Peter Sloterdijk, Het bestaan is een schandaal

Het bestaan is een schandaal

Peter Sloterdijk
Im Weltinnenraums des Kapitals
Suhrkamp, 415 blz., e 24,50

Alain Finkielkraut, Peter Sloterdijk
De hartslag van de wereld
Vertaald door Walter van der Star
SUN, 191 blz., e 19,50

Het bestaan is een schandaal, maar er heerst een «zeer verfrissende sfeer van ontgoocheling» in het hier en nu. Peter Sloterdijk, de nietzscheaanse Diogenes van deze tijd, is nooit te beroerd om een mening verrassend monter te verwoorden. In zijn geboekstaafde dialoog met Alain Finkielkraut (De hartslag van de wereld), een verademend beschaafd ge sprek tussen twee mediafenomenen, heeft Sloterdijk het meteen al over een museum van misvattingen, over een cursus in deceptie en over een leergang in teleurstellingen na 1968: het betweterig neomarxisme aan de universiteiten dat zichzelf later de antihumanistische dogmatiek al te gemakkelijk vergaf; de psy choanalyse van de jaren ze ventig die bank roet is; het oosters denken waarvan Sloterdijk, die zichzelf nu nauwelijks ironisch puur westers en zelfs «Amerikaan» noemt, afstand nam. Daarvoor in de plaats mag geen nieuw illusionisme komen, waarschuwt de Duitse filosoof. De enige remedie voor de wijsgeer die de grote verhalen niet schuwt en die de vraag «wie zijn we en wat hebben we te doen?» serieus neemt is Bildung: «Ik wilde oud worden. Ik wilde stokoud worden.»
Drieduizend jaar Europese geschiedenis heeft Sloterdijk, die bescheiden hoogmoed niet schuwt, daarom be schouwd in zijn trilogie Sferen. De kernvraag van zijn magnum opus luidt: waar zijn we als we in de wereld zijn? Dankzij krachtige metaforen als bel, bol, kogel, globe en schuim weet Sloterdijk een veelomvattende filosofische vertelling te presenteren die iets fundamenteels zegt over de menselijke woon- en leefsferen. Noem Sferen een alternatief genesisverhaal waarin de ruimte, «ademruimte» die de mens bepaalt, centraal staat.
Verfrissend in Sferen is niet alleen de welhaast romaneske poging om de halfvergeten (Europese) geschiedenis vanaf de Grieken weer helemaal opnieuw te vertellen maar ook de positie van waaruit Sloterdijk vertelt: vanuit een observatiepost boven de partijen. Zowel radicaal links (Habermas) als de loodzware conservatieven (Gehlen) krijgen zware kritiek te verduren. Lichtheid, subversiviteit en mobiliteit wil Sloterdijk, maar niet het neutralisme van het Rode Kruis. Kunstenaars (Dostojevski en Melville figureren als zodanig in Im Weltinnenraum des Kapitals) kunnen nog de «stadhouders van mogelijkheidszin» zijn en buiten twee strijdende partijen om een derde werkelijkheid scheppen.
De publieke ruimte, constateert Slo ter dijk zeer terecht, is een mediacircus of een Romeinse arena geworden waarin de debatterende intellectuelen veranderen in gladiatoren en potsen makers. Het openbare debat is al te vaak een aaneenschakeling van opgeklopte schandalen. Als de praktijk van het las teren in het openbare debat uitgroeit tot een mediale massapsychose, een pa ra noïde theater van geestelijke wreedheid of zelfs vervolging en (karakter-) moord, wordt democratie – die niet zonder open debat kan – een leeg begrip en heersen de handelaars in hype, hysterie en angst. De publieke opinie is veranderd in een beurs. Met een knipoog naar Walter Benjamin en naar zijn eigen prikkelende rede over eugenetica Regels voor het mensenpark (2000) zegt Sloterdijk uitgerekend te gen Finkielkraut: «Wie vandaag de dag meningen publiceert, verhandelt aandelen, aandelen in meningen. De publicatie van een hypothese die tot een schandaal leidt is het publicitaire equivalent van de beursgang van een nieuw schandaal. Als het aangesneden thema van enige waarde is, dan zijn de collega’s gedwongen te kopen.» Om de partijdige oogkleppen niet te hoeven dragen en geen slaaf van onderworpen taal te worden is het zaak te streven naar een «sterke neutraliteit van de theorie», want men verlangt naar «een ethiek van niet-strijders die het slagveld kunnen overzien». In navolging van Thomas Manns nog immer actuele Achtung Europa: Aufsätze zur Zeit (1938) pleit Sloterdijk voor een militant humanisme.
De Oude Wereld wordt door twee soorten vergeten bedreigd: het vergeten van de vijand dankzij ons tolerante humanisme vol twijfel, en het vergeten van ons humanisme door onze doorgeschoten argwaan. En deze paranoia is de Leviathan van onze tijd die de vrije discussieruimte opslokt. Is het verlangen naar de catastrofe of de Apocalyps niet «onze innerlijke islam»? vraagt hij zich af, even vergetend dat hij niet midden in de onbeschaafde arena van het verhitte debat wil staan en geen prikkelende (meningen)aandelen wil verkopen.
Wie zich tegenwoordig niet luid en duidelijk laat horen in de arena bestaat niet meer. De markt maakt meedogenloos. En toch: beschavende waarden zoals wellevendheid, respect voor de tegenstander en goede intellectuele om gangsvormen zijn de beste remedie tegen het machteloze ressentiment van «de zelfmoordaanslag van de levende bom». Het gaat de strijdbare humanist uiteindelijk ook om de verantwoordelijkheid voor de vijand. Maar Sloterdijk kan het als nietzscheaan soms niet laten een metaforisch-paranoïde toon aan te slaan tegen Finkielkraut: «On danks de weinige restjes beschaving waarover we nog beschikken, heeft de geest van de slachting ons in de greep. Ons terrorisme besluipt ons op kousevoeten.» Wie, zoals Sloterdijk, zijn polemische geest en subversieve neigingen af en toe slecht in bedwang houdt, moet niet vreemd opkijken als de eigen beleden voorkeur voor discretie en rust in het filosofische debat op licht ongeloof stuit.
Geschiedenis is de gesmolten sneeuw van gisteren. De filosoof die in de inleiding van zijn boek Im Weltinnenraum des Kapitals een pleidooi houdt voor het vertellen van grote verhalen, omdat juist die een theorie van de globalisering kunnen schragen, zet zich tegelijkertijd schrap tegen het besmettelijke vergeten. Want de globalisering waar over Sloterdijk spreekt is minstens drieduizend jaar oud en heeft zijn wortels in de antieke wereld. Dit inzicht vormt de achtergrond van Sloterdijks uitroep dat hij stokoud wil worden. Terug naar Troje! Hij droomt, onthult hij aan het einde van De hartslag van de wereld, van een nieuwe Grote Vertelling waarin Aeneas zijn vader weer op zijn rug mee torst en naar Europa vertrekt, het oord waar wij nog steeds naartoe vluchten.
In de eerste fase van de globalisering, legt Sloterdijk in De binnenwereld van het kapitaal uit, onderscheidden de Griekse kosmologen nog een boven (hemel) en een beneden (aarde) om hun leven zin te geven. «Wat is er van een oord te bevatten waar het de helft van de tijd nacht is en alles wat leeft de dood en het verval voor zich heeft?» Het tweede stadium van de globalisering begint in 1492 met de westwaartse zeezoektocht van Columbus naar Indië en de toevallige ontdekking van Amerika: de Nieuwe Wereld. Deze aardse globalisering declasseert de hemel. Het is het tijdperk van «Europese expansie», van de zeevaarders, ontdekkingsreizigers en fortuinzoekers, van veroverings tochten, missie en zending, roof, moord en winstgevend kolonialisme, wel of niet met een pseudo-ethisch randje. Het is ook de opkomst van de Amerikaanse Droom van de democratie en de avontuurlijk-ondernemende pursuit of happiness.
De dekolonisatie na 1945 en de hegemonie van Amerika als politieman van de aarde luidt de derde globaliseringsgolf in: de elektronische. Het wereldwijde web van communicatie (fax, internet, e-mail, et cetera) en snelle, on zichtbare kapitaalstromen maakt de wereld ogenschijnlijk kleiner. De ruimte waarin de mensen leven lijkt ingedikt. Het beeld dat Sloterdijk in Im Welt innenraum des Kapitals gebruikt voor de aarde als global village (de globe is ook lokaal: glocal) is het Crystal Palace, in 1851 als onderdeel van de Londense Wereldtentoonstelling gebouwd. In navolging van Dostojevksi in zijn Herinneringen uit het ondergrondse (1864) ziet Sloterdijk in dit glazen gebouw een planeetgroot paleis van consumptie, koop kracht, luxe en verwenning. Het is een monstrueus bouwwerk van kannibalistische aard, een broeikas van de ontspanning die alles van buiten naar binnen zuigt, een cult-container waarin men de westerse demonen hulde brengt, een horizontaal Babylon, een moderne en kapitalistische Baal. Dos to jevski’s schizofrene en delirische hoofdfiguur in Herinneringen uit het ondergrondse is bang voor dat onverwoestbare kristallen paleis omdat hij er nooit stiekem zijn vuist tegen kan opheffen, «omdat men er zelfs niet in het geheim zijn tong tegen kan uitsteken».
De grote totalisator is het geld, dat na (diepte)investeringen steeds terugkeert naar zijn oorsprong (revenuen). Maar geld betekent veel meer dan klinkende munt of stromend kapitaal. Het is ook een gezaghebbende beroemdheid in de culturele ruimte of op de beurs van het debat. Sloterdijk formuleert het als vanouds beeldend en treffend: «De hoofdzaak van de nieuwe tijd is niet dat de aarde om de zon draait maar dat het geld om de aarde draait.» Alles draait om het profijt dat de aarde biedt, zoals Thomas Jefferson het omschreef. En Melville formuleerde in Moby-Dick (1851) dat de wet altijd en overal om bezit handelt.
Finkielkraut zegt het heel eenvoudig in De hartslag van de wereld: de globalisering is «een permanente wereld tentoonstelling, een wereldomvattende supermarkt van goederen, diensten en eettradities, maar ook van godsdiensten, wijsheden, culturen en politieke opvattingen. Er is geen buiten meer. Toch voelt elke televisiekijker zich daarin thuis, als lid van een grote familie.» Valse romantiek? Sloterdijk spreekt Finkielkraut niet tegen. Hij, die zichzelf graag ziet als een vleesgeworden parlement waaruit vele meningen opklinken, beschouwt de globalisering als een millennia oud fenomeen. Wie het over globalisering heeft, kan het net zo goed over noodlot hebben. Het huidige antiglobalisme ziet hij niet als een effectieve protestbeweging (waartegen dan precies?) maar als een bewijs van de onwrikbare nieuwe status-quo: «Glo balisering is een met protest begeleide ontwikkeling. Het protest tegen die globalisering is ook die globalisering zelf.»
En het terrorisme dat het glazen paleis van het westers consumentisme – het wereldwijde WTC – te vuur en te zwaard wil bestrijden? Omdat het de geest van de massa’s doordringt zonder op noemenswaardige tegenstand te stuiten, verzekert het terrorisme zich van een belangrijke plek op «de wereldmarkt van de thematische opwinding». Maar deze heilige oorlog voor een middeleeuwse godsstaat is geen politiek project maar een «viriel gebaar om de eer van het offensief te verdedigen». In de kern is het een bewapend minderwaardigheidscomplex.
Al-Qaeda is een «nevelwolk», een opeenhoping van haat, werkloosheid en korancitaten. De aan overdrijving en karikaturen verslaafde media scheppen een «zorg vuldig onderhouden angstklimaat» en blazen Osama’s onzichtbare recruten op tot een nieuwe orde islamfascisten. Om een prikkelende vraag te stellen en tegelijkertijd een dilemma te formuleren: wilt u, westerse mens, de totale veiligheid of de onbegrensde vrijheid?
Deze Sloterdijk, die vanuit zijn filo sofische observatiepost het terrorisme nuchter wil bezien, is een verademing in vergelijking met de opgewonden standjes die het debat (in Nederland) de laatste tijd domineren. Zijn pleidooi voor Bildung en voor beter onderwijs; zijn waarschuwingen tegen de internetgebruikers die vele toegangstechnieken kennen maar die intellectueel on dervoed zijn; zijn kritiek op de media als handelaars in hypes; zijn verlangen naar creolisering van de samenleving om het racisme en de etnische hokjesgeest voorgoed uit te schakelen; zijn «Amerikaanse» kritiek tegen escapisme, narcisme en vals optimisme die de werkelijkheid vertekenen («de demo cratisering van de luxe en van de illusies is de belangrijkste paradox van onze tijd» – De hartslag van de wereld); dat maakt deze Duitse filosoof uit een generatie zonder vaders een zelfstandige denker die zijns ondanks als een geweten fungeert.
Maar wat is er met datzelfde geweten, die «nationale vergadering van demonen in het bewustzijn», aan de hand? Het werkt niet meer in het moderne Europa waar de maatschappelijke verliezers naartoe vluchten: wij zijn nu hier omdat jullie toen daar wa ren. «En die toestand wordt weerspiegeld in de werkelijkheid op scholen en in achterstandswijken, door de op komst van mensen die werkelijk niet ingeburgerd zijn en van een islamitische wereld die zich tegen onze psychologie verzet.»
Wat is dit? Sloterdijkiaanse olie op het vuur? Een grove generalisering waarin het al te simpele «wij» en «zij» doorschemert? Wie Sloterdijk helemaal leest – en geïrriteerd merkt dat de eerste helft van zijn «nieuwe» boek Im Weltinnenraum des Kapitals al Sphären II Globen (1999) afsloot – weet dat hij altijd een ongrijpbare Diogenes zal blijven, die dan wel niet in een ton woont, maar wel in De hartslag van de wereld enigszins koket het theoretisch verlangen koestert in een caravan of een mobiel huis te wonen om van daaruit de aarde, die «blauwe kogel met de savannegele vlekken», te kunnen beschouwen.