De 21 romans die onze blik veranderden

Het begon met een wijkende kringspier

In april presenteerden wij ons boek De 21 romans die onze blik veranderden in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. We publiceren op onze site de teksten die onze redacteuren uitspraken over hun favoriete romans. Vandaag Joost de Vries over I.M. van Connie Palmen. Het boek I.M. valt samen met zijn tijd. Het privé-leven in de openbaarheid hing blijkbaar in de lucht.

Medium im

Ik weet dat Ilja Leonard Pfeijffer met Annet Portegies naar bed is geweest. En met Maria Barnas, en met Els Moors en met Saskia de Jong. Ik had dat liever niet geweten, maar hij schrijft het allemaal op in zijn nieuwe boek_, Brieven uit Genua_. Ik weet dat Pfeijffer met Hagar Peeters naar bed is geweest en dat zij zich, citaat, ‘als een glooiend Toscaans heuvellandschap’ over hem ontfermde.

Had dat liever niet geweten.

Ik hoef ook niet te weten wanneer Arnon Grunberg een nieuwe vriendin heeft waar hij veel seks mee heeft – maar hij weet het op een of andere manier iedere keer weer in zijn _Volkskrant-_Voetnoten te verwerken.

Ik hoef ook niet zo te weten dat Gerbrand Bakker een grassprietje uit de anus van zijn hond trekt, en de hond hem daarna dankbaar aankijkt – maar ga er maar vanuit dat die anekdote in zijn aankomende Privédomein zal verschijnen.

Ik wil niets weten over de scheiding van Ingrid Hogervorst en Atte Jongstra, maar toch schrijven ze er allebei boeken over. Ik wil het helemaal niet weten, maar dat ik dit allemaal weet, het hoge woord moet eruit, is de schuld van Connie Palmen, met in het bijzonder haar boek I.M. uit 1998.

I.M. begint met twee lichamen die het even, tijdelijk begeven; het eindigt met een lichaam dat het definitief begeeft. Zo gaat het begin van I.M: ‘Hij sluit de voordeur van de Reestraat af als ik vanaf de Prinsengracht de hoek om kom. We blijven allebei verstard staan, kijken elkaar aan en zeggen niks. Hij wou naar mij toe en ik naar hem, dat weten we. Zonder me van tevoren te waarschuwen wijkt mijn kringspier uit elkaar en ik doe het in mijn broek. Tegenover me spreidt hij zijn benen, grijpt naar zijn kont en roept verbaasd dat hij in zijn broek heeft gepoept.

Ik zeg tegen hem dat ik dit keer wel met hem mee naar boven ga, het is 12 februari 1991, zeven dagen na ons interview. Onder mijn kleren draag ik die dag een veel te wijde boxershort.’

Dit is het moment, met datum erbij. De bekendste schrijfster van de jaren negentig en de bekendste journalist. Ischa Meijer, Connie Palmen. Ze hadden elkaar anderhalve week eerder ontmoet, toen Palmen in Meijers programma was geweest om het over haar debuut te hebben, De wetten, dat alle critici en bestsellerlijstjes overweldigde. Het gesprek in de uitzending was intens: ‘Jaren later zal Leonie tegen me zeggen dat het overduidelijk was. Zij en de productieassistente wierpen elkaar een blik toe, omdat ze verbaasd waren over wat ze zagen. “Wat gebeurt hier?” had de productieassistente tegen haar gezegd.’

Na afloop had Meijer – of Ischa, zoals iedereen hem informeel noemde – haar gevraagd zijn exemplaar van De wetten te signeren. ‘Voor Ischa, die ik moest ontmoeten, dat wist ik’, schreef ze erin.

Bij hun eerste afspraakje neemt hij haar mee naar een chique restaurant. Het is lachen, gieren, brullen – na afloop vraagt hij haar mee naar huis. Ze weigert. Nee, zegt hij, wat? ‘Al dat geld!’ gilt hij uit.

Ze zegt dat ze altijd zeven dagen kuisheid betracht voordat ze met iemand die ze serieus neemt naar bed gaat. Ischa vat het samen in de lijn van De wetten: ‘Zeven mannen, zeven dagen kuisheid, je bent wel een heel katholieke vrouw’, zegt hij. ‘Maar ik ben toch nummertje acht, of niet?’

Ja, zegt ze.

Ze zien elkaar de dagen daarna elke dag, maar pas als ze het in hun broek doen gaat ze met hem mee naar huis.

Ik zou graag hier iets over de literaire kwaliteit van I.M. zeggen, maar door de jaren heen heb ik gemerkt dat Connie Palmens schrijverschap een beetje het Israëlisch-Palestijnse vraagstuk van de Nederlandse literatuur is: als je erover begint ontstaan er meteen twee kampen, en voor je het weet zit je over tafel naar elkaar te schreeuwen.

Het heeft ermee te maken, denk ik, hoe je met grandeur omgaat, of je er allergisch voor bent of niet. Of je zelfmythologisering kunt verdragen, of je open staat voor het grote gebaar. Persoonlijk vind ik het niet erg als iemand denkt dat zijn of haar liefde grootser, allesomvattender, dieper gaat dan mijn liefde; jij hebt jouw waarheid, ik heb de mijne.

Ik kom in literatuur graag andermans waarheden tegen. Daarvoor is literatuur bedoeld. Je kunt er je eigen waarheden aan slijpen en mee contrasteren. Maar laat me alleen dit over de literaire kwaliteiten zeggen: I.M. is fictie gebouwd van feiten, het boek is de waarheid van Connie Palmen, niet die van iemand anders. Haar waarheid, haar verhaal. Ik heb het nu drie keer gelezen en drie keer werd ik volledig haar wereld, haar leven en haar verdriet in gezogen.

Maar I.M. is een kantelpunt in de naoorlogse Nederlandse literatuur om een reden buiten de tekst om. Buiten-literair. Het kwam naar voren in de recensie die Hans Goedkoop schreef in NRC Handelsblad. Het was een lange, volle bespreking, waarin Goedkoop het boek plaatste in het hele oeuvre van Palmen: haar debuut De wetten (1991) én haar tweedeling, het AKO Literatuurprijs winnende De vriendschap (1995) gingen over vrouwen die de openbaarheid zoeken, als vervolmaking van hun eigen identiteit. I.M. was in die zin het meest letterlijk in de praktijk brengen van die theorie, alle grenzen tussen literatuur en het leven werden opgeheven.

Maar er was nog iets meer aan de hand, vond Goedkoop. De relatie tussen publiek en schrijver was omgedraaid; nu het verdriet in het leven overweldigend was geworden, verruilde Palmen het leven voor de openbaarheid. Doordat ze alles wat ze had meegemaakt zo zonder enige terughouding zo sec mogelijk opschreef, moest het publiek ‘alles goedmaken wat in haar leven fout ging. Het publiek moet haar herstellen in de glorie van haar liefde.’

De slotalinea die volgde was waarschijnlijk de meest besproken passage uit de carrière van Goedkoop, en misschien zelfs uit die van Palmen: ‘Het punt alleen is dat dat niets meer met literatuur te maken heeft. Het heeft uitsluitend nog te maken met dat ene, uiterste verlangen in het sterrendom om de aandacht van het publiek te kunnen drijven. Om betekenis te kunnen krijgen zonder zelf betekenis te hoeven geven. Om alleen maar beeld te hoeven zijn en te ontsnappen aan de pijn van het bestaan. Het is een egomaan verlangen dat de rollen tot in het absurde omdraait. I.M. is niet geschreven om de lezers iets te geven, maar om iets van hen te krijgen.’

Een boek dat niet geeft, maar neemt, zette de eindredactie als kop boven Goedkoops stuk. De andere kranten reageerden soortgelijk:

De recensent van de Volkskrant schreef: ‘Frisse morgen, denk je, als je dat leest, terwijl de zin over die “uit elkaar wijkende kringspier” ook al niet erg goed geformuleerd lijkt. Wat wordt dit voor een boek? Krijgen we meer van zulke scènes opgedist? Zitten we daarop te wachten? Is dit een Privé- of _Story-_relaas, dat zelfs die bladen te voyeuristisch zou zijn?’

Ik had in de archieven gehoopt te vinden dat De Groene Amsterdammer, onafhankelijk weekblad sedert 1877, meer superieur zou hebben gereageerd, maar daar schreef de recensente van dienst: ‘Kunnen de Spice Girls zingen? Misschien best. Maar wat kan het de fans schelen? Zij zijn cool, al zijn ze dan gemaakt, gehypet. Door zichzelf, en door degenen die daaraan verdienen. Echt intrigerend is natuurlijk hoe het mogelijk is om zo gemaakt te worden. In de jaren negentig is dat mogelijk. En in dat opzicht is Connie Palmen de Spice Girl van de Nederlandse letterkunde.’

In zijn essaybundel Een verhaal dat het leven moet veranderen (2004) keek Hans Goedkoop terug op zijn recensie. Hij schrok toen hij het stuk in de krant terugzag: niet dat de eindredactie er een woord aan had veranderd, maar de kop die erboven was gezet maakte het zoveel feller, zoveel harder: ‘Een boek dat niet geeft maar neemt’. Goedkoop schreef dat hij verwachtte klachten te krijgen – maar tot zijn verbazing kreeg hij alleen maar steunbetuigingen. En opeens leek buiten de literaire supplementen ‘de jacht geopend’. Er verschenen stukken over hoe Palmen de waarheid zou hebben verdraaid, hoe megalomaan ze eigenlijk zou zijn, door alles tot zulke proporties op te blazen, terwijl Ischa er waarschijnlijk meerdere vrouwen op nahield. Dus hoe oprecht kon die liefde zijn? Het kreeg iets van een opstootje, ‘men wou bloed zien’.

Het fragment van Koot & Bie is daar een mooie illustratie van. Het leven van Connie en Ischa werd in de betere kringen een gezelschapsspel; wie wist de meeste roddels, wie kon het gepubliceerde verhaal het best ondermijnen?

Voorlopig heb ik nog amper of eigenlijk geen ingezonden brieven gelezen over Pfeijffers Brieven uit Genua. Mensen die alles ontkennen, mensen die Pfeijffer verwijten zijn verhaal aan de werkelijkheid op te dringen.

Op diezelfde manier ben ik niet één criticus tegengekomen die verontwaardigd was toen A.F.Th. van der Heijden in Tonio beschreef hoe AFTh beschrijft hoe hij het zaad van zijn zoon in de douche aantrof. Niet één criticus met verontwaardigd opgetrokken wenkbrauwen schreef: ‘Waarom moeten wij dit weten?’

AFTh en Ilja Pfeijffer konden dat schrijven dankzij de wijkende kringspier van Connie Palmen.

Het is niet zo dat Connie Palmen de eerste was die zonder enige gêne zo’n openbaar privé-verhaal opschreef. Mensen als Renate Rubinstein waren haar voorgegaan. De deur stond dus op een kiertje, maar Palmen trapte die deur zo hard open dat hij nooit meer dicht zou kunnen. Connie Palmens I.M., of het succes van I.M., maakte een genre mogelijk dat anders misschien alleen incidenteel zou opduiken.

Nu weet je: als een schrijver een alcoholverslaving heeft, schrijft hij er een boek over. Als een schrijver ziek wordt, schrijft hij er een boek over. Als een schrijver een kind krijgt, schrijft hij er een boek over. Als een schrijver in scheiding ligt, een dementerende moeder heeft, van de trap valt en zijn rug breekt – hij zal er een boek over schrijven.

Bekijk de CPNB-top-60, en de lijst staat er vol van. Hoe autobiografischer, hoe liever. De nobele kunst van het schrijversinterview lijkt enkel nog te bestaan bij de gratie van alle fictie tot het levensverhaal van de auteur terug te brengen.

I.M. was het scharnierpunt; het verscheen in 1998, een jaar voor Big Brother, de oer-realityserie van John de Mol, waarin doorsnee mensen in een van de wereld afgeschermd huis de hele dag niets deden tussen de draaiende camera’s. Wie kijkt hier nou naar? vroeg een van de huisbewoners, toen ze weer eens lusteloos op de bank hingen – zonder te beseffen dat op dat moment een paar miljoen Nederlanders zaten te kijken. Het boek I.M. valt samen met zijn tijd. Het privé-leven in de openbaarheid hing blijkbaar in de lucht.

Voor de goede orde: de eerste druk van I.M. verscheen gebonden en met stofomslag, 312 bladzijden voor veertig gulden, en bedroeg overigens een oplage van honderdduizend exemplaren.

Die honderdduizend waren in no time verkocht. Met andere woorden: we waren allemaal heel verontwaardigd over I.M., maar we wilden het allemaal lezen. Een groter gelijk kun je als schrijver niet halen.


U kunt De 21 romans die onze blik veranderden kopen voor €19,95 (inclusief verzendkosten)