Hoofdcommentaar: Veiligheidsraad

Het belang van de Veiligheidsraad

De oorlog in Irak is amper begonnen, maar in één opzicht heeft president Bush nu al verpletterend gelijk gekregen: de geloofwaardigheid van de Veiligheidsraad staat niet langer op het spel. De instantie wier geloofwaardigheid sinds twee weken op het spel staat, zowel in eigen land als in de rest van de wereld, is de regering van George W. Bush.

Het ontbreekt Operatie Iraakse Vrijheid aan een adequate strategie, aan de vereiste internationale en regionale steun en zelfs aan een overtuigende casus belli. Minister Rumsfeld ligt onder vuur van zijn eigen generaals omdat hij te weinig troepen zou hebben ingezet. Hij maakt zich er vanaf door te verklaren dat het aanvals plan is bedacht door opperbevelhebber Franks, maar dat neemt niet weg dat de jubelplaatjes van bevrijde Irakezen uitblijven. De enige volksopstand die hij met zijn shock and awe heeft uitgelokt, is een opstand van de Arabische publieke opinie. Dat de Amerikaanse soldaten op weg naar Bagdad elk huis en elke auto doorzoeken en desnoods kapotschieten, zal ook al geen warme gevoelens bij de Iraakse bevolking opwekken. Aan een verovering van Bagdad valt onder zulke omstandigheden niet te denken.

De militaire opmars vordert tenminste nog met horten en stoten, maar aan het politieke front zijn de terugtrekkende bewegingen begonnen. Begin vorige week verklaarde het Pentagon met stelligheid dat Saddam op tien plaatsen in West-Irak verboden wapens verborgen hield. Afgelopen zondag meldden gespecialiseerde Amerikaanse eenheden dat ze alle plekken hadden doorzocht zonder het verwachte resultaat. Ook een nabij Nasiryah aangetroffen «gifgasfabriek» bleek bij nader onderzoek geen spoor van verdachte stoffen te bevatten. Weliswaar ontdekken de invallers her en der beschermende pakken en gasmaskers, maar die bewijzen niet dat Irak verboden wapens bezit.

Zoals Rumsfeld in januari in een commissiehoorzitting toegaf, beschikken de Amerikanen zelf over zulke wapens in de vorm van zogenaamd niet-dodelijke strijdgassen. Het is begrijpelijk dat het Iraakse leger zich daarop heeft ingesteld. Rumsfeld heeft de vermoedelijke opslagplaatsen van verboden wapens nu «verschoven» naar Bagdad en Tikrit, steden die de Amerikanen naar verwachting het laatst van allemaal zullen innemen. «Het is interessant om te zien of de Amerikanen nu plekken gaan inspecteren waarover ze ons nooit hebben verteld», zei wapeninspecteur Hans Blix afgelopen weekeinde in een Duits tv-programma.

Maar de regering-Bush heeft een nog ernstiger pr-probleem. Zoals inspecteur Al Baradei in zijn laatste rapportage aan de Veiligheidsraad bekendmaakte, hebben de Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten geprobeerd het Internationaal Atoomagentschap om de tuin te leiden met valse documenten die moesten bewijzen dat Irak in 2000 uranium wilde kopen in Niger. Op één document stond een slecht nagemaakte handtekening van de president van Niger, een ander stuk stond op naam van een allang afgetreden minister. «Onze monden vielen open toen we ze in handen kregen, zo slecht waren ze vervalst», aldus een IAEA-functionaris. CIAmedewerkers verklaarden anoniem tegen The Washington Post dat ze van de vervalsing wisten, maar dat het Pentagon er ongegeneerd gebruik van bleef maken.

Is hier sprake van een nieuw Tonkin-incident, genoemd naar de in scène gezette aanval op een Amerikaans oorlogsschip in de Tonkinbaai die president Johnson in 1964 het excuus verschafte om Noord-Vietnam te bombarderen? De Russische regering hecht alvast geen geloof aan eventuele vondsten van verboden wapens. Minister Ivanov van Buitenlandse Zaken zegt niet uit te sluiten dat de Amerikanen, in het nauw gebracht door de internationale publieke opinie, met fictieve vondsten op de proppen komen. «Zelfs als ze aantonen dat ze massavernietigingswapens in Irak hebben aangetroffen, kan het definitieve oordeel over de herkomst ervan alleen worden gegeven door internationale inspecteurs in overeenstemming met de resoluties van de Veiligheidsraad», aldus Ivanov.

De vasthoudendheid waarmee de Russen, Fransen, Duitsers en talloze andere lidstaten op een rol voor de Verenigde Naties in het Iraakse drama blijven aandringen, is geen zwaktebod van diplomatieke verliezers die achter de feiten aanlopen. Ze lopen eerder op de feiten vooruit. De Veiligheidsraad mag dan in de ogen van de Amerikaanse president een «inefficiënte, irrelevante praatclub» zijn, in de ogen van een groot deel van de mondiale publieke opinie, inclusief de Amerikaanse, is het aanzien van de raad alleen maar gestegen door zijn consequente verzet tegen de Amerikaans-Britse oorlogsresolutie.

Washingtons schoorvoetende erkenning dat de VN «een grote rol dienen te spelen in een democratisch Irak» (Colin Powell) is een understatement van de eerste orde. De VN zijn nu al onontbeerlijk, al is het maar om tegemoet te komen aan de Iraakse humanitaire crisis waarop de plannenmakers in het Pentagon onvoorbereid lijken te zijn. En naarmate de invasie verder vastloopt in een militaire en diplomatieke patstelling, hebben de Amerikanen en Britten de VN harder nodig.

Gezien de arrogantie waarmee ze vriend en vijand in de raad de laatste maanden hebben gekleineerd, moeten ze zich voorbereiden op een vernederende terugkeer naar die gehate ronde tafel in New York. Met daaraan wellicht Hans Blix, die zal verklaren dat de Amerikanen weliswaar geen bewijs hebben geleverd voor het Iraakse bezit van verboden wapens, maar dat ze «bemoedigende vorderingen» maken.