Het berouw der krakers

‘De stad was van ons’, gelanceerd op het jongste documentairefestival en binnenkort in bioscoop en op tv, maakte heftige reacties los, vooral onder ex-krakers. ‘Karaktermoord’ en ‘geschiedvervalsing’ noemt een van hen, Rens Broekhuis, de film van Joost Seelen. Op deze pagina’s zijn argumenten.
EINDELIJK IS ER een filmdocumentaire over de geschiedenis van de Amsterdamse kraakbeweging, een geschiedenis die nog nauwelijks is verteld. Op een enkele autobiografische roman en een herdenkingsboek na is de roemruchte geschiedenis van een voor Amsterdam zo belangrijke beweging in een historische mist verdwenen.

Documentairemaker Joost Seelen, ondersteund door de archivaris van de kraakbeweging Eric Duivenvoorden, is de uitdaging aangegaan en heeft een film geproduceerd onder de titel De stad was van ons.
Al wat bijgepraat door de makers verwachtte ik een film over het langzame ontstaan van de kraakbeweging, over het heroïsche hoogtepunt in 1980 rond de Groote Keijser, en over de twee moeizame jaren vol rellen en twisten erna, waarin echter ook veel van de gestelde doelen werden bereikt. Helaas, dat blijkt niet het verhaal te zijn dat Joost Seelen wil vertellen.
Rode draad in zijn geschiedschrijving is het conflict, niet zozeer dat met de buitenwereld - ofschoon de gevechten met de politie ruimschoots aan bod komen - maar het conflict tussen krakers onderling. De film toont een kraakbeweging die van meet af aan door onderlinge ruzies is verdeeld en daar ten slotte aan ten onder gaat.
Hoofdrolspeler in de conflicten is Theo van der Giessen, de man die vanaf 1978 langzaam komt bovendrijven als de ongekroonde koning van krakersland en bij vrijwel alle in de film getoonde gebeurtenissen de boventoon voert. Naarmate de film vordert, ontstaat het beeld dat Theo van der Giessen de kwade genius is, de man die met zijn verbeten en radicale politieke houding de beweging om zeep heeft geholpen.
Merkwaardigerwijs laat Joost Seelen de kraakbeweging beginnen in 1978. Het had net zo goed - of beter - eind jaren zestig kunnen zijn, toen als protest tegen de woningnood de eerste georganiseerde kraakacties door Provo’s en Kabouters plaatsvonden. Of 1974-75, toen er grootschalige kraakacties in de Nieuwmarktbuurt plaatsvonden, uit verzet tegen de metroplannen. Maar Joost Seelen koos 1978 als beginpunt, en dan is er zomaar ineens een massale kraakbeweging, zonder voorgeschiedenis, zonder reden en zonder doel. Waar het de krakers om ging, blijft in het ongewisse. Dat de woningnood al jaren een immens probleem was, wordt niet verteld, en ook niet dat de politiek haar belofte dat iedereen boven de achttien recht had op een woning, nimmer had ingelost. Dat er in die periode van schrijnende woningnood duizenden sloop- en speculatiepanden leegstonden en dat het bijna vanzelfsprekend was om je recht in eigen hand te nemen, blijft geheim voor de kijker die van niets weet.
Wie de geschiedenis van de kraakbeweging wil schrijven, moet de interne conflicten willen begrijpen, en juist daarvoor is die voorgeschiedenis belangrijk, en de talrijke motieven van jongeren om te gaan kraken: hun verzet tegen de dufheid in de samenleving, hun verlangen naar vrijplaatsen voor hun eigen cultuur, hun behoefte aan het combineren van wonen en werken, en hun wens om in woongroepen samen te leven. Je zou moeten luisteren naar punk en reggae, al was het maar omdat dat het muzikale behang van de beweging vormde, en willen weten waarom krakers zich afzetten tegen de welvaartssamenleving.
Wie zich verdiept in de verschillende motieven, doelen en eisen van de krakers, ontdekt dat er een enorme diversiteit onder hen bestond. Uiteindelijk was er maar één ding dat al die verschillende mensen bond: de illegaliteit van hun woonsituatie en de daaruit voortvloeiende solidariteit bij het verdedigen van de panden. Als er een knokploeg opdook of de politie dreigde met ontruiming, kwam iedere kraker die er de gelegenheid toe had opdraven om de ontruiming tegen te gaan. De wijze waarop dat moest gebeuren, stond altijd ter discussie; de meesten stonden geweldloos verzet voor, maar soms vielen er rake klappen.
SEELEN HEEFT geen oog voor die achtergronden. Daarom blijft in zijn film ook onduidelijk waarom in de hectische dagen van de herfst van 1979 juist de Groote Keijser hèt symbool van de onvrede werd. Voor het eerst was er brede consensus over de doelen: het oplossen van de woningnood, het vorderen van gekraakte panden, het bestrijden van speculatie. En voor het eerst werd er helder gezegd dat een pand niet klakkeloos ontruimd kon worden. Dat dat geen loze woorden waren, bleek alras: geen pand in Amsterdam werd zo zwaar gebarricadeerd als dit complex.
De discussie over de vraag welke middelen toelaatbaar waren ter verdediging van een kraakpand bleef constant doorgaan, maar werd een tijdlang overschaduwd door de massale steun die nationaal en internationaal aan de krakers van de Groote Keijser werd gegeven. Uit alle maatschappelijke geledingen stonden mensen op de ‘alarmlijst’, solidariteitstelegrammen uit de hele wereld stroomden de Groote Keijser binnen, en duizenden mensen demonstreerden. Vertegenwoordigers van de Amsterdamse kraakbeweging trokken naar Berlijn, Parijs, Londen, Zürich, Barcelona en Bologna om hun verhaal te vertellen. De internationale pers stroomde toe en vroeg zich vol verbazing af wat er in dat kalme Nederland aan de hand was.
De Groote Keijser vormde niet alleen een hoogtepunt van de kraakbeweging, maar ook een breuk met de duffe jaren zeventig. Het pandencomplex groeide uit tot het symbool van een verloren generatie, een generatie die in die prachtige welvaartssamenleving zonder idealen was opgegroeid. Politie, justitie, burgemeester en wethouders waren door de ontwikkelingen volkomen overrompeld en reageerden in volstrekte paniek. De Groote Keijser was niet alleen een zeer krachtig politiek symbool, de Groote Keijser was overal.
Maar dat realiseert Seelen zich allemaal niet. Voor hem is de Groote Keijser de plek waar de eerste onderlinge vechtpartijen tussen krakers plaatsvonden en waar de tegenstelling die hij zo graag benadrukt, zichtbaar werd: de tegenstelling tussen radicale gekken en gematigde krakers.
Op het hoogtepunt van de vooral verbale strijd rond de Groote Keijser werd in maart 1980 de Vondelstraat herkraakt en de wijde omgeving van het pand gebarricadeerd. Dat was in het naoorlogse Nederland nog nooit voorgekomen. Het snelle, gewelddadige ingrijpen dat volgde, met tanks en pantservoertuigen, vormde in feite de prelude op de ondergang van de kraakbeweging. Toen werd de kloof over de vraag hoe hard men zich tegen het geweld van de overheid moest verzetten, steeds beter zichtbaar. Een kloof die ronduit gapend werd na de hevigste rellen die Nederland ooit heeft gekend: die van 30 april 1980, kroningsdag. Diverse groepen krakers distantieerden zich vervolgens nadrukkelijk van de gewelddadigheden. In naam heeft de grootstedelijke kraakbeweging toen nog twee jaar bestaan. De extreem gewelddadige ontruiming van de Lucky Luijck in 1982 betekende het definitieve einde.
DE GEWELDSDISCUSSIE was concreet, al te concreet geworden. Vrijwel iedere kraker wist nu wat voor een frustrerende ervaring het was om je tegen de overheid te verzetten en daarbij klappen op te lopen. Die traumatische ervaring vormde de aanleiding voor ellenlange emotionele discussies. De verwijten vlogen over en weer. De discussies over geweld - die soms ontaarden in onderling geweld - namen de plaats in van het debat over de doelen van de beweging. Steeds meer krakers waren het beu.
Een tweede reden waarom velen de schoffel in het zand staken, was dat een groot deel van de verlangens werd gehonoreerd. De woningnood was hoog op de politieke agenda gekomen. De gemeente kocht in razend tempo honderden speculatiepanden aan tegen lage prijzen, want door de kraakstrijd was de huizenmarkt ingestort. In enkele jaren tijd werden duizenden huurwoningen van particulieren aangekocht of onteigend en in beheer gegeven van woningbouwcorporaties die een gematigd huurbeleid voerden. En eindelijk werd er wat gedaan aan jongerenhuisvesting. De kraakperiode luidde het einde in van het grootstedelijke denken, er was plaats voor behoud en herstel van oude woningen, en de combinatie van wonen en werken en het wonen in een woongroep werden vanzelfsprekende mogelijkheden.
In een paar jaar tijd was de stad van gedaante veranderd. In tegenstelling tot wat Seelen in zijn titel suggereert, was de stad niet van ons, de krakers; hij was van iedereen, want iedere burger profiteerde van het resultaat.
ZO ZOU JE volgens mij de geschiedenis van de kraakbeweging moeten vertellen. Maar kennelijk niet volgens Joost Seelen. Hij is volledig gefixeerd op het onderlinge geweld tussen krakers. Zijn geschiedenis is die van de conflicten tussen de hardliners, die koste wat het kost hun gelijk willen halen, en de redelijken, die zich pas op het einde van de film verdedigen tegen de brute machtspolitiek van de doorgeslagen machiavellisten in de beweging. Bij Seelen staat elk conflict op zichzelf, de kijker begrijpt niets van de motieven of frustraties van de krakers. In zijn film ontbreekt alle heroïek die vrijwel iedereen had bevangen ten tijde van de Groote Keijser en de Vondelstraat, en hij ontkent de grote teleurstelling toen de realiteit de gekoesterde illusies inhaalde. In tegenstelling tot wat Seelen wil zeggen, was het niet de interne tegenstelling die de ondergang teweegbracht, maar de keiharde repressie door politie en BVD, in combinatie met het inwilligen van een deel van de eisen - de klassieke tweeeenheid waarmee in Nederland politieke conflicten worden opgelost.
Dat Seelen ons niet de geschiedenis van de kraakbeweging vertelt, wordt duidelijk uit het slot van de film. Niet de kroningsrellen en de Lucky Luijck markeren voor hem het einde van de beweging, maar de knallende ruzie jaren na dato, in 1988, tussen Theo van der Giessen en een handvol tegenstanders. Het lijkt in die ruzie allang niet meer om idealen te gaan, maar om pure macht, en om die macht te krijgen, worden door Theo en zijn compaan Jack de meest onfrisse methoden gebruikt.
Alles wat tot dan toe gebeurd was, blijkt ineens de voorafschaduwing te zijn van deze dramatische ontknoping: Theo van der Giessen en zijn maatjes zijn dolgedraaide radicale en intolerante mafketels die in hun blinde hang naar macht vrienden in elkaar slaan. In plaats van een tragische held die een enorme bijdrage heeft geleverd aan de kraakstrijd en de teloorgang niet kon verdragen, maakt Seelen van Theo van der Giessen een pathologische machtswellusteling die verantwoordelijk is voor de ondergang van de kraakbeweging .
DE FILM ONTLEENT zijn authenticiteit aan de deelname van zo'n 25 ex-krakers. Maar ik vind het vooral de film van Joost Seelen. In de film krijgt vrijwel niemand een behoorlijke kans een analyse te geven. Evenmin horen we iets uit de hoek van de politiek, de politie, de journalistiek of de advocatuur, toch niet de minst betrokkenen bij de toenmalige stadsoorlog. In de Volkskrant verweert Seelen zich tegen het verwijt dat hij de geschiedenis van de kraakbeweging slecht vertelt met het argument dat hij die als bekend veronderstelt. Maar ik heb de indruk dat voor Seelen iets heel anders een doorslaggevende rol speelt, namelijk het omzien in wrok, het afstand nemen van de vroeger gekoesterde idealen. Daarmee past de film in de huidige tendens om berouwvol terug te blikken op het eigen links-radicale verleden, een tendens die begon toen de voorhoede van de communistische partij na de val van de Muur om het hardst riep dat ze het allemaal niet zo bedoeld had.
Ik zie de film als een poging tot karaktermoord op Theo van der Giessen en een ernstige vorm van geschiedvervalsing. Het is een film die meer vertelt over de huidige zelfgenoegzaamheid van wild geworden kleinburgers dan over tien jaar woonstrijd. Het is jammer dat juist in deze tijd, waarin de huren in vier jaar tijd met 25 tot 30 procent zijn gestegen, de prijzen voor koopwoningen de pan uit rijzen en het armoedeprobleem alleen maar op de politieke agenda komt als een bisschop iets roept, een eendimensionaal denkende filmmaker als Joost Seelen de geschiedenis van de kraakbeweging documenteert. Het wachten blijft op de documentairemaker met een oprechte belangstelling voor opkomst en ondergang van de kraakbeweging en met een gevoelig oog voor alle persoonlijke tragiek die daarbij hoort.