Het beste uit reader’s digest

Marcel Moring, Het grote verlangen. Vijftiende, nog altijd niet gecorrigeerde druk. Uitgeverij Meulenhoff, 233 blz., f34,90
IK BEN GEEN kenner van de Nederlandse literatuur. Ik ben vertrouwd met de klassieken noch de modernen. Okee, hier en daar heb ik weleens een roman meegepikt, maar de herinnering daaraan verwijlt in een dofgrijze mist. Erover meepraten kan ik in ieder geval niet.

Dat vervult me soms met hevige schaamte. Wat ben ik nou voor polderintellectueel? Kent de hele Dostojevski, maar kijkt blanco uit zijn ogen wanneer het over Eduard Douwes Dekker, Louis Couperus, Lodewijk van Deyssel of Eddy du Perron gaat. Poesjkin, Lermontov, Toergenjev, het zijn levende gestalten voor me, die zelfs nauwelijks bedgeheimen voor me hebben, maar droeg Ter Braak nu wel of niet een bril?
Zelfs de vaderlandse literatuur van na de oorlog, die toch over mijn tijd en mijn wereld handelt, had voor mij net zo goed niet kunnen bestaan. Ik ben er niet in thuis, en als ik het dan toch probeer, raak ik er niet in thuis. De naoorlogse romans, van De avonden tot Asbestemming, zetten mij een wereld voor die mij totaal vreemd is, en wat erger is, die bij mij louter weerzin en verveling oproept.
Toegegeven, Nederland is niet een van de opwindendste landen ter wereld, maar zit de dood zo in de pot als de Nederlandse roman doet voorkomen? Kent het leven hier te lande echt zo weinig drama, zo weinig conflict? Heeft Nederland soms geen grondvesten om te laten trillen, geen beelden om te bestormen, geen heilige koeien om te slachten? Misschien is dat wel zo en moeten we het maar accepteren. In dat geval heb ik gewoon gelijk dat ik de Nederlandse roman links laat liggen.
MAAR DAN dringt uit het doordreinzende gebabbel dat de Nederlandse literatuurkritiek voortbrengt, ineens weer de kreet ‘meesterwerk!’ tot me door, en dan probeer ik het toch weer. En ploeter ik me opnieuw zuchtend naar de laatste, bevrijdende pagina.
Ik heb nu een nieuwe tactiek: ik kijk de kat uit de boom. Voor decepties als Palmen en Grunberg, die ik onmiddellijk las maar die mij pijnscheuten van ergernis bezorgden, wil ik me voortaan behoeden. Aanprijzingen moet een boek hebben, van critici die ik als verstandig beschouw. En prijzen, van jury’s die, ten bate van hun eigen aanzien, het boek belonen dat toch al het meeste aanzien had.
Het grote verlangen van Marcel Moring viel prijzen en aanprijzingen ten deel.
Aantrekkelijke titel. Het verlangen was al mijn object van studie toen ik nog in de filosofie en de psychologie zat. Maar van geredeneer over het verlangen heb ik inmiddels mijn bekomst. Veel leerzamer is het om het verlangen in het leven zelf aan het werk te zien. Of, in gesublimeerde en gestileerde vorm, in de literatuur. Wie weet wel in Het grote verlangen. Die titel belooft wat.
Maar wat tref ik aan? Jawel, geredeneer.
’…de herinnering is een groot verlangen’, zegt Lisa al aan het slot van hoofdstuk een. Dat stemt tot nadenken, diep nadenken. Maar ik wil helemaal niet nadenken! Ik wil zien, voelen, meebeleven.
’ “Je weet wat verdween.”
Ze richtte zich op en sperde haar ogen open.
“Pappa en mamma”, zei ze, “en God en het geheim van de liefde.”
Haar ogen vulden zich.
“Alleen de herinnering is gebleven”, zei ze, “en de herinnering is niet genoeg, de herinnering is een groot verlangen.” ’
Hoe iemand bij het bedenken van dit soort wijsheden kan volschieten, is mij een raadsel. En dat raadsel blijft. Het hele boek lang slaan de hoofdpersonen aan het janken zodra het over pappa, mamma, God of het geheim van de liefde gaat. Maar ik zie helemaal geen mensen met verdriet, ik zie slechts een schrijver met een vaag soort filosofische pijn. Ik zie een schrijver die zo snel mogelijk naar de Grote Woorden wil: de Herinnering, het Verlangen, de Liefde. Maar ik lees geen romans om wijzer te worden over de ontologie van het verlangen of de epistemologie van de herinnering. Ik wil zien hoe die zaken in het doen en laten van mensen werkzaam zijn.
Het doen en laten waar het in het boek om draait is dat van Sam, tweelingbroer van Lisa. Dus met dezelfde pappa en mamma, die ze door een auto- ongeluk verloren toen ze tien waren. Sam herinnert zich er niets van, Lisa alles. Die slaagt erin bij hem een verlangen naar herinnering op te wekken, waar hij zich vervolgens het hele boek lang aan overgeeft. Hij herinnert zich zijn zwerftochten door Nederland toen hij een jaar of twintig was, samen met zijn twee jaar oudere broer Raph. Hij herinnert zich zijn speurwerk naar de in de grond verdwenen boortoren. Hij herinnert zich zijn hele stuurloze bestaan. En vooral: hij herinnert zich - langzaam, heel langzaam - zijn vader en zijn moeder, en de avond van het ongeluk.
Die herinnering lijkt iets voor hem verborgen te houden, een spectaculair feit dat alle moeite van de herinneringsarbeid zal belonen. Dat feit doemt uiteindelijk uit de mist van het verleden op: hij was erbij, als jochie, hij zat bij zijn pappa en mamma in de auto toen die tegen de boom vloog.
Is dat het nou? Is dat de schat waar Sam het hele boek over moest doen om hem op te graven? Wat moet hij ermee? En wat moet ik, als lezer, ermee? Maakt het mij wijzer over Sam? Snap ik nu waarom hij die martelgang door het geheugen moest maken?
Ik niet.
DE STANDAARDSMOES bij boeken met zo'n onbeduidende ontknoping is: het gaat niet om Ithaka, maar om de reis ernaartoe, de odyssee, om de werelden die de held aandoet en de wijsheden die hij daar opdoet.
Voordat in het boek de reis begint, duurt het even, maar ondertussen is er aan wijsheden geen gebrek. 'Als je je iets probeert te herinneren, krijg je altijd waar je niet op zit te wachten’, denkt Sam in de slotzin van hoofdstuk twee. Alsof-ie op de wc de spreukenkalender zit te lezen.
Maar hij zit niet op de wc. Hij zit, hoofdstuk drie, in de kelder op z'n werk met z'n reet op een pak printerpapier een sigaretje te roken. En daar slaan de eerste herinneringen toe. Hem schiet het verhaal van Echo te binnen, die gemolesteerd werd door een stel motorboys. Waarom schiet hem dat te binnen? Hij denkt aan de fabriek waar hij met z'n broer werkte en waar iedere week een hoer verscheen in haar rode Chevrolet, terwijl het hele personeel in de rij stond. Waarom denkt hij juist daaraan? Hij herinnert zich hoe ze de hele fabriek onklaar maakten. Hoe ze op de vlucht sloegen. De absurde episode in cafe De Koperen Ploeg. Het abrupte einde van hun zwerftocht. Waarom stopt de schrijver dat allemaal in Sams kop? Ik weet het niet, ik kan de lijn, de noodzaak van de tocht van a naar b naar c, maar niet ontdekken. Wat is in hemelsnaam Sams probleem? Ik zie alleen het broksgewijze herstel van een haperende herinnering, maar daarvoor kan ik net zo goed een boek met neuropsychologische gevalsbeschrijvingen opslaan. En verder zie ik de gelikte pastiches van de schrijver. Ovidius, Vestdijk, Hermans. En Fellini natuurlijk, die film met die fabriekshoer.
Maar als Sams reis me zo weinig over hemzelf vertelt, vertelt die me dan misschien wel iets over de wereld? De plaatsen die hij aandoet, komen me merkwaardig bekend voor. Bijvoorbeeld de stad waar Sam, Lisa en Raph wonen. Die lijkt verdomd veel op Amsterdam, met zijn grachten en singels, cafes en discotheken, rosse buurten en onbestemde havengebieden waar in pakhuizen kunstenaars wonen en house-party’s worden gegeven.
Veelvuldig is het boek geprezen voor het scherpe portret dat het tekent van het troosteloze leven in onze hoofdstad. Onze hoofdstad? Aan alles merk je dat de schrijver de deur niet uit is geweest. 'We liepen over een straat met gebarsten asfalt, bedekt met papieren bekertjes en schuimplastic bakjes waarin halfverteerde hamburgers en groenige klodders saus lagen, en langs de weg, achter de eindeloze rijen geparkeerde auto’s met plasjes glas naast de portieren met ingeslagen ruiten, stonden hoge huizen met roodverlichte etalages waarin hoeren tijdschriften zaten te lezen. We gingen langs gerestaureerde herenhuizen met souterrains en op de trap naar een van die souterrains lag een jongen boven op een vrouw. Zij had haar rokken opgeschort, de witte benen om zijn rug geslagen. Hij steunde met zijn knieen op een tree en knarsetandde, terwijl zijn onderlichaam op en neer ging. Onder aan de trap, tussen wat oude kranten en verschoten plastic zakken, zat een meisje in minirok die een injectiespuit in haar met nylon bedekte been duwde.’
Alleen een Franse journalist die van zijn baas de verschrikkingen van Amsterdam moet beschrijven, kan zo'n scene verzinnen. En een Amsterdamse schrijver die, liever dan de deur uit te gaan, zijn kennis van het stadsleven opdoet uit Panorama en Joost Zwagerman.
TROUWENS, WAAR heeft hij dat B-filmdecor eigenlijk voor nodig? Om Sams vergeefse queeste naar de liefde mee in te kleuren? Om Sam in de gelegenheid te stellen compassie met de wereld te krijgen, als surrogaat voor zijn falende verlangen naar ware liefde? Zijn daar echt al die hoeren, junks, dronkaards en zwervers voor nodig?
Kennelijk doet het er allemaal niet zo toe. Decor is decor. Als des schrijvers wijsheden er maar goed tegen uitkomen. En die strooit hij met gulle hand, al dan niet begoten met de tranen der protagonisten. 'Liefde is een wilsdaad.’ 'Het verlangen is de wens om de rust te vinden die je bent kwijtgeraakt toen je het huis uit moest.’ 'De vraag is niet waar je heen gaat, maar waar je bent.’ 'In je gedachten is het echte leven altijd ergens anders.’ 'Iemand zoekt naar het belangrijkste in zijn leven en vindt dat pas als hij het weer is kwijtgeraakt.’
En zo gaat het maar door, bijna iedere bladzijde is het raak.
Ja, Het grote verlangen is een onvergankelijk meesterwerk. Het leeft voor eeuwig voort op de spreukenpagina’s van Het Beste uit Reader’s Digest.