grens van die visie aan. Een snel toenemende technologie, een onverzadigbare honger naar grondstoffen en een angstaanjagend onvermogen om het afval te verwerken dat vooral rijke landen produceren, hebben het geheim van het succes van gisteren veranderd in een recept voor een langzame zelfmoord vandaag.

Maar als die visie niet langer dienst kan doen, waardoor kan ze dan worden vervangen? Is het mogelijk om niet alleen de oude economische ideeën achter ons te laten, maar ook de culturele mal open te wrikken waarin drie millennia menselijke ambitie vastzitten? Kunnen we de mensheid afbrengen van de narcistische visie die ze van zichzelf heeft, namelijk een heel speciale soort te zijn, onverschillig, voorbestemd om de weg van de vooruitgang te gaan door aanhoudende expansie en uitbuiting? Hoe zou de politiek eruitzien als de mensen werden gezien als ingewikkelde, afhankelijke, grotendeels irrationele primaten, die in staat zijn tot vreselijke wreedheden maar ook tot grote empathie? Wat zijn de sociale en economische doelen die het waard zijn om nagejaagd te worden?

Na de geestbeving tuimelt de ene vraag over de andere heen. Het is veel te vroeg voor antwoorden, maar er is een mal open gewrikt. Het ziet ernaar uit dat we aan het eind van een lang hoofdstuk in de geschiedenis van de mens leven – en aan het begin van een nieuw hoofdstuk.


Philipp Blom schreef onder meer De duizelingwekkende jaren: Europa 1900-1914 (2009), Wat op het spel staat (2017) en Een Italiaanse reis: Een zoektocht naar de herkomst van mijn viool (2019). Vertaling: Wil Hansen