Het beloofde land kwaliteitseisen

In de jaren zeventig, het hoopvolle decennium, was ik links en mijn leven speelde zich grotendeels buiten de deur af. Partijvergaderingen van de PSP, demonstraties voor de vrede en vrije abortus en luidruchtige feestjes bij vrienden thuis.

Bijna iedereen in mijn omgeving woonde in bovenhuizen, waar een allegaartje aan meubels stond, waar het behang stuk gekrabd was door de poezen en waar het balkon vol stond met lege flessen. Niemand was geneigd zich druk te maken over de inrichting van zijn kamers of over zijn aangekoekte fornuis. Je sprak daar niet over. Het waren je opvattingen die telden en die de kwaliteit van je leven bepaalden. Natuurlijk voelde je je niet thuis in de wereld, gedomineerd door hebzucht en winstbejag, maar aangezien dat spoedig veranderd zou worden door ons, was er geen aanleiding tot wezenlijke verontrusting. We waren jong en vitaal; de wereld zou zich vanzelfsprekend aan ons aanpassen. Wij hadden per definitie gelijk. Wat overheerste was de gedachte dat je invloed kon uitoefenen op de gebeurtenissen. Het persoonlijke was politiek geworden, een rechtvaardiger samenleving leidde tot controle over het eigen lot, het scala aan keuzemogelijkheden leek oneindig. Je wond je op over misstanden, maar het uitgangspunt was het geloof in de goede afloop.
We hadden geen vertrouwen in het verleden, maar des te meer in de toekomst. Het gevolg van deze levenshouding was dat er een grote belangstelling was voor experimenten. Kunstwerken moesten vernieuwend zijn, ideeën controversieel en relaties onconventioneel. Criterium voor dit alles was niet zozeer de kwaliteit alswel het progressieve karakter.
Nu, bijna twintig jaar later, zijn we niet langer meer zo van overtuigd van de invloed die we kunnen uitoefenen op politieke of persoonlijke gebeurtenissen. Ze gaan hun eigen gang, zo lijkt het, de dingen gaan altijd anders dan je denkt en problemen die je oplost hebben de onaangename neiging om in een andere vorm weer op te duiken. Onze invloed is aanwezig, zeker, maar lang niet zo allesoverheersend als we dachten.
Gevolg hiervan is de toenemende neiging om te vertrouwen op eerdere ervaringen. Het verleden rukt op nu de toekomst onbeheersbaar lijkt te zijn geworden. De bewezen kwaliteit van iets lijkt de geruststelling te bieden die we kennelijk opnieuw nodig hebben. Huizen zijn weer opgeruimd en schoon. Antiekmarkten en -veilingen floreren en de kwaliteitswijnen flonkeren in de kristallen glazen. Tuinarchitecten worden ingehuurd om droomtuinen te verwezenlijken en de kunststof tuinmeubeltjes van Blokker worden vroeg of laat vervangen door tweedehands Franse gietijzeren stoeltjes of, voor wie het geld heeft, peperdure teakhouten tuintafels. Het bord spaghetti is vervangen door het viergangen diner, de oude badkuip verjaagd door het victoriaanse bad op pootjes. Toneelgezelschappen trekken volle zalen met Shakespeare, Sophocles, Beckett of Pinter. Toneelschrijvers waarvan de kwaliteit onomstotelijk vaststaat en die hooguit commentaar op de regie kunnen oproepen. Oude films van Fellini of Godard zijn al jaren in de mode en uitgevers bestoken de markt met kostbare herziene uitgaven van Plato’s volledige werken of het oeuvre van Freud.
De rek is er eventjes uit. Het grote publiek heeft blijkbaar behoefte aan de veiligheid van de klassieken. Namen van onbetwiste reputatie; theorieën door de jaren beproefd op hun deugdelijkheid. Alsof het experiment alleen maar iets is wat kan tegenvallen. Alsof men het risico niet meer wil aangaan. Liever de veiligheid van het bekende dan het nieuwe wat uitdaagt en om een reactie vraagt. Opvattingen en meningen, we wantrouwen ze een beetje en zijn geneigd ze als iets triviaals te beschouwen. Aan onbewezen stellingen en opstandige ideeën hebben we geen behoefte. Je kunt er je vingers aan branden.