Ben Bot: foei

Het begint met twijfel, het eindigt met aftreden

Minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot mag van premier Balkenende niet twijfelen aan de juistheid van de invasie in Irak. De verklaring daarvoor zou wel eens kunnen liggen in de Srebrenica-affaire.

Wat bezielt premier Jan Peter Balkenende als hij een van zijn meest gewaardeerde mi nisters, Ben Bot van Buitenlandse Zaken, dwingt zich laf te gedragen? Waarom moest Bot zijn twijfel aan de juistheid van de invasie in Irak herroepen en zich, zoals de oppositie het verwoordde, als een kleuter door de minister-president in de hoek laten zetten? Die vraag blijft hangen nu minister Bot zich niet openlijk mag afvragen of de invasie in Irak wel verstandig is geweest.

Hoe voorzichtig Bot het ook formuleerde, de twee grootste regeringspartijen CDA en VVD reageerden vorige week woensdag furieus op zijn uitlatingen. Premier Balkenende werd de volgende dag met spoed naar de Kamer geroepen en in zijn bijzijn moest Bot openlijk verklaren dat ook met de kennis van nu de inval in Irak nog steeds een verstandig besluit is geweest.

Een deel van de verklaring is misschien in de psychologie te vinden. Toen Balkenende als minister-president van zijn vorige kabinet de steun aan de inval moest verdedigen, zei hij tijdens het debat in de Tweede Kamer: «Ik zal geen moment ontkennen dat ook ik heb ge worsteld met het besef dat de militaire operatie nu vrijwel onvermijdelijk is geworden.» Het zal, daar mag de Nederlandse bevolking toch op hopen, inderdaad geen makkelijk besluit zijn om een oorlog te steunen, zelfs als die steun vooralsnog alleen politiek is en niet hoeft te worden uitgedrukt in het sturen van manschappen. En wat is er lastiger dan toe te moeten geven dat een moeilijk besluit achteraf gezien misschien toch een verkeerd besluit is geweest? Als Bot met zijn twijfel het kabinet en de regeringspartijen vorige week heeft overvallen, zou dat voor een deel de reacties kunnen verklaren.

Toch lijkt het onwaarschijnlijk dat men in tern niet wist hoe de minister van Buitenlandse Zaken er echt over denkt. Waarschijnlijker is dat ze zo schrokken omdat ze hadden afgesproken de gelederen gesloten te houden en geen begin van twijfel toe te laten. Binnen het kabinet hadden ze immers al een debat over de juistheid van de invasie kunnen voeren. Een mooi moment daarvoor was bijvoorbeeld toen oud-minister Colin Powell van de VS zijn spijt betuigde over zijn uitlatingen in de Veiligheidsraad, in de aanloop naar de oorlog, over massavernietigingswapens in Irak. De SP heeft er vorige maand nog kamervragen over ge steld.

Formeel moest Bot zijn woorden van vorige week herroepen omdat het argument waarmee Nederland destijds zijn politieke steun aan de invasie verdedigde volgens Balkenende recht overeind is blijven staan, ook nu in middels al geruime tijd bekend is dat Saddam Hoessein geen massavernietigings wapens bezat. In maart 2003, in de nadagen van het kabinet-Balkenende I, beriep de regering zich immers niet op de mogelijke aanwezigheid van massavernietigingswapens. Premier Blair van Groot-Brittannië deed dat wel en ook voor de Amerikanen vormden die wapens toch een van de belangrijkste, openlijk verkondigde redenen om Irak binnen te vallen. Nederland steunde de aanval echter omdat Saddam Hoessein niet meewerkte met de inspecties van de Verenigde Naties naar het wapenarsenaal in zijn land. Nederland beriep zich op VN-resolutie 1441, waarin van Irak werd geëist aan die inspecties mee te werken. Die resolutie en Iraks weigering waren een feit en daaraan is niks veranderd, zo redeneert Balkenende.

Strikt formeel lijkt dat juist, toch is het verkeerd daarop de conclusie te baseren dat de afwezigheid van massavernietigingswapens on belang rijk is als de vraag wordt gesteld of de invasie achteraf gezien wel verstandig was. Daar is een eenvoudige reden voor: als toen, met be hulp van geheime informatie van in lich tingen diensten, duidelijk was geweest dat Saddam helemaal geen wapens bezat, zou VN-resolutie 1441 niet belangrijk zijn geweest. De Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten, zo is steeds verteld, meldden echter dat er wel massavernietigingswapens wa ren in Irak.

Balkenende I klampte zich dan ook vast aan resolutie 1441 juist ómdat het ervan uitging dat Hoessein kon beschikken over die wapens. Het staat ook met zoveel woorden in de brief aan de Tweede Kamer waarin de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Jaap de Hoop Scheffer, in 2003 de Nederlandse politieke steun aan de inval verdedigt. «Zijn er dan alternatieven denkbaar voor militair optreden?» vroeg De Hoop Scheffer zich in die brief af. Volgens hem zou dat alleen «langdurige voortzetting van het huidige niveau van militaire dreiging» zijn. Waarop hij vervolgde: «Naar het oordeel van de regering is dit uiteindelijk geen begaanbare weg. Alles wijst erop dat Irak nog steeds de intentie heeft zijn massavernietigingscapaciteit te behouden, en bo vendien de intentie heeft die op een ge schikt moment verder uit te bouwen.»

Ook premier Balkenende ging in het debat over die brief uitgebreid in op het gevaar van Saddam Hoessein. Zo verdedigde hij de opstelling van het kabinet onder meer met de op merking: «Zoals ik al zei: het regime in Bagdad heeft er meermalen blijk van gegeven niet te aarzelen massavernietigingswapens in te zetten.» Even later in dat debat verwees Balkenende ook naar de dreiging van het terrorisme. «Van een aantal van deze terroristen is bekend dat zij hebben geprobeerd massavernietigingswapens te verwerven.» Waarop hij verder ging: «… acht ik het regime van Saddam evenmin betrouwbaar genoeg om te durven garanderen dat toekomstige samenwerking (met terroristen – avr) niet zal plaatsvinden. Wij zouden het onszelf nooit vergeven als dit horrorscenario werkelijkheid zou worden.»

In de verdediging van Balkenende van vorige week zijn gemakkelijk gaten te schieten. Dat kan een reden zijn waarom CDA, VVD en Balken ende er als de kippen bij waren elk begin van twijfel aan de juistheid van de Nederlandse opstelling inzake Irak direct de kop in te drukken. Maar ook dat is geen afdoende verklaring. Het roept slechts de volgende vraag op: waarom mag er zelfs niet een begin van twijfel zijn, hoe voorzichtig ook?

De verklaring daarvoor zou wel eens kunnen liggen in de Srebrenica-affaire en de uiteindelijke politieke afwikkeling daarvan. Als CDA-fractievoorzitter voerde Balkenende des tijds het politieke debat daarover.

In 2002, kort voor de verkiezingen die Balkenende in staat stelden zijn eerste kabinet te formeren, trad PvdA-premier Wim Kok af en met hem zijn hele kabinet. Aanleiding was het rapport van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod) over Srebrenica. Na gedegen onderzoek was het Niod tot de conclusie gekomen dat de internationale ge meenschap te kort was geschoten in het be schermen van gewone burgers in de safe areas. De Bosnische Serviërs hadden weliswaar de massamoord op de moslimmannen gepleegd, maar die mannen rekenden op bescherming van de VN. Na wikken en wegen besloot Kok dat daarmee ook Nederland, als lid van de internationale gemeenschap en verantwoordelijk voor de enclave Srebrenica, te kort was geschoten. Zijn beslissing draaide om de woorden schuld en verantwoordelijkheid. Nederland was niet schuldig aan de massamoord, dat waren generaal Mladic en zijn mannen. Maar Nederland had wel een verantwoordelijkheid op zich genomen.

In het debat in april van dat jaar zei Kok in de Tweede Kamer: «Ik heb steeds naar eer en geweten gehandeld. Die overtuiging had en heb ik nog steeds. Tegelijkertijd ben ik van mening dat het onvermijdelijk is dat politieke consequenties worden verbonden aan de opeenstapeling van internationale en nationale tekortkomingen.»

Die uitspraak van Kok is als het ware politieke jurisprudentie. Daar zal voortaan naar verwezen worden als bij ingewikkelde internationale operaties verkeerde inschattingen worden gemaakt, ook als Nederland daar niet als enige verantwoordelijk voor is. Een kabinet kan er op het moment zelf nog zo van overtuigd zijn het goede te doen, achteraf kan blijken dat het de foute beslissing is geweest. En daarbij past, juist bij een zo ingrijpend onderwerp als oorlog en vrede, maar één gebaar: aftreden. Niet omdat de Tweede Kamer daarom vraagt, maar uit eigen beweging.

Balkenende was het daar in 2002 helemaal mee eens. In zijn bijdrage aan het debat over het Srebrenica-drama zei hij als CDA- fractievoorzitter: «Wij zijn van mening dat indertijd met oprechte en goede bedoelingen is gewerkt aan een missie, waarbij Nederland verantwoordelijkheid zou nemen voor situaties die mensonterend waren. Deze uitspraken laten echter onverlet dat met de kennis van nu een uitzending nooit meer op de wijze van toen zou moeten plaatsvinden. Belangrijk is dat wij ervan leren en er lessen uit trekken.»

CDA-minister Bot sprak vorige week naar aanleiding van Irak uit zijn hoofd, dus het waren geen mooi lopende zinnen, maar zijn woorden leken sterk op die van Balkenende destijds. Bot had het over terugkijken op het hele proces en vroeg zich af of het verstandig was dat er een inval door de bezettingsmogend heden heeft plaatsgevonden en of misschien niet met andere, diplomatieke middelen meer bereikt had kunnen worden.

Zijn voorganger De Hoop Scheffer schreef in de brief over de politieke steun aan de inval in Irak, mede namens Balkenende, die toen inmiddels mi nister-president was, het volgende: «De regering realiseert zich daarbij ten volle dat de inzet van militaire middelen ernstige gevolgen kan hebben, bijvoorbeeld in de vorm van verder lijden van de burgerbevolking, die reeds jarenlang het slachtoffer is van het Iraakse regime.» Indachtig het onderzoek van het Niod naar Srebrenica en het verschil tussen schuld en verantwoordelijkheid voegde hij in die brief nog toe: «Als dit conflict niet met andere middelen kan worden opgelost, ligt de schuld daarvoor zonder enige twijfel in Bagdad.» Nu, bijna drie jaar later, zegt zijn opvolger Bot dus dat er mogelijk wel andere middelen waren geweest. Weliswaar doet hij dat met de kennis van nu, maar dat was in de Srebrenica-affaire geen reden om niet de verantwoordelijkheid te nemen voor het daar aangerichte drama. Daarom mag er van Balkenende niet getwijfeld worden aan de juistheid van de invasie in Irak.

De huidige CDA-fractievoorzitter Maxime Verhagen verdedigde in maart 2003 zijn steun aan de inval in Irak met de woorden dat «als het gaat om de keuze tussen Saddam Hoessein en Bush en Blair die steun onvoorwaardelijk is». Dat Nederland in het begin van de oorlog geen militaire bijdrage leverde was volgens Verhagen «om de eenvoudige reden dat dit verzoek niet is gedaan en dat dit dus nu niet aan de orde is». Later, in de wederopbouwfase, toen president Bush de oorlog gewonnen had verklaard, kwam dat verzoek wel en werd het ook ingewilligd, overigens met steun van de PvdA. Maar het waren Balkenende, Verhagen en het CDA die zich met huid en haar aan de missie hadden verbonden. Nu beginnen met twijfelen zou voor die partij desastreuze gevolgen hebben. En de VVD zou in die val worden meegesleurd, want ook die partij heeft het militaire ingrijpen altijd gesteund.