Het beogen afleren

In Een springende fontein, de recente, autobiografische Bildungsroman van Martin Walser, is er continu een wereld in wording. We zien Johann opgroeien van klein kind tot jonge volwassene en onderwijl, in iedere fase, zien we hem naar woorden zoeken die aan het pasklare ontsnappen. Alles wat we lezen is gefilterd door zijn tot euforie neigende verstand. In de allerlaatste regel noemt hij het verschijnsel ‘taal’ een springende fontein, wat een beeld is vol beweging en belofte. Het dekt dit boek perfect. Niet alleen Johann is constant in beweging, zijn taal is dat eveneens. De Nederlandse vertaalster verdient lof. Ook bij haar bruisen en glinsteren de observaties, bespiegelingen en onder woorden gebrachte emoties, die overigens volmaakt zijn verwerkt in het meeslepende verhaal.

Walsers lucide complexiteit herinnert aan die van Thomas Mann in De Toverberg (1924). Het verschil zit ’m voornamelijk in het perspectief. Bij Mann is de neerwaartse lijn onafwendbaar, bij Walser is de Werdegang van de jeugdige hoofdpersoon aan het eind niet voltooid. Johann zal na de beschreven periode, van begin jaren dertig tot vlak na de Tweede Wereldoorlog, onstuitbaar doorgaan met leven en beleven. Een springende fontein is een getuigenis van tastende, maar gretige levenslust. De aansporing ‘kom’ keert herhaaldelijk terug.
Het chronologisch opgebouwde drieluik speelt grotendeels in een dorp aan het Bodenmeer. Johanns vader en moeder houden daar moeizaam een hotel op poten. De concurrentie is groot en het is duidelijk dat er een crisis gaande is. Via Johanns belevenissen krijgt een tijdsbeeld gestalte. Zijn taalgevoeligheid wordt gevoed door zijn vader, met wie hij werkt aan een verzameling memorabele, als kleinodiën te koesteren woorden. Het zijn roerige tijden, iedere dag laat verschuivingen zien, met fascisme en nazisme als bepalender factoren. Vader moet er niets van hebben, moeder ziet het energieke, oprukkende Sieg Heil wel zitten. Er wordt iemand in elkaar geslagen. Angst voor het vreemde en exotische slaat om in daadkracht.
De delen twee en drie zinderen ook van verlangen naar lichamelijke liefde. Na een eerste masturbatie bedenkt Johann een woord voor zijn geslachtsdeel dat het zicht openlaat op het mystieke en geheimzinnige van wat hij heeft ervaren. Hij wil zich niet laten knechten door pasklare taal.
'Het beogen afleren’, zal hij zich als jonge volwassene nog eens expliciet voornemen. Je aan de taal overgeven door deze telkens weer uit te vinden, zonder de fluctuaties in je en om je heen te negeren.
Er is Walser verweten dat Auschwitz ontbreekt in dit boek, maar zowel in de details als in de zuigende ontwikkelingen gloort het drama als gevolg van fanatisme en dienstbaar denken. Als zijn broer is gesneuveld wil Johann officier worden, maar hij weigert sneeuw op bevel van een hogergeplaatste zwart te noemen, wat hem zijn carrière kost. Had Walser van Johann een schurk of een held moeten maken? Dit boek is niet politiek-correct maar het heeft zijn intrinsieke gelijk.
Half Duitsland viel over Walser heen toen hij er in een rede voor pleitte de Tweede Wereldoorlog niet langer als eeuwig ijkpunt voor zo ongeveer alles in Duitsland te gebruiken. Je moet veel moeite doen om dat verkeerd te begrijpen. Wat Walser ons, ook in Een springende fontein, voorhoudt is het belang van creativiteit gekoppeld aan doorvoelde redelijkheid.