Internationalisering van het hoger onderwijs

Het belang van de buitenlandse student

Buitenlandse studenten moeten onze economie redden, als het aan ministers en universiteitsbestuurders ligt. Maar in de discussie worden nogal wat verschillende zaken op één hoop gegooid. Universiteitsbelang en landsbelang, bijvoorbeeld. Of het geld van de Chinese studenten en hun hersens.

AMSTERDAM – ‘Brain circulation’ is een prettig begrip. De Maastrichtse universiteitsbestuurder Jo Ritzen gebruikt het liever dan ‘brain drain’ als het om buitenlandse studenten gaat, want dat klinkt als uitbuiting. Hoe het verschijnsel wordt genoemd, hangt af van welke groep buitenlandse studenten de meeste aandacht trekt. Vroeger was een andere negatieve term populair: ‘industriële spionage’. Van toepassing op Iraniërs die na studie en werk in Nederland het nucleaire programma van hun land opzetten, Chinezen die thuis satellieten gingen fabriceren of Pakistanen die de ‘islamitische kernbom’ in elkaar sleutelden. Brain circulation, maar dan uit een wat ander oogpunt. De aandacht ligt nu even elders.

Het is maar één draadje in de discussie die vorige week nieuw leven werd ingeblazen, over de noodzaak van Nederland om buitenlandse studenten en onderzoekers aan te trekken om onze kenniseconomie van wereldklasse te maken of te houden. En zo zijn er vele draadjes. In toespraken bij de opening van het universitaire jaar veegden universiteitsbestuurders en minister van Economische Zaken Maria van der Hoeven al die draadjes samen tot een grote kluwen en drapeerden daar het etiket ‘van landsbelang’ omheen.

Tijd om een paar van die draadjes weer uit de kluwen te trekken. Want universiteitsbestuurders en ministers mogen het dan eens zijn over ons landsbelang als het om buitenlandse studenten gaat, maar waar baseren zij dat precies op? Wie dat na probeert te gaan, komt bij nogal wat losse eindjes uit.

Er studeren op elk gegeven moment bijna vijftigduizend buitenlandse studenten in Nederland, wat relatief gezien onder het EU-gemiddelde ligt. De grootste groep komt uit Duitsland, op grote afstand gevolgd door China en België. Andere grote herkomstlanden zijn Indonesië, Marokko, Suriname, Turkije en Polen. Om buitenlandse studenten te werven heeft de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs, Nuffic, kantoren in China, Indonesië, Mexico, Taiwan en Vietnam, terwijl Rusland, Thailand, Zuid-Korea, Brazilië en mogelijk India en het Midden-Oosten nog op de rol staan. Onder de buitenlanders in het hoger onderwijs is economie de populairste studie. Tachtig procent van hen volgt een bachelorstudie.

Deze groep is veel diverser dan sommige toespraken van vorige week weerspiegelen. Allereerst is het van belang onderscheid te maken tussen twee soorten ‘jacht op buitenlandse studenten’, die nu als één worden behandeld. De ene is de jacht op ‘onderwijstoeristen’, studenten die veel geld over hebben voor een certificaat van een prestigieus klinkende opleiding of cursus uit Nederland. Studenten in dit ‘segment’ komen vaak om hun cv op te kleuren of om lichte studie met een leuke zomer te combineren. Hun wetenschappelijke eisen liggen vaak laag. Naast universiteiten loeren ook hogescholen op die studenten, en noemen zich daartoe in het buitenland university.

De hoofdreden voor de ‘jacht’ op deze studenten is simpelweg geld: voor een kleine investering krijgt een universiteit of hogeschool duurbetalende studenten over de vloer. Want studenten uit het buitenland betalen dubbel zoveel of meer collegegeld dan Nederlandse. Een zomercursus brengt helemaal veel geld in het laatje: daarvoor kan twee- tot driehonderd euro per week worden gevraagd. En het ondersteunend personeel heeft dan in de zomer ook wat te doen.

In het huidige debat wordt deze groep studenten op één hoop geveegd met studenten die niet aantrekkelijk zijn vanwege hun portemonnee, maar vanwege hun hersens. Minister Van der Hoeven sprak vorige week de wens uit dat het aantal buitenlandse studenten aan Nederlandse universiteiten verdubbelt van vijf tot tien procent. De ‘buitenlandse toppers’ zullen volgens Van der Hoeven de Nederlandse zesjescultuur ondergraven: in hun ijver en leerzucht zouden de buitenlanders hun medeleerlingen meetrekken en de competitie aanwakkeren.

Dat is een wel erg rooskleurig beeld. Natuurlijk is er veel buitenlands talent aan Nederlandse universiteiten, maar hoe goed die buitenlanders zijn vergeleken met Nederlanders is onbekend. Nuffic houdt wel bij hoeveel buitenlandse studenten er zijn en wat zij doen, maar niet hoe zij zich kwalitatief tot Nederlanders verhouden. Andere geluiden dan Van der Hoevens lofzang op de buitenlander zijn er ook. Van Nederlandse studenten aan technische universiteiten bijvoorbeeld, die in het Engels les krijgen omdat hun opleiding Aziatische studenten wil aantrekken en vervolgens merken dat die Aziaten de kwaliteit omlaag trekken vanwege hun erbarmelijke Engels. Wat de buitenlandse hersens per saldo aan kwaliteit toevoegen, weten we niet.

Dat buitenlanders al twee derde van alle promovendi aan de Universiteit Twente uitmaken, meer dan de helft bij de andere technische universiteiten, en dat hun aandeel bij andere universiteiten groeit, ligt niet in de eerste plaats aan hun hogere kwaliteit, maar aan het simpele feit dat er te weinig animo voor promotieplaatsen is onder geschikte Nederlanders. Het is een evident belang voor universiteiten dat die plekken door buitenlanders worden opgevuld: anders zouden takken van onderzoek krimpen of verdwijnen, en daarmee kennis.

Maar als dit belang tot landsbelang wordt verklaard, zijn er eerst kanttekeningen te maken. Ten eerste verdwijnen de meeste buitenlandse studenten ook. Opnieuw is onbekend hoeveel studenten en promovendi in Nederland blijven, en als ze blijven, voor hoe lang. Waar ze gaan werken als ze blijven: onbekend. ‘Precieze cijfers hebben we niet, maar de buitenlandse studenten komen hier over het algemeen voor de opleiding, niet om te blijven’, stelt Nuffic-onderzoeker Eric Richters.

Dan is een kwalificatie ‘landsbelang’ wel erg snel toegekend. Er zijn immers andere oplossingen mogelijk voor het probleem dan investeren in de opleiding van buitenlandse studenten. Het geld daar weghalen en gebruiken voor beurzen voor Nederlandse studenten of promovendi in het buitenland, bijvoorbeeld. Of studierichtingen die te weinig Nederlandse promovendi trekken laten fuseren met vakgroepen van andere universiteiten, in plaats van tien kleine vakgroepen sponsoren.

Hans Bennis, directeur van het Meertens Instituut van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, pleitte daar twee jaar geleden voor. ‘Provinciestadjes spelen metropool’, oordeelde hij over universiteiten die zich met ‘holle frases’ naar de internationale top willen praten, maar die niet werkelijk op grote schaal willen werken. Dat betekent namelijk samenwerking tussen universiteiten, die dan niet elk drie of vier, maar gezamenlijk vijftien of twintig promovendi kunnen samenbrengen om werkelijk dynamisch onderzoek te bedrijven. Dát zien universiteiten dan weer niet zitten, want dat ondergraaft hun imago en zelfbeeld als autonome instelling en kan tot lagere subsidies leiden. Maar als universiteiten ‘landsbelang’ vooropstellen, kan samenwerking een legitieme vraag zijn.

Even gemakkelijk redeneerde collegevoorzitter Jo Ritzen van de Universiteit Maastricht toe naar ‘landsbelang’: in de toekomst , stelde hij, hebben we te weinig 18- tot 24-jarigen om onze universiteiten te vullen en aan de vraag van de arbeidsmarkt te voldoen. Daarom moeten die jongeren uit het buitenland komen, anders zakt onze kenniseconomie in. Die redenering lijkt op het eerste gezicht heel logisch, maar bevat nogal wat onbewezen aannames. Bijvoorbeeld dat buitenlanders die hier studeren hier ook komen werken. En dat ze dan economische waarde toevoegen. Beide zaken liggen in werkelijkheid wat ingewikkelder.

Wat het werken betreft: in praktijk hebben het Nederlandse bedrijfsleven en de universiteiten nogal wat moeite om de ‘buitenlandse toppers’ te houden. ‘De buitenlandse promovendi zijn niet aan Nederland gebonden. Als ze klaar zijn, zullen ze teruggaan naar hun geboorteland of – en dat gebeurt vaker – naar de Verenigde Staten’, aldus toenmalig collegevoorzitter Frans van Vught van de Universiteit Twente in 2003. ‘Het wetenschappelijk kapitaal dat we hier hebben opgebouwd, verdwijnt op deze manier over de grenzen. Deze brain drain is zonde van de investering.’

Hetzelfde geldt voor bedrijven: dsm en Philips zouden wel graag willen dat de beste buitenlanders nergens anders aan de slag willen, in werkelijkheid houden deze studenten voortdurend hun ogen open voor mogelijkheden in andere westerse landen en hun thuisland. Opnieuw zijn er geen cijfers die kunnen vertellen hoeveel buitenlandse studenten voor hoe lang op welk niveau in de Nederlandse economie aan de slag gaan. Maar sommige cijfers suggereren genoeg, zoals over de archetypische buitenlandse studenten, de Chinezen. De Chinese economie en universiteiten werden de laatste jaren steeds hoogwaardiger, wat direct terug te zien is in een wereldwijde terugstroom van tienduizenden hoogopgeleide Chinezen naar hun thuisland. Het ‘aanbod’ van Chinese studenten in Nederland zakte spectaculair in: in 2003 vroegen nog 2566 Chinezen een Nederlands onderwijsvisum aan, in 2005 waren dat er amper meer dan de helft.

Ook het verband tussen hoogopgeleiden en welvaartscreatie ligt ingewikkelder dan op het eerste gezicht lijkt. Twee Eindhovense onderzoekers namen in 2005 in hun studie Gedreven door nieuwsgierigheid 28 afgeronde onderzoeksprojecten onder de loep die bij uitstek economisch gewin en maatschappelijk nut beloofden. Hun conclusie: de verwachtingen komen zelden uit, de weg van wetenschappelijk naar commercieel succes is lang en moeilijk te voorspellen.

Om een lang verhaal kort te maken: de link die universiteitsbestuurders en minister Van der Hoeven leggen tussen buitenlandse studenten en de toekomst van de Nederlandse welvaart is niet zo direct als zij in hun toespraken van vorige week deden geloven. Het werkelijke verhaal bekt minder goed.

‘Als je een directe link probeert te maken tussen economische groei en buitenlandse studenten kom je nergens’, zegt Nuffic-voorlichter Han van der Horst. ‘Voor het geld hoef je buitenlandse studenten niet hierheen te halen. Maar voor een dynamisch en hoogstaand klimaat in het Nederlands hoger onderwijs heb je een internationale oriëntatie nodig, een internationaal netwerk van onderzoekers en studenten. Alleen dan kunnen onze universiteiten internationaal aan de maat blijven. En dat is weer van belang voor onze economie. Wat in geld uitgedrukt de precieze baten en kosten zijn, weten we niet. Het gaat eerder over een fundamentele keuze: willen we investeren in een internationaal klimaat aan onze universiteiten of niet. Internationalisering maakt deel uit van kwaliteitsbeleid, en kwaliteitsbeleid kost altijd geld.’

Eigenlijk zou de boodschap aan de start van dit academisch jaar dus geweest moeten zijn: ‘Een academisch klimaat dat van de buitenwereld is afgesloten, wordt muf. Het opengooien ervan kost geld. Dat helpt in ieder geval onze universiteiten. De baten voor Nederland als geheel zijn wellicht positief op lange termijn, maar we weten het niet precies.’ Dat is een ingewikkeldere en ambivalentere boodschap dan de boodschap in de toespraken van vorige week. Maar het komt wel dichter bij de waarheid – en dat zouden universiteitsbestuurders toch boven alles moeten stellen.