Het feest van Saturnus

Het beste gedicht ooit

Piet Gerbrandy
Het feest van Saturnus: De literatuur van het heidense Rome
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 533 blz., € 29,95

Omdat het in januari van dit jaar gestarte weekblad Opinio precies doet wat de titel aangeeft en dus louter opinies ventileert, en je de conservatieve meningen van de vaste medewerkers al snel kent, gebeurde het nogal eens dat ik vergat het blad uit het cellofaan te halen. Van eind april tot begin augustus veranderde dat, omdat het blad toen een briefwisseling tussen Andreas Kinneging en Piet Gerbrandy publiceerde. Nu kan ik de opinies van Kinneging over ongeacht welk onderwerp van te voren uitschrijven, maar het zijn juist de tegendraadse reacties van Gerbrandy die deze correspondentie tot spannende lectuur maken. Terwijl Kinneging louter denkt in morele categorieën en abstracties heeft Gerbrandy vooral oog voor de complexiteit en tegenstrijdigheden van de menselijke natuur.

Kinneging zwaait voortdurend met grote, van kapitalen voorziene woorden. Wanneer we maar Het Goede nastreven, onvermoeibaar op zoek zijn naar De Waarheid en al ons handelen afstemmen op De Traditie, zal wellicht het tij worden gekeerd en onze beschaving niet langer in sneltreinvaart naar de afgrond denderen. Gerbrandy kan niets met deze Grote Woorden, omdat ze een zeer eenzijdige interpretatie bieden van wat we met enige overdrijving De Werkelijkheid zouden kunnen noemen.

In het nummer van 8 juni gaat hij in op Kinnegings gedweep met De Traditie. Omdat zijn pen pal graag Cicero, Horatius of Tacitus citeert, legt hij hem uit dat de literaire traditie van de Romeinen ook haar schaduwzijden kende: ‘In de loop van het keizerrijk zie je hoe de traditie verzandt in weliswaar amusante maar toch holle na-aperij. Een literatuur die zichzelf niet blijft vernieuwen, is ten dode opgeschreven, als ik mij deze woordspeling mag veroorloven. Het feit dat iets tot een traditie behoort, hoe waardevol afzonderlijke elementen daarvan ook zijn, is geen garantie voor artistieke of filosofische kwaliteit. Ook in de klassieke Oudheid is pulp geproduceerd, en niet zo weinig ook. Jij wilt mij aan het lachen maken door me naar het Stedelijk Museum te sturen, maar ik raad jou aan eens een gedicht van Gratius, Terentianus Maurus of Commodianus ter hand te nemen. Je snapt niet dat het de Middeleeuwen is doorgekomen.’

Op dezelfde dag dat dit nummer van Opinio verscheen, publiceerde Gerbrandy een ruim vijfhonderd bladzijden tellend boek waarin hij de hoogte- én dieptepunten van de klassieke Latijnse literatuur beschrijft. In Het feest van Saturnus schildert hij een weids panorama van de Latijnse literatuur vanaf de derde eeuw vóór tot de vijfde eeuw na Christus, met als uitloper de rond 525 ter dood gebrachte Boëthius. Hoewel de christelijke ‘kerkvaders’ ook in het Latijn schreven, heeft Gerbrandy hen buiten zijn verhaal gehouden. Met hen begon een nieuwe literaire traditie die, zoals hij in zijn inleiding schrijft, ‘meer raakvlakken heeft met middeleeuwse theologen dan met Lucretius, Horatius en Tacitus’.

Literatuurgeschiedenissen vormen zelden meeslepende literatuur, omdat je om een paar krenten te kunnen proeven vaak grote kommen smakeloze pap moet verorberen. Gelukkig telt de Latijnse literatuur veel krenten en weet Gerbrandy ook van de pap nog iets te maken. Dat doet hij door soms met enige ironie over zijn onderwerp te schrijven. Wanneer hij de literatoren heeft opgesomd die tijdens het regime van Nero gedwongen werden zelfmoord te plegen, noteert hij droogjes: ‘Van Nero kan veel vervelends gezegd worden, maar niet dat hij geen stempel heeft gedrukt op de Latijnse literatuur.’ Zo studentikoos is hij echter zelden, en veelal weet hij de lezer te prikkelen door een beroep te doen op diens vermogen literaire toespelingen te begrijpen. Zo schrijft hij, wanneer hij op het punt is aanbeland dat hij toch iets moet zeggen over de christelijke auteurs en hij duidelijk wil maken dat hun literatuur hem met weerzin vervult: ‘Met Minucius Felix en Tertullianus marcheert de Inquisitie de Latijnse literatuur binnen.’

Hoewel Gerbrandy auteurs behandelt die twee millennia geleden schreven, herkent de hedendaagse lezer wel meer zaken. Wanneer hij het moralisme van Sallustius (86-35 voor Chr.) schetst, is het alsof hij het over Andreas Kinneging en diens kompanen van de Edmund Burke Stichting heeft: ‘Vroeger was alles beter. Politici waren nog integer, boeren, arbeiders en barbaren kenden nog hun plaats, en de eeuwige strijd tegen de natuur hield de mensen alert en bescheiden. Maar toen de welvaart steeg, gaf men zich allengs over aan twee tegengestelde kwaden: spilzucht en hebzucht. Op macht beluste politici kenden algauw geen scrupules meer en sloegen uit pure inhaligheid munt uit de inhaligheid van het volk. Zo vestigde zich de kanker van egoïsme in de samenleving. Sindsdien is iedereen nog uitsluitend geïnteresseerd in macht, geld en seks.’

Hierna maakt hij duidelijk dat Sallustius wist waarover hij het had, omdat hij zich ook schuldig had gemaakt aan dergelijk wangedrag. Vervolgens geeft hij aan dat Sallustius als geschiedschrijver niet van groot belang is, maar laat hij aan de hand van enkele welgekozen citaten zien dat het lezen van diens werk heel wat literair genot verschaft.

Hoewel de vele smakelijke citaten die Gerbrandy geeft de lezer ertoe verleiden zelf te gaan neuzen in het werk van de behandelde auteurs gaat het hem duidelijk niet alleen om wat lekker of leuk is. Steeds heb je het idee dat je iets meer gaat begrijpen van die rare jongens, die de Romeinen nu eenmaal waren.

Neem nu de Tristia en de Epistulae ex Ponto, die Ovidius in ballingschap schreef en die moderne lezers vaak overdreven retorisch en dus ongenietbaar vinden. Juist in een periode waarin de dichter het zwaar had en wanhopig was, zou je immers verwachten dat hij recht vanuit het hart sprak, in plaats van zijn toevlucht te kiezen tot retorische gemeenplaatsen. Volgens Gerbrandy maken deze gedichten, waarin ‘magnifieke zeurpassages’ voorkomen, echter duidelijk dat voor de Romeinen de retorica vaak een laatste strohalm was, waarmee zij hun gevoelsleven konden ordenen en onder woorden konden brengen.

Ook ga je iets meer begrijpen van Vergilius, die volgens Gerbrandy met de Georgica ‘het beste gedicht ooit [heeft] geschreven’ en die ‘als geen ander de identiteit van zijn lezers onder woorden heeft gebracht’. En die identiteit bestond eruit, precies zoals het cliché wil, dat de Romeinen een volk van boeren en soldaten waren. Dat wil niet zeggen dat de poëzie van Vergilius simpel was, of louter imperialistische propaganda. Hoewel ik van de Aeneis nooit meer dan enkele bladzijden heb kunnen lezen, weet Gerbrandy mij ervan te overtuigen dat dit toch een nog altijd relevant meesterwerk is, waarvan de kern is samengevat in slechts drie woorden: sunt lacrimae rerum – er zijn tranen voor de dingen. Of, in de samenvatting van Gerbrandy: ‘Mensen brengen elkaar onnoemelijk veel leed toe, maar zijn aan de andere kant niet zulke beesten dat ze niet het vermogen hebben met elkaars lot begaan te zijn.’

Het is echter niet alleen de Latijnse literatuur die dichterbij komt, ook over poëzie an sich heeft Gerbrandy het nodige te melden. In het hoofdstuk over Horatius, volgens Gerbrandy als dichter de grootste vakman uit de gehele literatuurgeschiedenis, laat hij zien dat deze aan het begin stond van beide hoofdstromen uit de Europese poëzietraditie. Zo vergelijkt hij Horatius’ Liederen met monolieten, waar je omheen kunt lopen, die je kunt bekloppen en betasten, maar die geen antwoord geven ‘dan de echo van jouw stem’. Het raadselachtige werk van dichters als Stéphane Mallarmé, Paul Celan en Hans Faverey staat in deze traditie. Het is poëzie die zo stevig is geconstrueerd ‘dat er geen koevoet tussen te krijgen is’.

Wie echter alleen oog heeft voor de steenharde constructies van Horatius verliest uit het oog dat diens werk ook werd gekenmerkt door een opmerkelijke lyriek, waarin de dichter voortdurend in gesprek is met anderen. Vooral in de Satiren en Brieven voerde Horatius voortdurend een dialoog met de sociale en politieke werkelijkheid uit zijn tijd. Gerbrandy typeert deze gedichten als ‘metrisch geouwehoer’, dat de voorloper is van ‘het brede, meerstemmige gedicht, dat gastvrij alles in zich opneemt wat zich toevallig voordoet’. Het is deze traditie die in de twintigste eeuw werd voortgezet door T.S. Eliot, Ezra Pound, Leo Vroman en Lucebert.

De verleiding is groot nog heel lang door te gaan met citeren. Vooral wat Gerbrandy schrijft over Tacitus maakt diepe indruk: ‘Het proza van Tacitus grijpt je bij de strot, dwingt je stelling te nemen in onmogelijke dilemma’s, vervult je met het besef dat niet alleen geen mens deugt, maar dat je ook zelf voortdurend vuile handen maakt. Moralisme is vrijwel geen enkele Romeinse schrijver vreemd, maar alleen Tacitus slaagt erin je zijn obsessies en frustraties zo op te dringen dat je je medeplichtig gaat voelen.’

Er staan echter te veel van dergelijke mooie, meeslepende en verontrustende passages in dit prachtige boek om binnen het bestek van een recensie een representatief beeld te geven. Het feest van Saturnus is eenvoudigweg verplichte literatuur voor iedereen met liefde voor literatuur, én voor iedereen die de mond vol heeft van De Traditie. Bovendien is het wat de titel aangeeft, namelijk een feest om te lezen. Met als after party al die hoogtepunten uit de Latijnse literatuur zelf.